New wpDataTable

title description bron id sloID
Bouwen, Wonen en Interieur Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en –ontwikkeling. eindterm 82774dca-a2b9-498c-9bb2-a40db4b641b1 2.109
PK/BWI/A a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. informatie op allerlei manieren overzichtelijk en efficiënt verzamelen, ordenen en weergeven; a.3. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.4. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.5. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.7. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.8. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.9. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.10. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.11. professionele hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.12. hygiënisch werken; a.13. milieubewust handelen; a.14. zich aan -en inpassen in een bedrijfscultuur; a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.16. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. eindterm ff0218da-763c-4734-9b2a-f588b4a36631 2.110
PK/BWI/B b. Professionele kennis en vaardigheden   Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. voorbeelden geven van technologische en innovatieve ontwikkelingen; b.4. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie; Voorbereiden De kandidaat kan: b.5. de relaties van natuurkundige grootheden naar de technische praktijk kunnen uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.6. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.7. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.8. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.9. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.10. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.11. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren.   Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.12. een tekening lezen; b.13. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.14. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.15. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.16. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.17. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.18. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.19. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.20. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo -en Milieu (KAM) -zorg; b.21. een werkstuk, product en systeem samenstellen.   Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.22. een werkstuk, product, systeem en/ of dienst toetsen en evalu eren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.23. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren.   eindterm 961a2470-cbb2-4958-9a03-40688fd0b3bf 2.111
PK/BWI/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. Wat kan ik het best en hoe weet ik dat? [Kwaliteitenreflectie] 2. Waar ga en sta ik voor en waarom dan? [Motievenreflectie] 3. Waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar? [Werkexploratie] 4. Hoe bereik ik mijn doel en waarom zo? [Loopbaansturing] 5. Wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen? [Netwerken] c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies   eindterm 336ce1c0-537d-4d71-b404-efd17fa592f3 2.112
P/BWI/01 Module 1: bouwproces en bouwvoorbereiding (v2020) Taak: o een kleinschalig bouwproject voorbereiden en het bouwproces organiseren o maatvoeren en uitzetten o profielen en kozijnen stellen   eindterm 6dd4f5fd-8a73-4723-8be7-5c09654681bd 2.113
P/BWI/02 Module 2: bouwen vanaf de fundering (v2020) Taak: o een bekisting voor een strokenfundering en een PS-systeembekisting maken o een halfsteensmuur metselen o isolatiematerialen verwerken oveilig werken op steigers en ladders   eindterm 0a2c1e70-df85-4fb1-a1b8-b58447db7970 2.114
P/BWI/03 Module 3: hout- en meubelverbindingen (v2020) Taak: o werkstuk met enkelvoudige verbindingen maken o hout zagen en verspanen met behulp van gangbare elektrische-, pneumatische- en niet-aangedreven handgereedschappen en houtbewerkingsmachines   eindterm c6f6b612-3e74-4272-b808-dbcbee98533a 2.115
P/BWI/04 Module 4: design en decoratie (v2020) Taak: o een interieurelement ontwerpen o een ontwerp maken voor de afwerking van een interieurelement o een interieurelement maken o een interieurelement afwerken en decoreren   eindterm d91ba23f-d2a4-421d-8f29-fe7b8b6cf24e 2.116
H/V Niet van toepassing Dit onderwerp maakt geen deel uit van de examenprogramma's. eindterm 6d989411-b91f-41f7-a611-776d753906c7 2.081
VMBO Niet van toepassing Dit onderwerp maakt geen deel uit van de examenprogramma's. eindterm 686015d2-4432-496d-b2c9-2370833f60ed 2.082
AK/H/Domein A AK/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Geografische benadering 1. De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: - geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; - geografische vragen herkennen en zelf formuleren; - de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen. Subdomein A2: Geografisch onderzoek 2. De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren: - op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak; - met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data; - zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E. eindterm ad01b19d-9b55-4269-833f-555c613803db 1.493
AK/H/Domein B AK/H Domein B: Wereld Subdomein B1: Gebieden op de grens van arm en rijk 3. De kandidaat kan de situatie in een nader door de school te kiezen gebied waar één of meer rijke landen en één of meer arme landen aan elkaar grenzen, beschrijven en analyseren. Het betreft: - economische, demografische en sociaal-culturele gebiedskenmerken en de relaties daartussen; - de (grensoverschrijdende) relaties tussen beide soorten landen en de gunstige en ongunstige effecten daarvan. Subdomein B2: Samenhangen en verschillen in de wereld 4. De kandidaat kan ten aanzien van samenhangen en verschillen in de wereld: - mondiale spreidings- en relatiepatronen van economische, demografische en sociaal-culturele verschijnselen beschrijven en in hoofdlijnen verklaren; - het proces van mondialisering beschrijven, herkennen en in hoofdlijnen verklaren. Subdomein B3: Mondiale processen en lokale effecten 5. De kandidaat kan aan de hand van een nader door de school te kiezen voorbeeld aangeven en beoordelen hoe mondialisering uitwerkt in een lokale context. Hij betrekt hierbij: - sociaal- en fysisch-geografische aspecten; - actoren in de lokale context. eindterm 48fd760e-cd85-40b6-bb97-c41d29582f8c 1.494
AK/H/Domein C AK/H Domein C: Aarde Subdomein C1: Samenhangen en verschillen op regionaal niveau 6. De kandidaat kan voor een nader door de school te kiezen fysischgeografische regio: - spreidingspatronen van natuurlijke en landschappelijke verschijnselen beschrijven; - relaties leggen tussen natuurlijke processen en landschappelijke verschijnselen. Subdomein C2: Samenhangen en verschillen op aarde 7. De kandidaat kan met betrekking tot samenhangen en verschillen op aarde: - natuurlijke verschijnselen aan het aardoppervlak en in de atmosfeer beschrijven, herkennen en verklaren, rekening houdend met verschillende tijden ruimteschalen; - de kenmerken van de landschapszones op aarde en de veranderingen hierin beschrijven, analyseren en aan elkaar relateren. Subdomein C3: De aarde als natuurlijk systeem en lokale effecten 8. De kandidaat kan aan de hand van een nader door de school te kiezen voorbeeld aangeven en beoordelen hoe mondiale natuurruimtelijke processen uitwerken in een lokale context. Hij betrekt hierbij: - fysisch- en sociaal-geografische aspecten; - actoren in de lokale context. eindterm 4598b585-9939-4962-b93b-d3cd23c40882 1.495
AK/H/Domein D AK/H Domein D: Ontwikkelingsland Subdomein D1: Gebiedskenmerken 9. De kandidaat kan gebiedskenmerken van een nader aan te wijzen ontwikkelingsland beschrijven en analyseren. Het betreft: - sociaal-geografische en fysisch-geografische kenmerken van het betreffende ontwikkelingsland; - de sociaal-economische positie van het betreffende ontwikkelingsland in de macroregio én in de wereld. Subdomein D2: Actuele vraagstukken 10. De kandidaat kan actuele vraagstukken in het in subdomein D1 bedoelde ontwikkelingsland beschrijven en analyseren. Het betreft: - vraagstukken van landdegradatie en milieuverontreiniging; - conflicten in het betreffende ontwikkelingsland die verband houden met de etnische en culturele diversiteit in het land. eindterm 685406ad-d307-4579-8877-b3f8c1dda58a 1.496
AK/H/Domein E AK/H Domein E: Leefomgeving Subdomein E1: Nationale en regionale vraagstukken 11. De kandidaat kan zich een beargumenteerde mening vormen over: - actuele vraagstukken van overstromingen en wateroverlast in Nederland; - actuele ruimtelijke en sociaal-economische vraagstukken van stedelijke gebieden in Nederland. Hij betrekt bij beide soorten vraagstukken aspecten van duurzame ontwikkeling en plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. Subdomein E2: Regionale en lokale vraagstukken 12. De kandidaat kan lokale en regionale ruimtelijke vraagstukken beschrijven en analyseren en zich daarover een beargumenteerde mening vormen. eindterm fa38da7f-5c86-4f60-93c6-6024817cddab 1.497
AK/Domein C1: Aarde, samenhangen en verschillen/diversiteit op regionaal niveau Domein C1/C1: Aarde, samenhangen en verschillen/diversiteit op regionaal niveau Nr. 6: Spreidingspatronen van natuurlijke en landschappelijke verschijnselen beschrijven. Relaties leggen tussen natuurlijke processen en landschappelijke verschijnselen. Nr. 5: De natuurlijke en landschappelijke kenmerken van een nader aan te wijzen fysisch-geografische macroregio in onderlinge samenhang en in relatie tot de samenlevingen in de betreffende macroregio analyseren.   eindterm 19e240bc-a409-4ba6-8308-b5d14a1e1af9 1.040
AK/Domein D2 Subdomein D2: Actuele vraagstukken De kandidaat kan actuele vraagstukken in de in subdomein D1 bedoelde macroregio vanuit een geografisch perspectief beschrijven, analyseren en verklaren. Het betreft: milieuvraagstukken samenhangend met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en natuurlijke gevaren samenhangend met natuurrampen; kenmerken van de hedendaagse ontwikkeling in de steden en op het platteland van de betreffende macroregio, samenhangend met het proces van mondialisering; conflicten in de betreffende macroregio, voor zover ze verband houden met de etnische en culturele diversiteit in de regio.   eindterm 473c3bbe-51a7-401b-8470-6b1dda10e4a0 1.041
AK/Domein B3 Domein B: Wereld Subdomein B1: Gebieden op de grens van arm en rijk 3. De kandidaat kan de situatie in een nader door de school te kiezen gebied waar één of meer rijke landen en één of meer arme landen aan elkaar grenzen, beschrijven en analyseren. Het betreft: - economische, demografische en sociaal-culturele gebiedskenmerken en de relaties daartussen; - de (grensoverschrijdende) relaties tussen beide soorten landen en de gunstige en ongunstige effecten daarvan. Subdomein B2: Samenhangen en verschillen in de wereld 4. De kandidaat kan ten aanzien van samenhangen en verschillen in de wereld: - mondiale spreidings- en relatiepatronen van economische, demografische en sociaal-culturele verschijnselen beschrijven en in hoofdlijnen verklaren; - het proces van mondialisering beschrijven, herkennen en in hoofdlijnen verklaren. Subdomein B3: Mondiale processen en lokale effecten 5. De kandidaat kan aan de hand van een nader door de school te kiezen voorbeeld aangeven en beoordelen hoe mondialisering uitwerkt in een lokale context. Hij betrekt hierbij: - sociaal- en fysisch-geografische aspecten; - actoren in de lokale context. eindterm a7cdc4d6-a813-40f8-949d-a974997bbe98 1.042
AK/Domein D2/D2 Subdomein D2: Actuele vraagstukken De kandidaat kan actuele vraagstukken in de in subdomein D1 bedoelde macroregio vanuit een geografisch perspectief beschrijven, analyseren en verklaren. Het betreft: milieuvraagstukken samenhangend met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en natuurlijke gevaren samenhangend met natuurrampen; kenmerken van de hedendaagse ontwikkeling in de steden en op het platteland van de betreffende macroregio, samenhangend met het proces van mondialisering; conflicten in de betreffende macroregio, voor zover ze verband houden met de etnische en culturele diversiteit in de regio.   eindterm 7de4e790-85a6-4f00-8424-45d47ba1b67a 1.043
AK/A1.b.1 Subdomein A1: Geografische benadering De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; geografische vragen herkennen en zelf formuleren; de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.   eindterm 4269a7af-cb02-4c91-8b1c-fb38d8b29a0e 1.087
AK/A/A1.c Subdomein A1: Geografische benadering De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; geografische vragen herkennen en zelf formuleren; de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.   eindterm 633affd5-e6e3-4c30-89d7-4dd02fd22215 1.088
AK/A/A1a.1 Subdomein A1: Geografische benadering De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; geografische vragen herkennen en zelf formuleren; de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.   eindterm c373058f-aa31-4e5d-a1b2-f9b99e424995 1.089
AK/A1a.2 Subdomein A1: Geografische benadering De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; geografische vragen herkennen en zelf formuleren; de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.   eindterm 19b45d0a-7203-4dc2-9694-3e5ba9b38d05 1.090
AK/A1a.3 Subdomein A1: Geografische benadering De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; geografische vragen herkennen en zelf formuleren; de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.   eindterm aec99bc9-bf32-4720-832c-49fd637ba97e 1.091
AK/A2 Subdomein A2: Geografisch onderzoek 2. De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren: op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak; met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data; zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E.   eindterm 2d31b985-b68f-4d5c-a36c-9405d7d712db 1.092
AK/A2.3 Subdomein A2: Geografisch onderzoek 2. De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren: op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak; met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data; zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E.   eindterm b534904e-b395-437c-a005-83d09366f2c1 1.093
AK/A2a.1 Subdomein A2: Geografisch onderzoek 2. De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren: op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak; met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data; zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E.   eindterm 449d9330-940e-447b-93aa-509468cb9c57 1.094
AK/A2a.2 Subdomein A2: Geografisch onderzoek 2. De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren: op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak; met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data; zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E.   eindterm 86f624ca-3dc7-4d61-9d66-060f8e335837 1.095
AK/A2a.3 Subdomein A2: Geografisch onderzoek 2. De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren: op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak; met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data; zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E.   eindterm b502ebcf-f493-42f9-b6ea-6ff36d6bc51f 1.096
AK/E2.11, Subdomein A2: Geografisch onderzoek 2. De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren: op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak; met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data; zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E.   eindterm fafd9ba8-5c44-47dd-a262-2e2428f5f900 1.097
AK/A/A1.b.2 Subdomein A1: Geografische benadering De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; geografische vragen herkennen en zelf formuleren; de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.   eindterm ebd8fed8-512a-4cde-b5cc-5335b8541a28 1.099
AK/A/A1a.1, A1a.2 Subdomein A1: Geografische benadering De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; geografische vragen herkennen en zelf formuleren; de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.   eindterm 57dae733-0c0d-411c-8f4b-36dd3e58ab3d 1.100
AK/E/E2.11, E2.9 Subdomein E2: Regionale en lokale vraagstukken 9. De kandidaat kan lokale en regionale ruimtelijke vraagstukken beschrijven en analyseren en zich daarover een beargumenteerde mening vormen.   eindterm ab6bf48a-19af-485a-b1ed-577a725f4fc9 1.101
AK/E/E2.9 Subdomein E2: Regionale en lokale vraagstukken 9. De kandidaat kan lokale en regionale ruimtelijke vraagstukken beschrijven en analyseren en zich daarover een beargumenteerde mening vormen.   eindterm 1149a47f-da3f-462e-812e-debc6442078f 1.102
AK/C/Domein C2 Subdomein C2: Mondiaal milieuvraagstuk 6. De kandidaat kan met betrekking tot een nader door de school te kiezen mondiaal milieuvraagstuk, vanuit het perspectief van subdomein 'De aarde als natuurlijk systeem' (C1): het vraagstuk beschrijven en analyseren als natuurlijk vraagstuk; actuele discussies over het vraagstuk kritisch beoordelen, daarbij onderscheid maken tussen oorzaken en gevolgen en relaties leggen met relevante maatschappelijke factoren; beleid beoordelen dat is gericht op het oplossen van het vraagstuk op macroregionale schaal.   eindterm a971e37a-03a7-4842-ab98-cb0496594e25 1.104
AK/K/1 AK/K/1 Oriëntatie op leren en werken   1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van aardrijkskunde in de maatschappij. eindterm 6aabdb03-1344-49ae-ba50-c8b284edb14b 1.064
AK/K/2 AK/K/2 Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken. eindterm 51321bce-a157-4b7d-b41f-02f8267b4371 1.065
AK/K/3 AK/K/3 Leervaardigheden in het vak aardrijkskunde 3. De kandidaat kan een aantal vakvaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen. Bij het bestuderen van gebieden, aardrijkskundige verschijnselen en vraagstukken kan de kandidaat in dat verband: verschillende typen aardrijkskundige vragen herkennen en formuleren; aardrijkskundige werkwijzen toepassen; gebruik maken van verschillende soorten kaarten en kaartvaardigheden, luchtfoto’s en satellietbeelden; informatie ordenen, analyseren en daarover conclusies trekken; eenvoudig aardrijkskundig onderzoek van beperkte omvang in de eigen omgeving uitvoeren over thematieken die aansluiten bij de inhouden van de exameneenheden K/4 tot en met K/9; een standpunt innemen en beargumenteren. eindterm a7b6b490-a28d-4375-bd94-bc60fdb01a6f 1.066
AK/K/4 AK/K/4 Weer en klimaat 4. De kandidaat kan het weer en klimaat in de eigen regio beschrijven en verklaren. 5. De kandidaat kan Weer en klimaat, klimaatverandering en klimaatbeleid van Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.   Het cursieve deel van eindterm 5 geldt alleen voor KB en GL/TL.   6. De kandidaat kan Weer en klimaat, klimaatverandering en klimaatbeleid in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren.   Het cursieve deel van eindterm 6 geldt alleen voor KB en GL/TL. eindterm 1af75720-b177-4a0b-9ad4-fd0bc5e0ef4c 1.067
AK/K/5 AK/K/5 Bronnen van energie   7. De kandidaat kan het gebruik van energie in de eigen regio beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van energie en de effecten ervan beschrijven.   8. De kandidaat kan het gebruik van energie en de gevolgen ervan voor Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer energiegebruik en de effecten ervan beschrijven en de situatie in beide gebieden vergelijken.   Het cursieve deel van eindterm 8 geldt alleen voor KB en GL/TL.   9. De kandidaat kan het gebruik van energie en de gevolgen ervan in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van energie en de effecten ervan beschrijven. eindterm 9745b810-0745-46a9-b8b0-c36db3b9c67a 1.068
AK/K/6 AK/K/6 Water   10. De kandidaat kan het gebruik van water in de eigen regio beschrijven en verklaren en maatregelen voor duurzamer gebruik van water beschrijven.   11. De kandidaat kan de herkomst, het voorkomen, de kwaliteit en het gebruik van water in Nederland beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van water en de effecten ervan beschrijven.   12. De kandidaat kan de herkomst, het voorkomen, de kwaliteit en het gebruik van water in een buiten-Europese macroregio en een contrasterende macroregio elders in de wereld beschrijven en verklaren en maatregelen voor een duurzamer gebruik van water en de effecten ervan beschrijven en de situatie in beide gebieden vergelijken.   Het cursieve deel van eindterm 12 geldt alleen voor KB en GL/TL.   eindterm c73f2a5e-dd26-478c-9cab-e6509b6c141a 1.069
AK/K/7 AK/K/7 Arm en rijk 13. De kandidaat kan verschillen tussen meer en minder welvarende wijken en voorstellen voor verbetering van de woon- en leefomstandigheden in de eigen regio beschrijven.   14. De kandidaat kan regionale verschillen in welvaart in Nederland beschrijven en verklaren.   15. De kandidaat kan regionale verschillen in welvaart in een buiten-Europese macroregio en een contrasterende macroregio elders in de wereld beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.   Het cursieve deel van eindterm 15 geldt alleen voor KB en GL/TL. eindterm 00c8418e-1ff0-4748-8eb9-eddaa83c1978 1.070
AK/K/8 AK/K/8 Bevolking en ruimte 16. De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in de eigen regio beschrijven en verklaren. 17. De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in Nederland en een contrasterende regio elders in Europa beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.   Het cursieve deel van eindterm 17 geldt alleen voor KB en GL/TL. 18. De kandidaat kan de bevolkingsontwikkeling en het ruimtegebruik in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren. eindterm c6bce845-29ea-4a23-9ab3-a5b840a37646 1.071
AK/K/9 AK/K/9 Grenzen en identiteit 19. De kandidaat kan verschillende soorten grenzen in de eigen regio beschrijven en verklaren en verbanden leggen met identiteit. 20. De kandidaat kan verschillen in regionale identiteit en de manier waarmee men daarmee omgaat in Nederland en een contrasterende regio elders in Europa, beschrijven en verklaren en de situatie in beide gebieden vergelijken.   Het cursieve deel van eindterm 20 geldt alleen voor KB en GL/TL.   21. De kandidaat kan territoriale conflicten in een buiten-Europese macroregio en verklaren en verbanden leggen met grondstoffen en culturele verschillen. eindterm 4a27f47f-9f69-46b5-9a73-e78f04bf1eba 1.072
AK/V/1 AK/V/1 Casus Weer en klimaat: Extreme weersomstandigheden 22. De kandidaat kan het voorkomen van extreme weersomstandigheden in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen om de gevolgen hiervan te beperken beschrijven. eindterm 7298c7f1-05e9-4b06-9f94-3d8a5f2d0d5c 1.073
AK/V/2 AK/V/2 Casus Bronnen van energie: Energiebeleid 23. De kandidaat kan de verhouding tussen de verschillende gebruikte bronnen van energie in een buiten-Europese macroregio beschrijven en de voor- en nadelen van die energiebronnen beschrijven. eindterm 1e02b77a-6de6-4540-8189-d4275ef61b75 1.074
AK/V/3 AK/V/3 Casus Water: Watermanagement 24. De kandidaat kan de waterhuishouding in een buiten-Europese macroregio beschrijven en maatregelen ter verbetering beschrijven. eindterm 62d3714b-1284-4c9f-b346-1317789dd93b 1.075
AK/V/4 AK/V/4 Casus Arm en rijk: Arm en rijk en gezondheidszorg 25. De kandidaat kan de vicieuze cirkel tussen armoede, honger en gezondheid in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen ter verbetering van de situatie beschrijven. eindterm 12f6b5f1-fb0b-4913-a6e4-3a9ef16a1c54 1.076
AK/V/5 AK/V/5 Casus Bevolking en ruimte: Bevolking en ruimte in grootstedelijke gebieden 26. De kandidaat kan de ruimtelijke ontwikkelingen van megasteden in een buiten-Europese macroregio beschrijven en verklaren en maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit beschrijven. eindterm 82a9d568-219f-46fb-91dd-dd82218d1a63 1.077
AK/V/6 AK/V/6 Casus Grenzen en identiteit: Regionale identiteit 27. De kandidaat kan verschillende regionale tegenstellingen in een buiten-Europese macroregio beschrijven en maatregelen ter verbetering van de situatie beschrijven. eindterm 987a436f-5469-4880-a5c5-ca19adc23516 1.078
AK/V/7 AK/V/7 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie   22. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.     eindterm bc55b20d-d8cd-420f-af6b-88a2c547d807 1.079
AK/V/8 AK/V/8 Vaardigheden in samenhang   23. De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.     eindterm 2407dbf0-169a-4314-8adf-7ed94b706d4e 1.080
AK/V/Domein A AK/V Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Geografische benadering 1. De kandidaat kan de geografische benadering adequaat hanteren: - geografische informatie selecteren, verwerken en weergeven; - geografische vragen herkennen en zelf formuleren; - de geografische werkwijzen toepassen bij het formuleren en beantwoorden van geografische vragen.   Subdomein A2: Geografisch onderzoek 2. De kandidaat kan een geografisch onderzoek opzetten, uitvoeren, presenteren en evalueren: - op basis van een geografische onderzoeksvraag en een gestructureerd plan van aanpak; - met gebruikmaking van de geografische werkwijzen en primaire data; - zo mogelijk aansluitend op onderdelen van het examenprogramma, met name de domeinen B, C en E. eindterm aa377728-ba9c-4862-961f-7da857b18e60 1.498
AK/V/Domein B AK/V Domein B: Wereld Subdomein B1: Samenhang en verscheidenheid in de wereld 3. De kandidaat kan ten aanzien van samenhang en verscheidenheid in de wereld: - de begrippen 'mondialisering' en 'tijdruimtecompressie' in onderling verband en vanuit een geografisch perspectief analyseren; - mondiale spreidingspatronen van economische, culturele, demografische, sociale en politieke verschijnselen beschrijven, in hoofdlijnen verklaren en aan elkaar relateren; - grootstedelijke gebieden in een nader aan te wijzen postindustrieel land analyseren in het licht van processen van mondialisering. Subdomein B2: Mondiaal verdelingsvraagstuk 4. De kandidaat kan met betrekking tot een nader door de school te kiezen verdelingsvraagstuk vanuit het perspectief van het subdomein 'Samenhang en verscheidenheid in de wereld' (B1): - het vraagstuk beschrijven en analyseren als een maatschappelijk verdelingsvraagstuk; - actuele discussies over het vraagstuk kritisch beoordelen en relaties leggen met relevante natuurlijke factoren; - beleid beoordelen dat is gericht op het oplossen van het vraagstuk op macroregionale schaal. eindterm c6d4a9f4-ea6b-45ea-9e03-32f2ab987b08 1.499
AK/V/Domein C AK/V Domein C: Aarde Subdomein C1: De aarde als natuurlijk systeem; samenhangen en diversiteit 5. De kandidaat kan met betrekking tot de aarde als natuurlijk systeem: - de aarde als een uniek natuurlijk systeem beschrijven en deze kennis toepassen bij het analyseren van veranderingen aan het aardoppervlak op verschillende ruimte- en tijdschalen; - de kenmerken van landschapszones op aarde en de veranderingen hierin beschrijven, analyseren en aan elkaar relateren; - de natuurlijke en landschappelijke kenmerken van een nader aan te wijzen fysisch-geografische macroregio in onderlinge samenhang en in relatie tot de samenlevingen in de betreffende macroregio analyseren.   Subdomein C2: Mondiaal milieuvraagstuk 6. De kandidaat kan met betrekking tot een nader door de school te kiezen mondiaal milieuvraagstuk, vanuit het perspectief van subdomein 'De aarde als natuurlijk systeem' (C1): - het vraagstuk beschrijven en analyseren als natuurlijk vraagstuk; - actuele discussies over het vraagstuk kritisch beoordelen, daarbij onderscheid maken tussen oorzaken en gevolgen en relaties leggen met relevante maatschappelijke factoren; - beleid beoordelen dat is gericht op het oplossen van het vraagstuk op macroregionale schaal. eindterm 43ff40bf-807b-4ec4-8531-586d5fa73845 1.500
AK/V/Domein D AK/V Domein D: Gebieden Subdomein D1: Afbakening en gebiedskenmerken 7. De kandidaat kan ten aanzien van een nader aan te wijzen macroregio: - de afbakening van de betreffende macroregio analyseren, gebruikmakend van combinaties van relevante kenmerken; - een geografische vergelijking maken tussen de betreffende macroregio en een andere ontwikkelingsregio in de wereld op grond van relevante kenmerken; - de ontwikkelingsprocessen in de betreffende macroregio in hoofdlijnen aangeven en verklaren met gebruikmaking van economische, politieke, sociaal-culturele, fysisch-geografische, historische, interne en externe factoren. Subdomein D2: Actuele vraagstukken 8. De kandidaat kan actuele vraagstukken in de in subdomein D1 bedoelde macroregio vanuit een geografisch perspectief beschrijven, analyseren en verklaren. Het betreft: - milieuvraagstukken samenhangend met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en natuurlijke gevaren samenhangend met natuurrampen; - kenmerken van de hedendaagse ontwikkeling in de steden en op het platteland van de betreffende macroregio, samenhangend met het proces van mondialisering; - conflicten in de betreffende macroregio, voor zover ze verband houden met de etnische en culturele diversiteit in de regio. eindterm 2be74f28-9905-4975-8bfa-5f63c0cbf8b8 1.501
AK/V/Domein E AK/V Domein E: Leefomgeving Subdomein E1: Nationale en regionale vraagstukken 9. De kandidaat kan zich een beargumenteerde mening vormen over: - actuele vraagstukken van overstromingen en wateroverlast in Nederland; - actuele ruimtelijke en sociaal-economische vraagstukken van stedelijke gebieden in Nederland. Hij betrekt bij beide soorten vraagstukken aspecten van duurzame ontwikkeling en plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. Subdomein E2: Regionale en lokale vraagstukken 10. De kandidaat kan lokale en regionale ruimtelijke vraagstukken beschrijven en analyseren en zich daarover een beargumenteerde mening vormen. eindterm 48d6685d-529a-4767-b7d5-88a90206d63b 1.502
AK/V/Domein F AK/V Domein F: Oriëntatie op studie en beroep eindterm be2a1010-5ee9-4b7e-a45c-ac45317dd90c 1.503
ANW/Domein C Leven ANW Domein C: Leven Subdomein C1: Kenmerken van leven 11. De kandidaat kan aan leken uitleggen dat levende wezens eigenschappen bezitten om zichzelf en de soort in stand te houden en aangeven op welke manier ze zich kunnen aanpassen aan veranderingen in hun omgeving. Subdomein C2: Mens en gezondheid 12.De kandidaat kent de ontwikkeling van opvattingen, technieken en producten in de gezondheidszorg en kan positieve en negatieve effecten daarvan bespreken. Subdomein C3: Evolutie van het leven 13. De kandidaat kan de ontwikkeling van het denken over de oorsprong van het leven beschrijven en in verband brengen met kennistheoretische, levensbeschouwelijke en sociologische opvattingen. eindterm 93e8ac34-f08d-4f25-b135-8a4332431fef 743
ANW/Domein D Biosfeer ANW Domein D: Biosfeer Subdomein D1: Kenmerken van de biosfeer 14.De kandidaat kan aan leken uitleggen welke randvoorwaarden met het leven op aarde samenhangen en op welke wijze deze kunnen veranderen. Subdomein D2: Duurzame ontwikkeling 15.De kandidaat kan uitleggen wat duurzame ontwikkeling inhoudt, het effect van ingrepen in de biosfeer kritisch bespreken en daarbij onderscheid maken tussen economische, ecologische, sociaal-culturele en mondiale aspecten. eindterm a7093052-5fef-4604-9b87-76bc1c2a8560 748
ANW/Domein E Materie ANW Domein E: Materie Subdomein E1: Kenmerken van materie 16. De kandidaat weet dat stoffen in de levende en niet levende natuur uit elementen zijn opgebouwd en hoe stoffen met elkaar kunnen reageren. Subdomein E2: Productie van materialen 17. De kandidaat heeft kennis van de ontwikkeling en betekenis van stoffen en materialen in de loop van de tijd en kan kenmerken van moderne productiemethoden noemen. Subdomein E3: Ontstaan van kennis over de materie 18. De kandidaat kan de ontwikkeling van modellen voor de bouwstenen van de materie in de loop van de tijd beschrijven. eindterm 385a15d2-971e-42e9-bb7d-f51304ed401b 756
ANW/Domein F Zonnestelsel en heelal. ANW Domein F: Zonnestelsel en heelal Subdomein F1: Kenmerken van het zonnestelsel en het heelal 19. De kandidaat kan de bouw en geschiedenis van het zonnestelsel en het heelal aan leken uitleggen. Subdomein F2: Zonnestelsel en heelal in het dagelijkse leven 20. De kandidaat kan de invloed van en de kennis over het zonnestelsel en het heelal op het dagelijks leven aangeven en beschrijven hoe gegevens over het zonnestelsel en het heelal verzameld worden. Subdomein F3: Ontstaan van kennis over het heelal 21. De kandidaat kan de ontwikkeling van kennis en ideeën over de bouw en geschiedenis van het zonnestelsel en heelal beschrijven. eindterm 94087c7e-1312-42f9-8dcf-9163492a4b33 763
ANW/Domein A Vaardigheden ANW Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Taalvaardigheden 1. De kandidaat kan adequaat schriftelijk en mondeling communiceren over natuurwetenschappelijke onderwerpen. Subdomein A2: Reken-/wiskundige vaardigheden 2. De kandidaat kan een aantal voor het vak relevante reken-/wiskundige vaardigheden toepassen om natuurwetenschappelijke problemen op te lossen. Subdomein A3: Informatievaardigheden 3. De kandidaat kan, mede met behulp van ICT, informatie selecteren, verwerken, beoordelen en presenteren. Subdomein A4: Technisch-instrumentele vaardigheden 4. De kandidaat kan op een verantwoorde manier omgaan met voor het vak relevante organismen en stoffen, instrumenten, apparaten en ICTtoepassingen. Subdomein A5: Ontwerpvaardigheden 5. De kandidaat kan een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren. Subdomein A6: Onderzoeksvaardigheden 6. De kandidaat kan een natuurwetenschappelijk onderzoek voorbereiden, uitvoeren, de verzamelde onderzoeksresultaten verwerken en hieruit een conclusie trekken. Subdomein A7: Maatschappelijke situaties 7. De kandidaat kan toepassingen en effecten van natuurwetenschappen en techniek in verschillende maatschappelijke situaties herkennen en benoemen. eindterm 65813b31-daac-4156-ba4f-28d91d00408f 1.609
ANW/Domein B Analyse van en reflectie op natuurwetenschap en techniek ANW Domein B: Analyse van en reflectie op natuurwetenschap en techniek Subdomein B1: Kennisvorming 8. De kandidaat kan weergeven hoe natuurwetenschappelijke kennis ontstaat, welke vragen natuurwetenschappelijke onderzoekers kunnen stellen en hoe ze aan betrouwbare antwoorden komen. Subdomein B2: Toepassing van kennis 9. De kandidaat kan analyseren hoe natuurwetenschappelijke en technische kennis wordt toegepast en kan reflecteren op de wisselwerking tussen natuurwetenschap, techniek en samenleving. Subdomein B3: De invloed van natuurwetenschap en techniek 10. De kandidaat kan oordelen over de betrouwbaarheid van toegepaste natuurwetenschappelijke kennis en een eigen mening over maatschappelijknatuurwetenschappelijke vraagstukken vormen. eindterm 7ef707a2-3cbf-4489-8776-932c273d6f6a 1.610
ANW ANW Examenprogramma algemene natuurwetenschappen vwo (tevens havo)   Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Analyse van en reflectie op natuurwetenschap en techniek Domein C Leven Domein D Biosfeer Domein E Materie Domein F Zonnestelsel en heelal. Dit examenprogramma is ook van toepassing op het havo, waar de school voor havo ervoor kiest om algemene natuurwetenschappen als afzonderlijk vak in het eindexamen op te nemen, met dien verstande dat voor het havo een selectie kan worden gemaakt uit de examenstof. De domeinen A en B behoren altijd tot de examenstof.   Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op: - de domeinen A en B; - uit ten minste drie van de vier overige domeinen tenminste één subdomein; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 903a0f05-f714-43f1-aa7b-3eca34666c15 1.769
BE/H/Examenprogramma Examenprogramma Bedrijfseconomie havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Van persoon naar rechtspersoon Domein C Interne organisatie en personeelsbeleid Domein D Investeren en financieren Domein E Marketing Domein F Financieel beleid Domein G Verslaggeving Domein H Keuze-onderwerpen Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen A, B, C2, D2, E2, F en G zoals hieronder nader uitgewerkt. CvTE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. CvTE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A, B en: –de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; –indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; –indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.   eindterm ab80aa16-48b0-4b55-a1bd-12c8d18c829e 2.083
BE/H/Domein A Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden Subdomein A1: Informatie-vaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen. Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.   Vakspecifieke vaardigheden Subdomein A6: Benaderingswijzen 6. De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem herkennen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven. 7. De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken. 8. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van: • de interne organisatie en personeelsbeleid • de investeringen en financiering • het marketingbeleid • het financieel beheer • de verslaggeving de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren. 9. De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie. 10. De kandidaat kan: • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen; • bedrijfseconomische begrippen gebruiken; • bedrijfseconomische grootheden gebruiken; • bedrijfseconomische relaties analyseren. eindterm 32a4b276-f56c-4e0b-ba4b-40d9bd103e3d 2.084
BE/H/Domein B Domein B: Van persoon naar rechtspersoon Subdomein B1: Persoonlijke financiële zelfredzaamheid 11. De kandidaat kan vraagstukken met persoonlijke financiële consequenties herkennen en (financieel) onderbouwde keuzes maken. Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak 12. De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven en in de rol van ondernemer toepassen. Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon 13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven. Subdomein B4: Perspectief op de organisatie 14. De kandidaat kan de plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven. eindterm 22b4ef17-c893-4fc0-91fa-8d4a00f1da8c 2.085
BE/H/Domein C Domein C: Interne organisatie en personeelsbeleid Subdomein C1: Interne organisatie 15. De kandidaat kan de interne organisatie (inclusief de taken van het management en de stijlen van leiderschap) van een organisatie beschrijven en deze relateren aan de doelstelling en aard van de organisatie. Subdomein C2: Personeelsbeleid 16. De kandidaat kan personeelsbeleid/HRM beschrijven en daarbij de relatie leggen met de doelstelling en de aard van de organisatie. eindterm 187476c4-a7a6-4ab1-945d-ace351173490 2.086
BE/H/Domein D Domein D: Investeren en financieren Subdomein D1: Investeren 17. De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk beschrijven welke gegevens relevant zijn, vaststellen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden toepassen en analyseren. Subdomein D2: Financieren 18. De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven. 19. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden. 20. De kandidaat kan onderkennen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengt. eindterm 0785dc66-6ef0-47a6-a468-7f0b1b382176 2.087
BE/H/Domein E Domein E: Marketing Subdomein E1: Doel en organisatie van marketingactiviteiten 21. De kandidaat kan marketing beschrijven met het oog op de te onderscheiden doelgroepen. Subdomein E2: Marketingbeleid 22. De kandidaat kan het marketingbeleid van een organisatie beschrijven. eindterm 9d26f5fd-fea3-428f-b288-184dca81d483 2.088
BE/H/Domein F Domein F: Financieel beleid Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie 23. De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten. 24. De kandidaat kan financiële en niet-financiële informatie onderscheiden en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie. Subdomein F2: Kosten-en winstvraagstukken 25. De kandidaat kan voor een dienstverlenende onderneming de verschillende kostensoorten onderscheiden, de winst bepalen en verschillen verklaren.   eindterm 740b67dc-fc83-466b-b06d-cabf109711ba 2.089
BE/H/Domein G Domein G: Verslaggeving 26. De kandidaat kan de jaarrekening van een eenvoudige organisatie (zoals een MKB-bedrijf) interpreteren en uitleggen. eindterm 40293fa5-d707-435c-ad65-dee74dec748e 2.090
BE/H/Domein H Domein H: Keuze-onderwerpen   eindterm b2b564ad-a089-4cc5-81b8-710592c1a11d 2.091
BE/V/Examenprogramma Examenprogramma Bedrijfseconomie vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Van persoon naar rechtspersoon Domein C Interne organisatie en personeelsbeleid Domein D Investeren en financieren Domein E Marketing Domein F Financieel beleid Domein G Verslaggeving Domein H Keuze-onderwerpen Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen A, B, C2, D2, E2, F en G zoals hieronder nader uitgewerkt. CvTE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. CvTE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domeinen A, B en: –de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; –indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; –indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 538b503c-3c45-41c8-ad33-e25279b527cf 2.092
BE/V/Domein A Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden Subdomein A1: Informatie-vaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen. Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in gespecificeerde contexten onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Vakspecifieke vaardigheden Subdomein A6: Benaderingswijzen 6. De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem herkennen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven. 7. De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken. 8. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van: • de interne organisatie en personeelsbeleid • de investeringen en financiering • het marketingbeleid • het financieel beheer • de verslaggeving de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren. 9. De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie. 10. De kandidaat kan: • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen; • bedrijfseconomische begrippen gebruiken; • bedrijfseconomische grootheden gebruiken; • bedrijfseconomische relaties analyseren.   eindterm 651bc878-4a09-4355-b881-8257b95b918e 2.093
BE/V/Domein B Domein B: Van persoon naar rechtspersoon Subdomein B1: Persoonlijke financiële zelfredzaamheid 11. De kandidaat kan vraagstukken met persoonlijke financiële consequenties herkennen en analyseren en (financieel) onderbouwde keuzes maken. Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak 12. De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven, in de rol van ondernemer toepassen en analyseren. Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon 13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven. Subdomein B4: Perspectief op de organisatie 14. De kandidaat kan de rol en plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.   eindterm c39da5a2-92fa-420e-b102-abbfa5f0e738 2.094
BE/V/Domein C Domein C: Interne organisatie en personeelsbeleid Subdomein C1: Interne organisatie 15. De kandidaat kan de interne organisatie (inclusief de taken van het management en de stijlen van leiderschap) van een organisatie beschrijven en deze relateren aan de doelstelling en aard van de organisatie. 16. De kandidaat kan de interne organisatie beschrijven en verklaren aan de hand van de belangrijkste historische en hedendaagse organisatietheorieën. Subdomein C2: Personeelsbeleid 17. De kandidaat kan personeelsbeleid/HRM beschrijven en daarbij de relatie leggen met de doelstelling en de aard van de organisatie.   eindterm ca1cebc2-32e9-4483-bdc4-65e6467079c3 2.095
BE/V/Domein D Domein D: Investeren en financieren Subdomein D1: Investeren 18. De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk beschrijven welke gegevens relevant zijn, vaststellen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden toepassen en analyseren. 19. De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk de relatie leggen tussen risico en geëist rendement. Subdomein D2: Financieren 20. De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven. 21. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden. 22. De kandidaat kan aangeven welke invloed de wijze van financieren heeft op het risico en geëist rendement van het eigen en vreemd vermogen.   eindterm 00382157-dd68-4b78-b197-c15ea78d5faf 2.096
BE/V/Domein E Domein E: Marketing Subdomein E1: Doel en organisatie van marketingactiviteiten 23. De kandidaat kan de relatie tussen marketing en de klantwaardepropositie van de organisatie beschrijven en analyseren. 24. De kandidaat kan marketing beschrijven en analyseren met het oog op de te onderscheiden doelgroepen. Subdomein E2: Marketingbeleid 25. De kandidaat kan het marketingbeleid van een organisatie beschrijven, analyseren en alternatieven op hoofdpunten afwegen. Subdomein E3: Marketing vanuit het perspectief van de consument en de samenleving 26. De kandidaat kan marketing en marketinguitingen vanuit het perspectief van de consument herkennen, beschrijven en analyseren op psychologische effecten. Hij kan deze effecten op ethische aspecten evalueren. 27. De kandidaat kan herkennen, beschrijven en analyseren welke rol marketing speelt in de samenleving.   eindterm 823f3692-d535-4380-bf16-67ce79f42170 2.097
BE/V/Domein F Domein F: Financieel beleid Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie 28. De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten. 29. De kandidaat kan financiële en niet-financiële informatie onderscheiden en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie. Subdomein F2: Kosten-en winstvraagstukken en beheermaatregelen 30. De kandidaat kan met behulp van diverse methoden de kostprijs berekenen en de verkoopprijs vaststellen. 31. De kandidaat kan voor een niet-industriële organisatie de voorcalculatorische en de nacalculatorische resultatenrekening opstellen, verschillen verklaren en passende beheermaatregelen afleiden.   eindterm 4c198fa8-7a31-416c-a01e-87796c2d1bcb 2.098
BE/V/Domein G Domein G: Verslaggeving 32. De kandidaat kan de jaarrekening van een organisatie (zoals een MKB-bedrijf) analyseren en evalueren.   eindterm b55fa4d3-5560-4293-9480-40b72758762e 2.099
BE/V/Domein H Domein H: Keuze-onderwerpen   eindterm 2e68eb5f-d212-4b89-b469-6b181f64d426 2.100
BSM/H/Domein B: Bewegen BSM/H Domein B: Bewegen Subdomein B1: Spelen 2. De kandidaat kan deelnemen aan minimaal één doelspel, één terugslagspel en één slag- en loopspel, waarbij het gaat om verdieping van het niveau van deelname voor wat betreft complexiteit van het bewegen, diversiteit in taken en in contexten en het afstemmen van het eigen bewegen op dat van anderen. Subdomein B2: Turnen 3. De kandidaat kan deelnemen aan meerdere turnactiviteiten binnen twee van de volgende deelgebieden: springen, zwaaien, acrobatiek, balanceren en klimmen, waarbij het gaat om verdieping van het niveau van deelnemen, individueel en samen. Subdomein B3: Bewegen op muziek 4. De kandidaat kan twee dansen van minimaal zestien muzikale lengtes uitvoeren binnen één of meerdere deelgebieden van bewegen op muziek, waarbij het gaat om verdieping ten aanzien van veranderingen van tijd en ruimte, opeenvolging van verbindingen en veranderingen van opstelling en positie van de dansers ten opzichte van elkaar. Subdomein B4: Atletiek 5. De kandidaat kan deelnemen aan minimaal één looponderdeel, één werponderdeel en één springonderdeel, waarbij het steeds gaat om verdieping van de juiste afstemming van de constituerende elementen (timing, richting, snelheid, afstand) ten opzichte van elkaar. Subdomein B5: Zelfverdedigingspelen 6. De kandidaat kan deelnemen aan minimaal één zelfverdedigingsspel, in partijen/of demonstratievorm, waarbij het gaat om verdieping van de eigen aanvallende initiatieven en het goed reageren op initiatieven van de partner. Sudomein B6: Keuzeactiviteiten 7. De kandidaat kan deelnemen aan minimaal twee door de leerling te kiezen bewegingsactiviteiten die niet tot één van de hierboven genoemde activiteitengebieden behoren, waarbij het gaat om leren van de beginselen of het verdiepen van de bestaande bekwaamheid. eindterm de7c173d-97d6-4435-ab14-4503826b8742 939
BSM/H/Domein C: Bewegen en regelen BSM/H Domein C: Bewegen en regelen Subdomein C1: Regelen in de rol van beweger 8. De kandidaat kan er in bewegingssituaties medeverantwoordelijkheid voor dragen dat bewegingssituaties zelfstandig en veilig ontworpen en ingericht worden, op gang gebracht, op gang gehouden en beëindigd worden en indien wenselijk worden aangepast aan de kenmerken en de wensen van de deelnemers. Subdomein C2: Regelen in de rol van begeleider 9. De kandidaat kan bij bewegingsactiviteiten van een groep deelnemers de rollen van instructeur, coach/begeleider, scheidsrechter/spelleider en jurylid vervullen. Subdomein C3: Regelen in de rol van organisator 10. De kandidaat kan in binnen- of buitenschools verband een bewegingsactiviteit (helpen) voorbereiden, organiseren, evalueren en daarvan verslag doen, waarbij de gekozen organisatievorm moet passen bij de (context van de) bewegingsactiviteit. eindterm 3d53cd53-57ed-44b6-acb8-f6495f4e4acc 941
BSM/H/Domein D: Bewegen en gezondheid BSM/H Domein D: Bewegen en gezondheid Subdomein D1: Bewegen en welzijn 11. De kandidaat kan verklaren welke betekenis sport en bewegen heeft voor de gezondheid in ruime zin, ook in relatie tot andere persoonsgebonden en maatschappelijke gezondheidsbeïnvloedende factoren. Subdomein D2: Fitheid testen en verbeteren 12. De kandidaat kan een aantal fitheidstesten toepassen, de resultaten daarvan interpreteren en op basis van de waarde daarvan voor de verbetering van het prestatievermogen een trainingsprogramma kiezen en opstellen voor zichzelf, een ander of een groep. Subdomein D3: Blessurepreventie en -behandeling 13. De kandidaat kan bij de inrichting van en deelname aan bewegingssituaties laten zien dat hij oog heeft voor de eigen veiligheid en die van anderen en hij kan de meest voorkomende blessures correct herkennen, daarbij eerste hulp verlenen en waar nodig deskundige hulp inroepen. eindterm 79644d92-f2ff-44af-a0fe-8ed3d2af6946 943
BSM/H/Domein A: Vaardigheden BSM/H Domein A: Vaardigheden 1. De kandidaat kan bewegingssituaties kiezen, arrangeren en begeleiden, voor zichzelf maar vooral voor anderen. eindterm 07f1ae5c-3eb6-43ea-a693-166bcdf15105 946
BSM/H/Domein E: Bewegen en samenleving BSM/H Domein E: Bewegen en samenleving Subdomein E1: Toekomstoriëntatie 14. De kandidaat kan op basis van eigen ervaring met werkzaamheden in het werkveld sport en bewegen een bewuste keuze maken voor de eigen (toekomstige) rol in dat werkveld. Subdomein E2: Samenleving en bewegingscultuur 15. De kandidaat kan de ontwikkeling van en de diverse aspecten en verschijningsvormen van de huidige bewegingscultuur verklaren en aangeven welke factoren van invloed zijn op de deelname van verschillende bevolkingsgroepen aan de bewegingscultuur. Subdomein E3: De organisatie van sport en bewegen 16. De kandidaat kan de kenmerkende overeenkomsten en verschillen in structuur en organisatie van sport en bewegen op meerdere niveaus en in meerdere verschijningsvormen aangeven. eindterm f5a165b5-cffc-4b56-affe-01d61abc2f83 1.434
BSM/V/Domein A: Vaardigheden BSM/V Domein A: Vaardigheden 1. De kandidaat kan bewegingssituaties kiezen, arrangeren en begeleiden, voor zichzelf maar vooral voor anderen, en daar op reflecteren. eindterm 09ce59a7-e3fc-4163-b086-7aa32cab8d2e 1.862
BSM/V/Domein B: Bewegen BSM/V Domein B: Bewegen Subdomein B1: Spelen 2. De kandidaat kan deelnemen aan minimaal één doelspel, één terugslagspel en één slag- en loopspel, waarbij het gaat om verdieping van het niveau van deelname voor wat betreft complexiteit van het bewegen, diversiteit in taken en in contexten en het afstemmen van het eigen bewegen op dat van anderen. Subdomein B2: Turnen 3. De kandidaat kan deelnemen aan meerdere turnactiviteiten binnen twee van de volgende deelgebieden: springen, zwaaien, acrobatiek, balanceren en klimmen, waarbij het gaat om verdieping van het niveau van deelnemen, individueel en samen. Subdomein B3: Bewegen op muziek 4. De kandidaat kan twee dansen van minimaal zestien muzikale lengtes uitvoeren binnen één of meerdere deelgebieden van bewegen op muziek, waarbij het gaat om verdieping ten aanzien van veranderingen van tijd en ruimte, opeenvolging van verbindingen en veranderingen van opstelling en positie van de dansers ten opzichte van elkaar. Subdomein B4: Atletiek 5. De kandidaat kan deelnemen aan minimaal één looponderdeel, één werponderdeel en één springonderdeel, waarbij het steeds gaat om verdieping van de juiste afstemming van de constituerende elementen (timing, richting, snelheid, afstand) ten opzichte van elkaar. Subdomein B5: Zelfverdedigingspelen 6. De kandidaat kan deelnemen aan minimaal één zelfverdedigingspel, in partijen/of demonstratievorm, waarbij het gaat om verdieping van de eigen aanvallende initiatieven en het goed reageren op initiatieven van de partner. Subdomein B6: Keuzeactiviteiten 7. De kandidaat kan deelnemen aan minimaal twee door de leerling te kiezen bewegingsactiviteiten die niet tot één van de hierboven genoemde activiteitengebieden behoren, waarbij het gaat om leren van de beginselen of het verdiepen van de bestaande bekwaamheid. eindterm 9c207505-9aa0-4273-845f-219813586b6a 1.863
BSM/V/Domein C: Bewegen en regelen BSM/V Domein C: Bewegen en regelen Subdomein C1: Regelen in de rol van beweger 8. De kandidaat kan er in bewegingssituaties medeverantwoordelijkheid voor dragen dat bewegingssituaties zelfstandig en veilig ontworpen en ingericht worden, op gang gebracht, op gang gehouden en beëindigd worden en indien wenselijk worden aangepast aan de kenmerken en de wensen van de deelnemers. Subdomein C2: Regelen in de rol van begeleider 9. De kandidaat kan bij bewegingsactiviteiten van een groep deelnemers de rollen van instructeur, coach/begeleider, scheidsrechter/spelleider en jurylid vervullen. Subdomein C3: Regelen in de rol van organisator 10. De kandidaat in binnen- of buitenschools verband een bewegingsactiviteit (helpen) voorbereiden, organiseren, evalueren en daarvan verslag doen, waarbij de gekozen organisatievorm moet passen bij de (context van de) bewegingsactiviteit. Subdomein C4: Reflecteren op het regelen van bewegen 11. De kandidaat kan aangeven en verklaren welke (mentale, sociale, biomechanische en trainingskundige) factoren een rol spelen bij de begeleiding van individuen en groepen in uiteenlopende bewegingssituaties. eindterm a21011b6-195e-40b5-a234-8ca473971584 1.864
BSM/V/Domein D: Bewegen en gezondheid BSM/V Domein D: Bewegen en gezondheid Subdomein D1: Bewegen en welzijn 12. De kandidaat kan verklaren welke betekenis sport en bewegen heeft voor de gezondheid in ruime zin, ook in relatie tot andere persoonsgebonden en maatschappelijke gezondheidsbeïnvloedende factoren. Subdomein D2: Fitheid testen en verbeteren 13. De kandidaat kan een aantal fitheidtesten toepassen, de resultaten daarvan interpreteren en op basis van de waarde daarvan voor de verbetering van het prestatievermogen een specifiek trainingsprogramma kiezen en opstellen voor zichzelf, een ander of een groep. Subdomein D3: Bewegen en risico's 14. De kandidaat kan bij de inrichting van en deelname aan bewegings- en werksituaties laten zien dat hij oog heeft voor de eigen veiligheid en die van anderen en hij kan aangeven hoe adequaat met overbelasting kan worden omgegaan en daartoe waar nodig deskundige hulp inroepen. eindterm f4c4a51e-44e0-442e-a90c-4b5ebee3cc3c 1.865
BSM/V/Domein E: Bewegen en samenleving BSM/V Domein E: Bewegen en samenleving Subdomein E1: Toekomstoriëntatie 15. De kandidaat kan op basis van eigen ervaring met werkzaamheden in het werkveld sport en bewegen een bewuste keuze maken voor de eigen (toekomstige) rol in dat werkveld. Subdomein E2: De ontwikkeling van de bewegingscultuur 16. De kandidaat kan de ontwikkeling van en de diverse aspecten en verschijningsvormen van de huidige bewegingscultuur verklaren en aangeven welke factoren daarop van invloed zijn geweest. Subdomein E3: Mens en bewegen 17. De kandidaat kan aangeven hoe persoonlijke en omgevingsfactoren in uiteenlopende leeftijdsfasen en omstandigheden een rol kunnen spelen bij het maken van keuzes ten aanzien van deelname aan bewegingscultuur. Subdomein E4: Maatschappij en bewegen 18. De kandidaat kan aangeven hoe maatschappelijke factoren van invloed zijn op actieve en passieve sportbeoefening en wat de maatschappelijke betekenis van sport en bewegen voor de samenleving kan zijn. Subdomein E5: De organisatie van sport en bewegen 19. De kandidaat kan de kenmerkende overeenkomsten en verschillen in structuur, de organisatie van en het beleid ten aanzien van sport en bewegen op meerdere niveaus en in meerdere verschijningsvormen aangeven. eindterm cc248251-4aaa-4429-badb-25c1ba7f13f0 1.866
BIO/H/1 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm bd313aba-72a8-4aa0-9fbd-27d795aaa5f7 1.105
BIO/H/10 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm d39b4de7-746b-476f-b373-09aeaa2762c7 1.106
BIO/H/11 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 6f383d1f-bbee-4eff-9ea3-131a933358d3 1.107
BIO/H/12 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 0e8cc175-337d-4e0d-8ddd-e2b3b1ef1b29 1.108
BIO/H/13 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 9441059e-82c6-4fed-aafb-28516fcc913a 1.109
BIO/H/14 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 47171ba1-3245-43a5-a221-4f53a8562a3e 1.110
BIO/H/16 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 806a0e4d-90a4-4a38-b3d4-e1609f766c78 1.111
BIO/H/17 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm a1579237-46f3-4479-8a25-c643e8ed8265 1.112
BIO/H/18 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm d1cbadbe-5833-4822-9a85-efeca7bb817c 1.113
BIO/H/19 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm b11bdd7a-866f-444b-a6a2-bf6afb22a96d 1.114
BIO/H/20 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 4ae1ebfb-7887-4ecf-8877-c1dab38d9cf6 1.115
BIO/H/21 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 76e847dc-6d77-4ff9-aec4-2db173889656 1.116
BIO/H/22 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 0a888a14-0a71-41f3-861c-8d564e3ef552 1.117
BIO/H/23 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm cef859b4-ca7b-46f5-86b4-9b53ed9ba182 1.118
BIO/H/24 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm ccf4dd39-3577-4a6b-86e5-d2ef8960eaec 1.119
BIO/H/25 BI/H Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van energie en gezondheid benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt en verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan, kunnen worden voorkomen en worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen beïnvloedt. eindterm 44de2743-ec41-4472-898c-0d94f1923c8c 1.120
BIO/H/26 BI/H Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van energie en gezondheid benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt en verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan, kunnen worden voorkomen en worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen beïnvloedt. eindterm 8ed3d2ee-269a-4018-a8f0-7d5d5bf7a0d0 1.121
BIO/H/26 BIO/H/34 BI/H Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van energie en gezondheid benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt en verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan, kunnen worden voorkomen en worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen beïnvloedt. eindterm 25c02cef-20de-4225-994d-64e4ba30e6f3 1.122
BIO/H/27 BI/H Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van energie en gezondheid benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt en verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan, kunnen worden voorkomen en worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen beïnvloedt. eindterm 601af20c-0bd4-4797-8664-3b5d5415db31 1.123
BIO/H/28 BI/H Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Gedrag en interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat en benoemen wat de functie daarvan is. Subdomein D3: Seksualiteit 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D4: Interactie in ecosystemen 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm bf004ac0-fc32-4b4f-8d82-3df80baf85e8 1.124
BIO/H/29 BI/H Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Gedrag en interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat en benoemen wat de functie daarvan is. Subdomein D3: Seksualiteit 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D4: Interactie in ecosystemen 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm bbb45574-6f58-4105-8ce4-130282d79792 1.125
BIO/H/30 BI/H Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Gedrag en interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat en benoemen wat de functie daarvan is. Subdomein D3: Seksualiteit 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D4: Interactie in ecosystemen 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 60d98d8c-f274-4ee7-b73f-8bd3bacdec5c 1.126
BIO/H/31 BI/H Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Gedrag en interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat en benoemen wat de functie daarvan is. Subdomein D3: Seksualiteit 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D4: Interactie in ecosystemen 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 12239a3a-797f-4a86-8456-35d43da4fbf6 1.127
BIO/H/32 BI/H Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 32. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 33. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt. Subdomein E3: Voortplanting van het organisme 34. De kandidaat kan met behulp van het concept voortplanting ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. Subdomein E4: Erfelijke eigenschap 35. De kandidaat kan met behulp van het concept erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen bij eukaryoten en prokaryoten. eindterm 258c2f0d-7f31-4634-9261-b4f6b8ec140f 1.128
BIO/H/33 BI/H Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 32. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 33. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt. Subdomein E3: Voortplanting van het organisme 34. De kandidaat kan met behulp van het concept voortplanting ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. Subdomein E4: Erfelijke eigenschap 35. De kandidaat kan met behulp van het concept erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen bij eukaryoten en prokaryoten. eindterm 004a929b-e0a3-4e35-8fef-c18f63a70569 1.129
BIO/H/34 BI/H Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 32. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 33. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt. Subdomein E3: Voortplanting van het organisme 34. De kandidaat kan met behulp van het concept voortplanting ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. Subdomein E4: Erfelijke eigenschap 35. De kandidaat kan met behulp van het concept erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen bij eukaryoten en prokaryoten. eindterm 22d6a9bc-f9d5-4e0e-b8e4-62f966171488 1.130
BIO/H/35 BI/H Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 32. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 33. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt. Subdomein E3: Voortplanting van het organisme 34. De kandidaat kan met behulp van het concept voortplanting ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. Subdomein E4: Erfelijke eigenschap 35. De kandidaat kan met behulp van het concept erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen bij eukaryoten en prokaryoten. eindterm 759a017a-04a0-4693-b33e-617c49eb13de 1.131
BIO/H/36 BI/H Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, recombinatie en variatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid benoemen op welke wijze de diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde varieert. eindterm fe2c74b0-f346-4711-90f6-7834a6b26bdd 1.132
BIO/H/37 BI/H Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, recombinatie en variatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid benoemen op welke wijze de diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde varieert. eindterm 30a6e546-74d7-498b-bd89-1f12f9fb0276 1.133
BIO/H/38 BI/H Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, recombinatie en variatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid benoemen op welke wijze de diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde varieert. eindterm 50df6c0c-d5cb-4933-8737-0bf9ea69f213 1.134
BIO/H/5 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm bffee3e6-abd1-478b-8f4e-9cfa8046e15d 1.135
BIO/H/6 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm fac727ba-3509-46fb-94b3-d80f3d1712bb 1.136
BIO/H/7 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm d289160b-b904-406b-b612-6b05b44d966f 1.137
BIO/H/8 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm de81b02a-3d66-4f34-bd01-c5b3cd98662e 1.138
BIO/H/9 BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 05812d77-bec7-489b-86ce-0256c5e9b871 1.139
BIO/H/B BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm da336c99-5448-40c9-b732-4c241d064771 1.140
BIO/H/B BIO/H/37 BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 79e8232e-5eca-46f9-8de1-7120c5f50088 1.141
BIO/H/C BI/H Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van energie en gezondheid benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt en verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan, kunnen worden voorkomen en worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen beïnvloedt. eindterm 0ffe9709-ebe5-440c-b909-e63e07d88c5f 1.142
BIO/H/D BI/H Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Gedrag en interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat en benoemen wat de functie daarvan is. Subdomein D3: Seksualiteit 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D4: Interactie in ecosystemen 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm b99d332f-fb7c-4959-b058-4d0b9c70aecc 1.143
BIO/H/E BI/H Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 32. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 33. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt. Subdomein E3: Voortplanting van het organisme 34. De kandidaat kan met behulp van het concept voortplanting ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. Subdomein E4: Erfelijke eigenschap 35. De kandidaat kan met behulp van het concept erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen bij eukaryoten en prokaryoten. eindterm 488db9ef-7dbf-4412-b672-920d6926fbc4 1.144
BIO/H/F BI/H Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, recombinatie en variatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid benoemen op welke wijze de diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde varieert. eindterm 2087d374-0b95-44b5-a3f5-674fca265fde 1.145
BI/H/Domein A Vaardigheden BI/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Contexten 15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten. Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing 16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 5aba2c5e-2bc0-4b7e-876e-b6bdaa59baf6 1.461
BI/H/Domein B Zelfregulatie BI/H Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 6b7f4a3e-de5e-46ed-8084-387f3bc98a3b 1.462
BI/H/Domein C Zelforganisatie BI/H Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van energie en gezondheid benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt en verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan, kunnen worden voorkomen en worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen beïnvloedt. eindterm 45a4b843-144e-4fbb-9d9e-305249dfc7ec 1.463
BI/H/Domein D Interactie BI/H Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Gedrag en interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat en benoemen wat de functie daarvan is. Subdomein D3: Seksualiteit 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D4: Interactie in ecosystemen 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 7cbf003a-9877-4a85-8d3e-4b635a70dd48 1.464
BI/H/Domein E Reproductie BI/H Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 32. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 33. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt. Subdomein E3: Voortplanting van het organisme 34. De kandidaat kan met behulp van het concept voortplanting ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. Subdomein E4: Erfelijke eigenschap 35. De kandidaat kan met behulp van het concept erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen bij eukaryoten en prokaryoten. eindterm 552cf52f-63e8-4b5e-bdfd-225bc4b9a415 1.465
BI/H/Domein F Evolutie BI/H Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, recombinatie en variatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid benoemen op welke wijze de diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde varieert. eindterm 89e77dd5-b879-4ea7-a81e-5bd539824b56 1.466
BI/K/1/1 BI/K/1  Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.      eindterm 6e33df46-8a96-42cd-a58d-a19f3a4f762e 1.382
BI/K/2/2 BI/K/2  Basisvaardigheden    2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.      eindterm 474006d6-dfe7-44a2-876a-06fc7d2be984 1.383
BI/K/3/3 BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie 3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: − de ontwikkeling van het eigen leervermogen; − het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.      eindterm 8d98a8f0-9b82-4a08-a6c6-bf78c0ff63d9 1.384
BI/K/9 BI/K/9  Het lichaam in stand houden: voeding en genotmiddelen, energie, transport en uitscheiding   13. De kandidaat kan: − vorm, werking en functie van het verteringsstelsel, bloedvatenstelsel, ademhalingsstelsel en uitscheidingsstelsel beschrijven; − hun onderling verband toelichten. eindterm a89edaf2-1f75-4af5-8d45-80316c38ccfb 1.390
BI/K/10 BI/K/10 Bescherming    14. De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.      eindterm 66648ad3-761d-4862-939f-afc26f83e2a4 1.391
BI/K/12 BI/K/12 Van generatie op generatie 17. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij. 18. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij. eindterm 44bccb47-458e-4e97-897d-10a70d07961d 1.393
BI/E BI/E Examenprogramma biologie Informatiewijzer Preambule 1 Leeswijzer 2 biologie eindterm 63c4d548-186d-4b07-ba9f-bac57ec29cc2 1.770
BI/P/1 BI/P/1 Werken aan vakoverstijgende thema's De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden; 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen; 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling; 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband; 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving; 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie; 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid; 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media. eindterm bba59c2c-2a04-4937-a3b6-3807b2b7e71b 1.771
BI/P/2 BI/P/2 Leren uitvoeren De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren; 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands; 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen; 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen; 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie; 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur; 2.7 Computervaardigheden. eindterm 45dc0542-6799-40ef-98a0-6219b5025b81 1.772
BI/P/3 BI/P/3 Leren leren De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren. Het gaat daarbij om: 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten; 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis; 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie; 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen; 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken; 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging; 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen. eindterm ebfacbdc-ef4c-448a-a5af-3ffaa0a9b0c2 1.773
BI/P/4 BI/P/4 Leren communiceren De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen; 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband; 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren; 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren; 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren; 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures; 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren. eindterm 31fbde79-3704-4b23-96a9-0929d0980f6e 1.774
BI/P/5 BI/P/5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces. Het gaat daarbij om: 5.1 een leer- en/of werkplanning maken; 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken; 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken. eindterm 9d3852be-ce15-4b11-adf5-1e15e38205d9 1.775
BI/P/6 BI/P/6 Leren reflecteren op de toekomst De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses; 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie; 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen; 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk; 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst; 6.6 de organisatie van branches en bedrijven; 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren; 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding. eindterm eccbf77e-642a-4d00-93e5-9861f9243b91 1.776
BI/L BI/L Leeswijzer Hieronder worden de examenprogramma's per vak gedefinieerd in exameneenheden met de bijbehorende code. Elke exameneenheid bestaat uit één of meer eindtermen. In de kolommen achter de exameneenheden staat aangegeven door middel van een X voor welke leerweg de exameneenheid deel uitmaakt van het examenprogramma. Het centraal examen voor een vak of programma per leerweg heeft betrekking op die exameneenheden die aangeduid zijn met CE. Het schoolexamen voor een bepaalde leerweg heeft voor de algemeen vormende vakken in ieder geval betrekking op exameneenheid K3 (Leervaardigheden) en voor de beroepsgerichte vakken op exameneenheid K2 (Professionele vaardigheden). Daarnaast heeft het schoolexamen betrekking op: - ten minste die exameneenheden die deel uitmaken van het examenprogramma van deze leerweg voor zover zij niet deel uitmaken van het centraal examen voor die leerweg; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest een of meer exameneenheden waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen die relevant zijn voor het betreffende vak of examenprogramma, die per kandidaat kunnen verschillen. Voor bepaalde groepen van verwante beroepsgerichte programma’s in de GL is er een gemeenschappelijk CE. De exameneenheden die horen bij deze gemeenschappelijke centrale examens in de GL hebben een nieuwe vakcode gekregen gevolgd door een nummering in Romeinse cijfers. Dit betreft de volgende groepen van beroepsgerichte programma’s GL: - Metaaltechniek, elektrotechniek, installatietechniek, instalektro, metalektro (met als codering voor het gezamenlijke CE: MEI) - Uiterlijke verzorging, verzorging, zorg-en-welzijn-breed (met als codering voor het gezamenlijke CE: ZWG) - Consumptief-breed, consumptief-horeca, consumptief-bakken (met als codering voor het gezamenlijke CE: COG) - Administratie, handel en administratie, handel en verkoop, mode en commercie (met als codering voor het gezamenlijke CE: eindterm d33f1773-2a04-4520-9884-d3e58afd9f83 1.777
BI/K/4/4/BB BI/K/4  Cellen staan aan de basis 4. De kandidaat kan: − kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen; − beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden. eindterm 34ba2418-d7ab-442d-923e-a64f8c8fe240 1.385
BI/K/5/6/BB BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk    6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.   eindterm 89c82456-671b-4e7f-8157-64239258d12c 1.386
BI/K/6/8/BB BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend 8. De kandidaat kan: − de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld; − de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben. eindterm c60729ba-ba07-4e0e-ada7-b1075002ab7c 1.387
BI/K/7/10/BB BI/K/7  Mensen beïnvloeden hun omgeving 10. De kandidaat kan − toelichten dat de mens voor voedsel, water, zuurstof, grondstoffen, energie, voedselproductie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is; − beschrijven hoe de mens ecosystemen kan beïnvloeden; − toelichten waarom de mens er belang bij heeft een duurzame relatie tussen mens en milieu te bevorderen. eindterm 44bb6190-5670-44a2-87ec-5c3e0b887f7e 1.388
BI/K/8/11/BB BI/K/8  Houding, beweging en conditie    11. De kandidaat kan: − delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen; − de gevolgen van overbelasting noemen. eindterm ec91bf46-31d3-4f92-844b-1f65e335eef1 1.389
BI/K/11/15/BB BI/K/11 Reageren op prikkels 15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten. eindterm 39735aa1-7b2b-446b-835f-2f4781a92a57 1.392
BI/V/1 BI/V/1  Bescherming en antistoffen 20. De kandidaat kan de manier waarop het lichaam zich beschermt tegen antigenen door middel van antistoffen beschrijven en toelichten hoe deze bescherming kunstmatig kan worden verhoogd.      eindterm c0faa9c4-5c71-49d4-900b-975c36771436 1.395
BI/V/2 BI/V/2  Gedrag bij mens en dier    21. De kandidaat kan gedrag van mens en dier op een gestandaardiseerde wijze beschrijven en dat beschreven gedrag verklaren.      eindterm 2f39aa4f-3de2-46c2-905e-74ff4adf1c48 1.396
BI/V/3 BI/V/3 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    22. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.      eindterm cc2d5801-5179-42fa-ad4c-8ee35f6a6ffd 1.397
BI/V/4 BI/V/4 Vaardigheden in samenhang 23. De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm dd963497-dce3-4e9d-be53-3e4b8220a40d 1.398
BI/K/13/KB/GL/TL BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie 19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.     eindterm 70b504fc-295c-4faa-9cd5-bf27cb73319d 1.394
BI/K/4/5/BK/GL/TL BI/K/4  Cellen staan aan de basis 5. De kandidaat kan: − kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan beschrijven, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen en beschrijven; − toelichten dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.      eindterm a46860c4-5adf-4a1d-a1a3-6a32b2044f3e 1.778
BI/K/5/7/KB/GL/TL BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk 7. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën. eindterm fc111ba9-f4eb-4af3-b8c6-53e189c1c410 1.779
BI/K/6/9/KB/GL/TL BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend 9. De kandidaat kan: − de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld; − de relaties noemen en toelichten die ze onderling en met hun omgeving hebben.        eindterm 63e83c68-be47-4f56-9530-86a46fd9f34f 1.785
BI/K/8/12/KB/GL/TL BI/K/8  Houding, beweging en conditie    12. De kandidaat kan − delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen; − de gevolgen van overbelasting noemen en beschrijven. eindterm 6ae305a0-ed49-4b35-946b-caeecdb921b2 1.786
BI/K/11/16/KB/GL/TL BI/K/11 Reageren op prikkels 16. De kandidaat kan: − de rol en de werking van het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten; − beschrijven welke relatie er is tussen gedrag en inwendige en uitwendige prikkels. eindterm a36e73fc-f54d-4730-b1e4-7db97182632e 1.787
BIO/V/11 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 8071bc2a-c622-4660-a9ce-45beeae36d72 1.146
BIO/V/12 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 05f599a8-3e7b-47d8-b04d-7257568a0848 1.147
BIO/V/13 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 496432e9-a599-48ae-bbf8-f70d1fd7875c 1.148
BIO/V/14 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 37120d19-9755-4a0e-beec-652344ad7efe 1.149
BIO/V/17 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm a544f392-1d89-495f-8942-b136efec9c90 1.150
BIO/V/18 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 67f685df-9111-4253-ab94-c0ce19f9950e 1.151
BIO/V/19 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 0f1dbd77-c68a-49b5-bcd2-df46942b754f 1.152
BIO/V/20 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 1121677d-9925-4c6b-8b66-8303b460908e 1.153
BIO/V/21 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm ae7ebd23-3adb-41cb-9004-84150d99b935 1.154
BIO/V/22 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 3bf7f84e-ad2c-43f8-893b-a67ef73ba649 1.155
BIO/V/23 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 872a77ad-555e-4b19-a86e-49786ff744c8 1.156
BIO/V/B BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 17ed02c8-bba1-4a71-947d-fd740b3f88f1 1.173
BIO/V/B BIO/V/37 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm a8e89784-e582-492b-b0bd-2616923cf4c4 1.174
BIO/V/C BI/V Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen in de ontwikkeling kunnen ontstaan en worden aangepakt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt, verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan en beargumenteren op welke wijze deze kunnen worden voorkomen of worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen en het systeem Aarde beïnvloedt. eindterm 1ba76b5a-d3dd-4a7a-b264-aaff5b0adf9c 1.175
BIO/V/D BI/V Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Cellulaire interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen. Subdomein D3: Gedrag en interactie 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt. Subdomein D4: Seksualiteit 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D5: Interactie in ecosystemen 32. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties en ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 480a85d3-a408-41eb-8e33-a1a6ebfc6a7d 1.176
BIO/V/E BI/V Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 33. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 34. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze daarbij optredende verstoringen kunnen worden voorkomen of aangepakt. Subdomein E3: Reproductie van het organisme 35. De kandidaat kan met behulp van de concepten voortplanting en erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen en benoemen op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. eindterm 833ca280-5a6c-420b-a8fb-a54951e1085b 1.177
BIO/V/F BI/V Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, genetische variatie, recombinatie en populatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld veranderingen in diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde verklaren en beargumenteren op welke wijze deze veranderingen beïnvloed worden. Subdomein F4: Ontstaan van het leven 39. De kandidaat kan met behulp van het concept ontstaan van het leven ten minste in contexten op het gebied van wereldbeeld benoemen met behulp van welke theorie het voorkomen van leven op Aarde wordt verklaard. eindterm 502c1df9-0214-421f-b71e-8b1cd148fc3d 1.178
BIO/V/1 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 89d6eabb-5bb8-4b07-bfdf-73085123e3e4 1.179
BIO/V/10 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm cf120a94-57b9-41cc-80ad-abadeae7d1f8 1.180
BIO/V/11 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 4c5b2c60-e207-431e-ae64-f42ce688ba28 1.181
BIO/V/12 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 29f473bd-9836-4ba4-95c8-0bbc8c2fb4c9 1.182
BIO/V/13 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm bfb1f063-8b54-421c-899f-3b878e8865ff 1.183
BIO/V/14 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 6e4d56a7-1812-4846-a03f-2039d34fec19 1.184
BIO/V/15 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm c4916531-a510-4130-a3bf-556bf4f61c0d 1.185
BIO/V/5 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 7001569b-e257-4640-a827-43b757f053bc 1.186
BIO/V/6 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 43c53d74-1fa3-430d-9b3f-4f455fee223e 1.187
BIO/V/7 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm d5791fc0-e655-4684-96e4-a621e7932756 1.188
BIO/V/8 BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 8738114e-2a3e-4e53-832a-eedd2348db18 1.189
BIO/V/9 BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 2eabbe20-4df4-4df0-89b5-14a7a5ef04ec 1.190
BI/V/Domein A Vaardigheden BI/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Biologie - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Beleven 10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen. Subdomein A11: Vorm-functie-denken 11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom. Subdomein A12: Ecologisch denken 12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn. Subdomein A13: Evolutionair denken 13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen. Subdomein A14: Systeemdenken 14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen. Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing 15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A16: Contexten 16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten. eindterm 088b9748-01db-4522-b88c-1c080db348bd 1.467
BI/V/Domein B Zelfregulatie BI/V Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 3d5d6c98-6981-404b-affe-01b12618ddcc 1.468
BI/V/Domein C Zelforganisatie BI/V Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen in de ontwikkeling kunnen ontstaan en worden aangepakt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt, verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan en beargumenteren op welke wijze deze kunnen worden voorkomen of worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen en het systeem Aarde beïnvloedt. eindterm e68a0dc0-73ae-4202-b4a4-0940ac58d0d9 1.469
BI/V/Domein D Interactie BI/V Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Cellulaire interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen. Subdomein D3: Gedrag en interactie 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt. Subdomein D4: Seksualiteit 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D5: Interactie in ecosystemen 32. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties en ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 59a7eafd-e95f-4061-861b-410d16419941 1.470
BI/V/Domein E Reproductie BI/V Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 33. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 34. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze daarbij optredende verstoringen kunnen worden voorkomen of aangepakt. Subdomein E3: Reproductie van het organisme 35. De kandidaat kan met behulp van de concepten voortplanting en erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen en benoemen op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. eindterm 8b03612f-6eb3-4a65-bb0f-2c6223c5f6dd 1.471
BIO/V/16 Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm d35fe37c-1620-4fec-918e-512e6d71083c 1.473
BIO/V/24 Domein B: Zelfregulatie Subdomein B1: Eiwitsynthese 17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt. Subdomein B2: Stofwisseling van de cel 18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt. Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme 19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme 20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B5: Afweer van het organisme 21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt. Subdomein B6: Beweging van het organisme 22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd. Subdomein B7: Waarneming door het organisme 23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen. Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen 24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden. eindterm 174f787e-e329-47f0-a5b3-a80fb46a1756 1.474
BIO/V/25 Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen in de ontwikkeling kunnen ontstaan en worden aangepakt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt, verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan en beargumenteren op welke wijze deze kunnen worden voorkomen of worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen en het systeem Aarde beïnvloedt. eindterm 3ea05a5a-14d5-4636-aba4-2defdd78cf0c 1.475
BIO/V/26 Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen in de ontwikkeling kunnen ontstaan en worden aangepakt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt, verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan en beargumenteren op welke wijze deze kunnen worden voorkomen of worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen en het systeem Aarde beïnvloedt. eindterm 29badc3f-0b5c-47be-8765-ac308d42ced1 1.476
BIO/V/27 Domein C: Zelforganisatie Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen 25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen in de ontwikkeling kunnen ontstaan en worden aangepakt. Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme 26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt, verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan en beargumenteren op welke wijze deze kunnen worden voorkomen of worden aangepakt. Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen 27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen en het systeem Aarde beïnvloedt. eindterm 2f0fcec5-53b2-466f-ae4e-9cab9af9ae9c 1.477
BIO/V/28 Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Cellulaire interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen. Subdomein D3: Gedrag en interactie 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt. Subdomein D4: Seksualiteit 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D5: Interactie in ecosystemen 32. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties en ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 898db302-455e-4acc-9206-a4e3f07bc924 1.478
BIO/V/29 Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Cellulaire interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen. Subdomein D3: Gedrag en interactie 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt. Subdomein D4: Seksualiteit 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D5: Interactie in ecosystemen 32. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties en ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 0864765a-b104-4a41-9e16-2bf729516179 1.479
BIO/V/30 Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Cellulaire interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen. Subdomein D3: Gedrag en interactie 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt. Subdomein D4: Seksualiteit 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D5: Interactie in ecosystemen 32. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties en ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 50a2749c-e54f-41fb-9b6c-b51723e39a52 1.480
BIO/V/31 Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Cellulaire interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen. Subdomein D3: Gedrag en interactie 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt. Subdomein D4: Seksualiteit 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D5: Interactie in ecosystemen 32. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties en ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm 555b91f5-b39a-4d45-a19f-478838ddcd19 1.481
BIO/V/32 Domein D: Interactie Subdomein D1: Moleculaire interactie 28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt. Subdomein D2: Cellulaire interactie 29. De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen. Subdomein D3: Gedrag en interactie 30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt. Subdomein D4: Seksualiteit 31. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd. Subdomein D5: Interactie in ecosystemen 32. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties en ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd. eindterm b716cff6-4202-43ee-87aa-ebb6a02713bf 1.482
BIO/V/33 BI/V Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 33. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 34. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze daarbij optredende verstoringen kunnen worden voorkomen of aangepakt. Subdomein E3: Reproductie van het organisme 35. De kandidaat kan met behulp van de concepten voortplanting en erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen en benoemen op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. eindterm fc08179e-c586-4fe7-99a0-3a4f1aed5dad 1.483
BIO/V/34 BI/V Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 33. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 34. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze daarbij optredende verstoringen kunnen worden voorkomen of aangepakt. Subdomein E3: Reproductie van het organisme 35. De kandidaat kan met behulp van de concepten voortplanting en erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen en benoemen op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. eindterm 562197f9-4214-4b1f-b572-c72ac59c4299 1.484
BIO/V/35 BI/V Domein E: Reproductie Subdomein E1: DNA-replicatie 33. De kandidaat kan met behulp van het concept DNA-replicatie ten minste in contexten op het gebied van veiligheid en gezondheid benoemen op welke wijze erfelijk materiaal wordt gereproduceerd. Subdomein E2: Levenscyclus van de cel 34. De kandidaat kan met behulp van het concept celcyclus ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze reproductie van cellen verloopt en beargumenteren op welke wijze daarbij optredende verstoringen kunnen worden voorkomen of aangepakt. Subdomein E3: Reproductie van het organisme 35. De kandidaat kan met behulp van de concepten voortplanting en erfelijke eigenschap ten minste in contexten op het gebied van energie, gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze eigenschappen worden overgedragen en benoemen op welke wijze de reproductie van eukaryoten en prokaryoten verloopt. eindterm 3b583ff3-1dc9-4a37-9a66-b13979b65888 1.485
BIO/V/36 BI/V Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, genetische variatie, recombinatie en populatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld veranderingen in diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde verklaren en beargumenteren op welke wijze deze veranderingen beïnvloed worden. Subdomein F4: Ontstaan van het leven 39. De kandidaat kan met behulp van het concept ontstaan van het leven ten minste in contexten op het gebied van wereldbeeld benoemen met behulp van welke theorie het voorkomen van leven op Aarde wordt verklaard. eindterm 8c6dbe03-1d2d-4fb4-838a-b36036db7d5f 1.486
BIO/V/37 BI/V Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, genetische variatie, recombinatie en populatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld veranderingen in diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde verklaren en beargumenteren op welke wijze deze veranderingen beïnvloed worden. Subdomein F4: Ontstaan van het leven 39. De kandidaat kan met behulp van het concept ontstaan van het leven ten minste in contexten op het gebied van wereldbeeld benoemen met behulp van welke theorie het voorkomen van leven op Aarde wordt verklaard. eindterm c72031bf-8ae1-43fc-9bb4-1f3d92116232 1.487
BI/V/Domein F Evolutie BI/V Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, genetische variatie, recombinatie en populatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld veranderingen in diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde verklaren en beargumenteren op welke wijze deze veranderingen beïnvloed worden. Subdomein F4: Ontstaan van het leven 39. De kandidaat kan met behulp van het concept ontstaan van het leven ten minste in contexten op het gebied van wereldbeeld benoemen met behulp van welke theorie het voorkomen van leven op Aarde wordt verklaard. eindterm bad4791c-da18-4462-8dec-a69068ee9849 1.488
BIO/V/38 BI/V Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, genetische variatie, recombinatie en populatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld veranderingen in diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde verklaren en beargumenteren op welke wijze deze veranderingen beïnvloed worden. Subdomein F4: Ontstaan van het leven 39. De kandidaat kan met behulp van het concept ontstaan van het leven ten minste in contexten op het gebied van wereldbeeld benoemen met behulp van welke theorie het voorkomen van leven op Aarde wordt verklaard. eindterm a5d2c75e-9d33-4280-9c61-ea9557b4523f 1.489
BIO/V/39 BI/V Domein F: Evolutie Subdomein F1: Selectie 36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, genetische variatie, recombinatie en populatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt. Subdomein F2: Soortvorming 37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan. Subdomein F3: Biodiversiteit 38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld veranderingen in diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde verklaren en beargumenteren op welke wijze deze veranderingen beïnvloed worden. Subdomein F4: Ontstaan van het leven 39. De kandidaat kan met behulp van het concept ontstaan van het leven ten minste in contexten op het gebied van wereldbeeld benoemen met behulp van welke theorie het voorkomen van leven op Aarde wordt verklaard. eindterm 1678faaa-d9b2-4bbf-be69-85ff45bf0ef1 1.490
CKV/Domein A Culturele activiteiten CKV/Domein A: Culturele activiteiten 1. De kandidaat heeft actief deelgenomen aan tenminste 6 (havo), respectievelijk 8 (vwo) culturele activiteiten. De culturele activiteiten zijn gespreid naar de verschillende kunstdisciplines in beeldende vormgeving, dans, drama, literatuur en muziek. eindterm b5a5c9b8-268c-415b-89b7-a4ea335efb0f 1.444
CKV/Domein B Kennis van kunst en cultuur CKV/Domein B: Kennis van kunst en cultuur 2. De kandidaat kan vorm, inhoud, functie en historische achtergronden aangeven van kunstuitingen en daarbij ingaan op: - onderlinge relaties tussen deze aspecten; - relaties tussen kunstdisciplines; - invloeden die (sub)culturen op elkaar kunnen hebben. eindterm c14b1192-7622-4f55-9fd6-8ea2e07919f4 1.445
CKV/Domein C Praktische activiteiten CKV/Domein C: Praktische activiteiten 3. De kandidaat heeft actief deelgenomen aan praktische activiteiten gericht op het maken van een eigen werkstuk of productie binnen een of meer kunstdisciplines. eindterm 791f2c8b-5468-4eff-a097-175cb32d9923 1.446
CKV/Domein D Reflectie CKV/Domein D: Reflectie 4. De kandidaat kan met betrekking tot de culturele activiteiten: - verslag doen van zijn ervaringen, interpretaties en waarderingen; - deze toelichten onder verwijzing naar vorm, inhoud, functie en historische achtergronden; - deze koppelen aan ervaringen met praktische activiteiten; - aan de hand daarvan reflecteren op zijn keuzen en zijn ervaringen. eindterm 0c9c4d58-a1da-446b-abf6-38fa30967628 1.447
CKV/Examenprogramma CKV/Examenprogramma culturele en kunstzinnige vorming havo/vwo   Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Culturele activiteiten Domein B Kennis van kunst en cultuur Domein C Praktische activiteiten Domein D Reflectie. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A tot en met D, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 9ccdbf47-7e88-4e0f-adaf-adebdb9b7b44 1.788
PK/DP/A a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. informatie op allerlei manieren overzichtelijk en efficiënt verzamelen, ordenen en weergeven; a.3. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.4. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.5. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.7. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.8. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.9. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.10. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.11. professionele hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.12. hygiënisch werken; a.13. milieubewust handelen; a.14. zich aan -en inpassen in een bedrijfscultuur; a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.16. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. eindterm 69e9a157-0436-4854-bcf9-4793ae6fafbe 2.117
PK/DP/B b. Professionele kennis en vaardigheden   De kandidaat kan: b1. probleemoplossingsvaardigheden hanteren en op grond daarvan conclusies trekken en keuzes maken; b.2. eenvoudige onderzoeksactiviteiten verrichten en op grond daarvan beargumenteerde keuzes maken; b.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; b.4. het begrip duurzaamheid (her)kennen, benoemen en toepassen. Op basis daarvan komen tot bewuste afwegingen en relaties leggen tussen milieu, mensen en werkprocessen in arbeid en beroep (people, planet en profit); b.5. ondernemende vaardigheden tonen: initiatief tonen, innoveren; b.6. de begrippen maatschappelijk verantwoord en maatschappelijk betrokken ondernemen (her)kennen, benoemen en toepassen bij producten en dienstverlening; b.7. verschillen en overeenkomsten benoemen tussen profit en non/profit.   eindterm 46ee9e75-babb-4e9a-8bc9-eb42c54bbf79 2.118
PK/DP/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. Wat kan ik het best en hoe weet ik dat? [Kwaliteitenreflectie] 2. Waar ga en sta ik voor en waarom dan? [Motievenreflectie] 3. Waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar? [Werkexploratie] 4. Hoe bereik ik mijn doel en waarom zo? [Loopbaansturing] 5. Wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen? [Netwerken] c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen door middel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies   eindterm 70ba029f-774a-4fb1-b9cd-7e5ad7185fb4 2.119
P/DP/01 Module 1: organiseren van een activiteit voor een opdrachtgever (v2020) Taak: o een opdracht bespreken met de opdrachtgever, onderzoek doen naar de te organiseren activiteit en uitkomsten presenteren aan de opdrachtgever o een activiteit organiseren o facilitaire werkzaamheen uitvoeren o regelgeving op het terrein van veiligheid en milieu met betrekking tot de organisatie van activiteiten herkennen, benoemen en toepassen eindterm 15aedb53-2f0d-47c6-b3ee-8dbecd5aa0f2 2.121
P/DP/02 Module 2: presenteren, promoten en verkopen (v2020) Taak: o verschillende manieren van communicatie en communicatiemiddelen (her)kennen, benoemen en professioneel toepassen o een product en dienst promoten en verkopen o doelgericht informatie verstrekken en instructies geven eindterm 18c5eb45-5288-4c68-b702-8c114058c4d1 2.122
P/DP/03 Module 3: Een product maken en verbeteren (v2020) Taak: o een ontwerp en een product beoordelen, ontwerpen, tekenen en printen in 2D en 3D o een product maken eindterm 1a1e76b1-8a11-4906-b5b5-29970a56c4f7 2.123
P/DP/04 Module 4: multimediale producten maken (v2020) Taak: o aan de hand van een programma van eisen: een digitaal ontwerp maken een film maken een website ontwerpen en samenstellen een applicatie ontwerpen en maken eindterm a74bb739-35fa-402f-bab4-6a54fa44d4ee 2.124
EC/Domein A Vaardigheden EC Domein A: Vaardigheden De kandidaat kan economische concepten EC/herkennen en toepassen in uiteenlopende contexten. eindterm 9f885806-0e00-4221-aa51-d0c698f4687b 1.798
EC/Domein B Concept Schaarste EC Domein B: Concept schaarste De kandidaat kan in contexten analyseren dat beperkte middelen en ongelimiteerde behoeften dwingen tot het maken van keuzes. eindterm 1c3b9d00-3ad9-4ab6-893e-c08a596c8f80 1.799
EC/Domein C Concept Ruil EC Domein C: Concept ruil De kandidaat kan in contexten analyseren dat het ruilproces de basis vormt voor een optimale inzet van middelen en een optimale benutting van comparatieve voordelen. Voorts kan de kandidaat analyseren dat ruil arbeidsdeling mogelijk maakt en op welke manier geld het ruilproces soepeler laat verlopen. eindterm e445e287-f693-43b6-b4d2-d1a18c8f6c8b 1.800
EC/Domein D Concept Markt EC Domein D: Concept markt De kandidaat kan in contexten analyseren dat keuzes en ruil die plaatsvinden worden gecoördineerd via de markt. Prijsvorming is het coördinatiemechanisme waarmee vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd. De manier waarop prijsvorming plaatsvindt is afhankelijk van de marktstructuur (marktvormen) en heeft gevolgen voor toetreding, welvaart en economische politiek. eindterm 324fde74-a0b5-4375-8a47-8fb34cc84bcf 1.801
EC/Domein E Concept Ruilen over de tijd EC Domein E: Concept ruilen over de tijd De kandidaat kan, binnen de contexten van gezinshuishoudingen, bedrijfshuishoudingen en overheidshuishoudingen, analyseren dat ruil niet alleen op één moment in de tijd plaatsvindt, maar ook over de tijd. De prijs die deze intertemporele ruil coördineert is de rente. eindterm d567f26c-2d0c-432f-96dd-ae0347ead224 1.802
EC/Domein F Concept Samenwerken en onderhandelen EC Domein F: Concept samenwerken en onderhandelen De kandidaat kan in contexten analyseren dat, wanneer belangen van individuele actoren conflicteren, samenwerken en onderhandelen meer oplevert voor (markt)partijen dan vertrouwen op individuele acties. Centralisatie, waarbij (collectieve) dwang het middel is om acties tot stand te brengen, kan een alternatief coördinatiemechanisme zijn voor keuzes. eindterm a05db55e-522c-4779-bb33-ffa5ef50d5b3 1.803
EC/Domein G Concept Risico en informatie EC Domein G: Concept risico en informatie De kandidaat kan in contexten analyseren dat gezinnen en bedrijven bij het maken van keuzes informatie verzamelen ten einde onzekerheid te verkleinen. Aangezien de informatie vaak een beperkt karakter zal hebben moeten transactiepartijen een inschatting maken van mogelijke gebeurtenissen (risico) en de mate waarin transactiepartners gebeurtenissen beïnvloeden of informatie achterhouden die relevant is voor het tot stand brengen van een transactie (asymmetrische informatie). eindterm a58bf36a-acf0-4706-a655-6bc9a0d19124 1.804
EC/Domein H Concept Welvaart en groei EC Domein H: Concept welvaart en groei De kandidaat kan in contexten analyseren wat op nationaal en op mondiaal niveau de oorzaken zijn van economische groei en van de verdeling van inkomen en welvaart. Keuzes op microniveau werken door op macroniveau in elke economie die gekenmerkt wordt door wederzijds afhankelijke markten. eindterm 1d4a4d05-5350-4098-9c2e-90adc9e3f8bc 1.805
EC/Domein I Concept Goede tijden, slechte tijden EC Domein I: Concept goede tijden, slechte tijden De kandidaat kan in contexten analyseren waarom er sprake is van korte termijn schommelingen in economische activiteiten en welke mogelijkheden en grenzen er zijn voor conjunctuurbeleid. Markten laten zich niet gemakkelijk reguleren mede door toedoen van rigiditeiten. eindterm 75b36e81-c933-4970-ad35-6ccc798eacc8 1.806
EC/Domein J Onderzoek en experiment EC Domein J: Onderzoek en experiment De kandidaat kan door het deelnemen aan experimenten een conclusie trekken die getuigt van een ‘economische kijk’ op maatschappelijke verschijnselen en van strategisch inzicht. De kandidaat kan analyseren welke grenzen aan de verklaringskracht van theoretische concepten gesteld kunnen worden. eindterm b9b90c98-fcb8-4085-a857-23a2ce0ec6c3 1.807
EC/Domein K Keuzeonderwerpen EC Domein K: Keuzeonderwerpen De kandidaat kan een economisch concept in verschillende contexten vergelijkenderwijs analyseren. De kandidaat kiest ten minste twee keuzeonderwerpen om deze analyse uit te voeren. eindterm a2db76ee-1897-4c56-951d-8fc3bc6e9fee 1.808
EC/K/1 EC/K/1  Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan. eindterm dd522089-b1b5-4e82-94a3-3c0aa35be151 1.372
EC/K/2 EC/K/2  Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken. eindterm 8b911186-4b9e-4747-b023-6d7101faec81 1.373
EC/K/3 EC/K/3  Leervaardigheden in het vak economie   3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen en het vermogen met economische vaktaal te communiceren en onderzoek te doen.      eindterm 5acaa909-088e-459a-9487-b5a957f33424 1.374
EC/K/4A EC/K/4A  Consumptie 4. De kandidaat heeft inzicht in aspecten van het consumentengedrag, zoals keuzes, behoeften, inkomen en in de functies van het geld, lenen en sparen en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.      eindterm 26f33892-2bd5-41e6-8acd-c5e78a618d3d 1.375
EC/K/5A EC/K/5A  Arbeid en productie   6. De kandidaat heeft inzicht in aspecten van het producentengedrag zoals kosten, opbrengsten, winst, toegevoegde waarde, arbeid, arbeidsverdeling, arbeidsproductiviteit, werkgelegenheid, werkloosheid en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.      eindterm 790903a8-4832-46a0-b3fa-f5e1c009cfce 1.376
EC/K/6 EC/K/6  Overheid en bestuur   8. De kandidaat heeft inzicht in de sociale, economische en financiële functies van de overheid en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.      eindterm bc7d6dd6-ff7a-4ae8-be53-7d55cedd2508 1.377
EC/K/7 EC/K/7  Internationale ontwikkelingen 9. De kandidaat heeft inzicht in internationale economische betrekkingen zoals Nederland als open economie, de Europese Unie, ontwikkelingsproblematiek en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.      eindterm 233da542-a22d-44e4-a9e7-26449d14f735 1.378
EC/K/8 EC/K/8  Natuur en milieu    10. De kandidaat heeft inzicht in de samenhang tussen consumptie, productie en het milieu, en kan aan de hand van voorbeelden op het gebied van milieuschade de rol van overheid, maatschappelijke organisaties en individuele personen beschrijven.      eindterm 98b2cd8e-0cdd-48c3-8a3a-38a02b2152e7 1.379
EC/K/4B EC/K/4B  Consumptie en consumentenorganisaties    5. De kandidaat heeft inzicht in het bankwezen, zoals verkrijgen van vreemd geld, spaarvormen en leningsvormen, en in motieven en kenmerken van verzekeringen en kan hierbij informatie van consumentenorganisaties gebruiken.      eindterm 87ee3907-c454-457c-a9c9-c80b4dd53aef 1.796
EC/K/5B EC/K/5B  Arbeid en bedrijfsleven 7. De kandidaat heeft inzicht in de productie van goederen en diensten en in de fasen die een product doorloopt vanaf de producent van grondstoffen tot en met de detaillist/ winkelier, en kan voorbeelden geven van beroepen/ werkzaamheden die typerend zijn voor verschillende economische sectoren.      eindterm 55f99290-4722-4180-a0f9-4888a88e9d3b 1.797
EC/V/1 EC/V/1  Verrijkingsstof 11. De kandidaat heeft inzicht in de achtergronden van de problematiek betreffende: − de ontwikkeling van het begrotingstekort en de staatsschuld; − de systematiek en uitgangspunten van loon- en inkomstenbelasting; − de oorzaken en gevolgen van de waardeverandering van geld; − de prijscompensatie als middel om koopkrachtverlies tegen te gaan;   en kan dit inzicht toepassen in een gegeven casus.       eindterm fc059406-f1e6-4f22-88e1-df9889c13c97 1.191
EC/V/2 EC/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie 12. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.       eindterm 0240d2e9-9884-4016-9b65-1389aa7a0125 1.192
EC/V/3 EC/V/3  Vaardigheden in samenhang 13. De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen. eindterm f9158c30-b975-49cb-8b90-b82a8e36a1b4 1.193
PK/EO/A a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. informatie op allerlei manieren overzichtelijk en efficiënt verzamelen, ordenen en weergeven; a.3. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.4. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.5. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.7. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.8. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.9. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.10. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.11. professionele hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.12. hygiënisch werken; a.13. milieubewust handelen; a.14. zich aan -en inpassen in een bedrijfscultuur; a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.16. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. eindterm 47c9a519-4750-44b5-af8b-5980028b7737 2.125
PK/EO/B b. Professionele kennis en vaardigheden De kandidaat kan: b.1. een commerciële instelling tonen, met name: onderdelen van een marktonderzoek uitvoeren verkoopvaardigheden klant- en servicegerichte houding kansen zien en benutten b.2. inspelen op trends en ontwikkelingen b.3. communicatieve vaardigheden toepassen,onder meer: telefoneren vergaderen presenteren en demonstreren overtuigen corresponderen sociale media inzetten b.4. vaardigheden toepassen op het gebied van kantoor-, retail- en magazijnautomatisering b.5. ondernemersvaardigheden tonen, onder meer: innovatief zijn creatief zijn risico nemen b.6. werken volgens een bedrijfsconcept. eindterm ddd24a03-eeff-49c8-b1af-fecccbc4fdc9 2.134
PK/EO/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.   c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I.   de beoogde doelen II.  de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten zijn gepland op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies. eindterm 29812b27-91a0-4515-bbc4-4ab7799563e8 2.135
P/EO/01 Module 1: Commercieel (v2020) Taak: o de retailformule en de marketinginstrumenten herkennen en toepassen ten aanzien van de doelgroep, het assortiment en de marktpositie o verkopen en afrekenen   eindterm 6bc55917-acb7-43e9-a674-61a6ac62a08e 2.151
P/EO/02 Module 2: Secretarieel (v2020) Taak: Secretariële werkzaamheden uitvoeren o backoffice werkzaamheden uitvoeren o frontoffice werkzaamheden uitvoeren eindterm 2a89c4d2-d869-48b8-92ce-4bf541f9776c 2.152
P/EO/03 Module 3: Logistiek (v2020) Taak: Magazijnwerkzaamheden uitvoeren (eventueel in gesimuleerde omgeving) ten aanzien van o ontvangst en opslag van goederen o verzamelen, verpakken en verzenden van goederen o voorraad bijhouden, inventariseren en bestellen   eindterm e9364783-a89a-488e-912b-b8bc8b906f3d 2.153
P/EO/04 Module 4:  Administratie (v2020) Taak: een bijdrage leveren aan de administratie van (handels)ondernemingen: o bedrijven, bedrijfsfuncties en bedrijfsprocessen herkennen en benoemen o de administratie van de (handels)onderneming bijhouden   eindterm b2e2e232-0957-47eb-90e9-f42a927e3c1c 2.154
MVT/A1/Correspondentie lezen MVT/A1 Correspondentie lezen Kan korte, eenvoudige berichten op een ansichtkaart begrijpen.   eindterm 3d8d4a14-ade5-488d-b092-e9418445b286 1.987
MVT/A1/Orienterend lezen MVT/A1 Oriënterend lezen Kan bekende namen, woorden en simpele standaardzinnetjes herkennen in eenvoudige mededelingen in de meest voorkomende alledaagse situaties.   eindterm 079241d1-53f5-4bc2-9fdf-558af8059f06 1.988
MVT/A1/Lezen om informatie op te doen MVT/A1 Lezen om informatie op te doen Kan zich een idee vormen van de inhoud van eenvoudige informatieve materialen en korte eenvoudige beschrijvingen, vooral als er visuele ondersteuning bij is. eindterm a73570e3-2fd2-4248-babb-32654105ebbb 1.989
MVT/A1/Instructies lezen MVT/A1 Instructies lezen Kan korte, eenvoudig geschreven aanwijzingen opvolgen. eindterm 1c634d68-b305-4f6b-9069-6b9897a4223b 1.990
MVT/A2/Correspondentie lezen MVT/A2 Correspondentie lezen Kan korte, eenvoudige brieven, faxen en e-mails over vertrouwde onderwerpen begrijpen eindterm 974abadb-52b7-48af-a2f1-4cfe80f0b5a8 1.991
MVT/A2/Orienterend lezen MVT/A2 Orienterend lezen Kan specifieke, voorspelbare informatie vinden in eenvoudig alledaags materiaal. Kan specifieke informatie in lijsten vinden en de benodigde informatie daaruit halen. Kan alledaagse borden en mededelingen begrijpen. eindterm 3701528e-13a6-4ae4-9a9f-7e1671afe38a 1.992
MVT/A2/Lezen om informatie op te doen MVT/A2 Lezen om informatie op te doen Kan specifieke informatie vinden in eenvoudiger geschreven materiaal dat hij/zij tegenkomt zoals brieven, brochures of korte krantenartikelen die gebeurtenissen beschrijven. eindterm 6355da0a-eb77-4d07-af04-f3becf38b73a 1.993
MVT/A2/Instructies lezen MVT/A2 Instructies lezen Kan eenvoudige instructies begrijpen bij apparatuur die men in het dagelijks leven tegenkomt. eindterm 6863f9a0-856c-4b01-81de-fcd766c6e704 1.994
MVT/B1/Correspondentie lezen MVT/B1 Correspondentie lezen Kan de beschrijving van gebeurtenissen, gevoelens en wensen in persoonlijke brieven goed genoeg begrijpen om regelmatig met iemand te corresponderen. Begrijpt de feitelijke informatie in eenvoudige zakelijke brieven goed genoeg om adequaat te kunnen reageren. eindterm d30fe5fb-f9d8-497a-a6b5-173b2104fdc9 1.995
MVT/B1/Orienterend lezen MVT/B1 Orienterend lezen Kan lange en complexe teksten snel scannen en relevante details vinden. Kan snel de inhoud en relevantie bepalen van nieuwsberichten, artikelen en rapporten over een breed scala aan professionele onderwerpen en besluiten of nadere studie ervan de moeite waard is. eindterm eec04b46-44d4-4c71-ba11-dac03f422418 1.996
MVT/B1/Lezen om informatie op te doen MVT/B1 Lezen om informatie op te doen Kan artikelen en rapporten begrijpen die gaan over actuele problemen waarbij de schrijver een bepaald standpunt inneemt. eindterm 31e56382-e0fc-48b9-8a9b-1c4e0110e56b 1.997
MVT/B1/Instructies lezen MVT/B1 Instructies lezen Kan lange en complexe instructies op het eigen terrein begrijpen, inclusief details over condities en waarschuwingen als hij/zij de gelegenheid heel moeilijke stukken te herlezen. eindterm 60b1aaaa-558b-432d-a92d-f79074f2d0ab 1.998
MVT/B2/Correspondentie lezen MVT/B2 Correspondentie lezen Kan correspondentie, die gerelateerd is aan eigen vakgebied en eigen interesses lezen en kan snel de essentie vatten. Kan zakelijke correspondentie van verschillende instanties begrijpen. eindterm 8815cfc2-5f0a-404e-9f5a-9627299a0842 1.999
MVT/B2/Orienterend lezen MVT/B2 Oriënterend lezen Kan lange en complexe teksten snel scannen en relevante details vinden. Kan snel de inhoud en relevantie bepalen van nieuwsberichten, artikelen en rapporten over een breed scala aan professionele onderwerpen en besluiten of nadere studie ervan de moeite waard is. eindterm 4c0e90d0-9ca1-4b6a-b510-c7af847b3182 2.000
MVT/B2/Lezen om informatie op te doen MVT/B2 Lezen om informatie op te doen Kan artikelen en rapporten begrijpen die gaan over actuele problemen waarbij de schrijver een bepaald standpunt inneemt. eindterm 6f9cbe81-17a0-481f-8dc6-10d96a734864 2.001
MVT/B2/Instructies lezen MVT/B2 Instructies lezen Kan lange en complexe instructies op het eigen terrein begrijpen, inclusief details over condities en waarschuwingen als hij/zij de gelegenheid heel moeilijke stukken te herlezen.   eindterm ccb646d8-14fb-4d6d-8028-294290f6c939 2.002
Domein A: Leesvaardigheid 1. De kandidaat kan: aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte; de hoofdgedachte van een tekst(gedeelde) aangeven; de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven; relaties tussen delen Domein A: Leesvaardigheid 1. De kandidaat kan: aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte; de hoofdgedachte van een tekst(gedeelde) aangeven; de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven; relaties tussen delen van een tekst aangeven; conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur.     eindterm 21a6c3ac-be62-405d-9521-b181d2b975ee 746
Domein E: Literatuur Subdomein E1: Literaire ontwikkeling beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met tenminste drie literaire werken. Subdomein E2: Literaire begrippen (alleen vwo) literaire tekstsoorten herkennen en onderscheiden, en Domein E: Literatuur Subdomein E1: Literaire ontwikkeling beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met tenminste drie literaire werken.   Subdomein E2: Literaire begrippen (alleen vwo) literaire tekstsoorten herkennen en onderscheiden, en literaire begrippen hanteren in de interpretatie van literaire teksten.   Subdomein E3: Literatuurgeschiedenis (alleen vwo) een overzicht geven van de hoofdlijnen van de literatuurgeschiedenis en de gelezen literaire werken plaatsen in dit  historisch perspectief.     eindterm d6166a1a-8081-4ef7-a556-e65e2028c4cb 753
Domein B: Kijk- en luistervaardigheid 2. De kandidaat kan: aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte; de hoofdgedachte van een tekst aangeven; de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven; conclusies trekke Domein B: Kijk- en luistervaardigheid 2. De kandidaat kan:   aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte; de hoofdgedachte van een tekst aangeven; de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven; conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de spreker(s); anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek; aantekeningen maken als strategie om een tekst aan te pakken.     eindterm ab5f5778-a34f-4404-832f-cddc7aff6419 761
Domein C: Gespreksvaardigheid Subdomein C1: Gesprekken voeren 3. De kandidaat kan: adequaat reageren in sociale contacten met doeltaalgebruikers; informatie vragen en verstrekken; uitdrukking geven aan gevoelens; zaken of personen beschrijven en standpu Domein C: Gespreksvaardigheid   Subdomein C1: Gesprekken voeren 3. De kandidaat kan: adequaat reageren in sociale contacten met doeltaalgebruikers; informatie vragen en verstrekken; uitdrukking geven aan gevoelens; zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden; strategieën toepassen om een gesprek voortgang te doen vinden.   Subdomein C2: Spreken 4. De kandidaat kan verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden.   eindterm 5f3a4cbc-0802-49af-a16e-e0fc7c0c6071 767
Domein C: Gespreksvaardigheid Subdomein C1: Gesprekken voeren De kandidaat kan: adequaat reageren in sociale contacten met doeltaalgebruikers; informatie vragen en verstrekken; uitdrukking geven aan gevoelens; zaken of personen beschrijven en standpunte Domein C: Gespreksvaardigheid   Subdomein C1: Gesprekken voeren De kandidaat kan: adequaat reageren in sociale contacten met doeltaalgebruikers; informatie vragen en verstrekken; uitdrukking geven aan gevoelens; zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden; strategieën toepassen om een gesprek voortgang te doen vinden.   Subdomein C2: Spreken 2. De kandidaat kan verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden. verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden. eindterm 906020a8-8207-4eda-8bdd-741e29d492c3 772
Domein D: Schrijfvaardigheid Subdomein D1: Taalvaardigheden: adequaat reageren in schriftelijke contacten met doeltaalgebruikers; informatie vragen en verstrekken; verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken Domein D: Schrijfvaardigheid Subdomein D1: Taalvaardigheden: adequaat reageren in schriftelijke contacten met doeltaalgebruikers; informatie vragen en verstrekken; verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en uitdrukking geven aan gevoelens en standpunten verwoorden; een verslag schrijven. Voor havo: geldt alleen voor Engelse en Turkse taal en literatuur. Voor vwo: geldt niet voor Russische taal en literatuur.   Subdomein D2: Strategische vaardigheden: met behulp van een tekstverwerkingsprogramma een tekst schrijven; (elektronisch) naslagmateriaal teksten opstellen.     eindterm 8da72873-d0ba-4705-9230-d8f7c817cee9 776
MVT/HV MVT/HV Examenprogramma moderne vreemde talen en literatuur havo/vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Leesvaardigheid Domein B Kijk-en luistervaardigheid Domein C Gespreksvaardigheid Domein D Schrijfvaardigheid Domein E Literatuur Domein F Oriëntatie op studie en beroep.   Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op domein A. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen, waarbij in elk geval het niveau in termen van het Europees Referentiekader wordt vastgesteld. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op: - de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm d632e7fc-37bf-47bb-a2ef-6aa96cd3d1d1 1.937
MVT/Domein A Leesvaardigheid MVT Domein A: Leesvaardigheid 1. De kandidaat kan: - aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte; - de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven; - de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven; - relaties tussen delen van een tekst aangeven; - conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur. eindterm 089033c4-b799-4b13-a77f-28d42ac3e886 1.938
MVT/Domein B Kijk-en luistervaardigheid MVT Domein B: Kijk- en luistervaardigheid 2. De kandidaat kan: - aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte; - de hoofdgedachte van een tekst aangeven; - de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven; - conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de spreker(s); - anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek; - aantekeningen maken als strategie om een tekst aan te pakken. eindterm d396610d-792a-4e73-8b33-be75a0bbaecd 1.939
MVT/Domein C Gespreksvaardigheid MVT Domein C: Gespreksvaardigheid Subdomein C1: Gesprekken voeren 3. De kandidaat kan: - adequaat reageren in sociale contacten met doeltaalgebruikers; - informatie vragen en verstrekken; - uitdrukking geven aan gevoelens; - zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden; - strategieën toepassen om een gesprek voortgang te doen vinden. Subdomein C2: Spreken 4. De kandidaat kan verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden. eindterm 5bcda01f-40c6-43a4-af8a-9a80ccb8cbff 1.940
MVT/Domein D Schrijfvaardigheid MVT Domein D: Schrijfvaardigheid Subdomein D1: Taalvaardigheden 5. De kandidaat kan: - adequaat reageren in schriftelijke contacten met doeltaalgebruikers; - informatie vragen en verstrekken; - verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en uitdrukking geven aan gevoelens en standpunten verwoorden; - een verslag schrijven. Voor havo: geldt alleen voor Engelse en Turkse taal en literatuur. Voor vwo: geldt niet voor Russische taal en literatuur. Subdomein D2: Strategische vaardigheden 6. De kandidaat kan met behulp van: - een tekstverwerkingsprogramma een tekst schrijven; - (elektronisch) naslagmateriaal teksten opstellen. eindterm 19f3face-7317-401f-9422-d9f10d7e60e9 1.941
MVT/Domein E Literatuur MVT Domein E: Literatuur Subdomein E1: Literaire ontwikkeling 7. De kandidaat kan beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met ten minste drie literaire werken. Subdomein E2: Literaire begrippen (alleen vwo) 8. De kandidaat kan literaire tekstsoorten herkennen en onderscheiden, en literaire begrippen hanteren in de interpretatie van literaire teksten. Subdomein E3: Literatuurgeschiedenis (alleen vwo) 9. De kandidaat kan een overzicht geven van de hoofdlijnen van de literatuurgeschiedenis en de gelezen literaire werken plaatsen in dit historisch perspectief. eindterm 55f9fd18-bcb2-4a1c-9c83-278dfc1e5619 1.942
MVT/Domein F Oriëntatie op studie en beroep. MVT Domein F: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 858715d0-9164-4031-aa10-4a4fecfc4d84 1.943
MVT/K/6 Gespreksvaardigheid De kandidaat kan: Adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten; Informatie geven en vragen; Naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven; Uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonli MVT/K/6 Gespreksvaardigheid De kandidaat kan: Adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten; Informatie geven en vragen; Naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven; Uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens; Een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven     eindterm 99afbc78-38da-4256-a835-5f54b7836d4e 639
MVT/K/4 Leesvaardigheid 4. De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven geg MVT/K/4 Leesvaardigheid   4. De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven gegevens uit één of meer teksten met elkaar vergelijken en daaruit conclusies trekken verbanden tussen delen van een tekst aangeven.     eindterm 9f5e6e2b-ab75-4532-b73e-3d90709abd9b 642
MVT/K/5 Luister- en kijkvaardigheid 5. De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aa MVT/K/5 Luister- en kijkvaardigheid 5. De kandidaat kan: aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek.     eindterm 92177fc7-b96c-435a-9267-c5d8134df076 645
MVT/K/7 Schrijfvaardigheid 7. De kandidaat kan: (persoonlijke) gegevens verstrekken een kort bedankje, groet of goede wensen schriftelijk overbrengen een briefje schrijven om informatie te vragen of te geven, om verzoeken of voorstellen te doen of daaro MVT/K/7 Schrijfvaardigheid   7. De kandidaat kan: (persoonlijke) gegevens verstrekken een kort bedankje, groet of goede wensen schriftelijk overbrengen een briefje schrijven om informatie te vragen of te geven, om verzoeken of voorstellen te doen of daarop te reageren, om gevoelens te uiten en ernaar te vragen op eenvoudig niveau briefconventies gebruiken.     eindterm a60ed1b4-5050-470a-8229-5f42abfb2101 648
MVT/K/6 Gespreksvaardigheid fout 6. De kandidaat kan: adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten informatie geven en vragen naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven uitdrukking geven aan en vragen naar (pers MVT/K/6 Gespreksvaardigheid fout 6. De kandidaat kan: adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten informatie geven en vragen naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.     eindterm e1dfa7aa-8f4f-44a5-b99c-69ad6612a896 650
MVT/K/1 Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij. MVT/K/1 Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij.     eindterm 6464fa84-6e2c-4085-ba2b-4d0bf79feaee 1.083
MVT/K/2 Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenteren. MVT/K/2 Basisvaardigheden   2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenteren.     eindterm 731a9ee8-1592-446f-9bfd-0d87577ea958 1.084
MVT/K/3 Leervaardigheden in de Moderne Vreemde Talen 3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen t MVT/K/3 Leervaardigheden in de Moderne Vreemde Talen   3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis. kennis van land en samenleving toepassen bij het herkennen van cultuuruitingen eindterm f4a0dbdc-9a84-4c04-97df-bd89cac0c906 1.085
MVT/K/1 MVT/K/1 Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van de Moderne Vreemde Talen in de maatschappij.      eindterm 633cf024-b859-4bb8-bd69-7a5e69358152 1.925
MVT/K/2 MVT/K/2 Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven, verwerken en presenteren.      eindterm 9b1d75f8-dff8-4aab-9510-254b52b4babe 1.926
MVT/K/3 MVT/K/3 Leervaardigheden in de Moderne Vreemde Talen 3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: − het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen; − de bevordering van het eigen taalleerproces; − het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis; − kennis van land en samenleving toepassen bij het herkennen van cultuuruitingen. eindterm 4188eb9b-acd4-47c4-9aab-d250169d0d48 1.927
MVT/K/4 MVT/K/4 Leesvaardigheid 4. De kandidaat kan: − aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte; − de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven; − de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven; − gegevens uit één of meer teksten met elkaar vergelijken en daaruit conclusies trekken; − verbanden tussen delen van een tekst aangeven.      eindterm c8dd5749-516c-4ee4-94e5-6bea2ab4f050 1.928
MVT/K/5 MVT/K/5 Luister- en kijkvaardigheid 5. De kandidaat kan: − aangeven welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte; − de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven; − de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven; − anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek.      eindterm 600b48cb-ddeb-4e8e-904b-30da70662adb 1.929
MVT/K/6 MVT/K/6 Gespreksvaardigheid 6. De kandidaat kan: − adequaat reageren in veel voorkomende sociale contacten, zoals begroeten; − informatie geven en vragen; − naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven; − uitdrukking geven aan en vragen naar (persoonlijke) gevoelens; − een persoon, object of gebeurtenis, ook uit het verleden en in de toekomst, beschrijven.      eindterm 7c9f8fdb-a8fb-4e23-a1cf-f799f977ed8b 1.930
MVT/K/7 MVT/K/7 Schrijfvaardigheid 7. De kandidaat kan: − (persoonlijke) gegevens verstrekken; − een kort bedankje, groet of goede wensen schriftelijk overbrengen; − een briefje schrijven om informatie te vragen of te geven, om verzoeken of voorstellen te doen of daarop te reageren, om gevoelens te uiten en ernaar te vragen; − op eenvoudig niveau briefconventies gebruiken.      eindterm 4388f04b-53d3-43a4-84e2-b1fbecc7535f 1.931
MVT/V/3 MVT/V/3 Kennis van land en samenleving 10. De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie staan.      eindterm 353162e7-2e75-4d4d-b9fa-e3e3f42aa7f3 1.934
MVT/V/1 Leesvaardigheid 8. De kandidaat kan: het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek. MVT/V/1 Leesvaardigheid   8. De kandidaat kan: het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek.     eindterm fda4f797-51d9-4010-8d66-93e88d2f269a 1.081
MVT/V/2 Schrijfvaardigheid 9. De kandidaat kan een formele brief schrijven om informatie te vragen of om iets te arrangeren of af te zeggen. MVT/V/2 Schrijfvaardigheid   9. De kandidaat kan een formele brief schrijven om informatie te vragen of om iets te arrangeren of af te zeggen.     eindterm d9f8ee4e-78f7-4761-9684-fa264db5be24 1.082
MVT/V/3 Kennis van land en samenleving 10. De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie sta MVT/V/3 Kennis van land en samenleving 10. De kandidaat kan kennis van land en samenleving rond bepaalde onderwerpen toepassen bij het herkennen en interpreteren van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het taalgebied of daarmee in directe relatie staan.     eindterm c69f42b1-0792-4959-9083-5f27f1e84943 1.086
MVT/V/1 MVT/V/1 Leesvaardigheid 8. De kandidaat kan: − het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen; − conclusies trekken met betrekking tot het schrijfdoel, de opvattingen, de gevoelens van de auteur en tot het beoogde publiek. eindterm 7685d244-98f7-4846-8c1b-77a2c81965fd 1.932
MVT/V/2 MVT/V/2 Schrijfvaardigheid 9. De kandidaat kan een formele brief schrijven om informatie te vragen of om iets te arrangeren of af te zeggen.      eindterm adac1bf8-3bfc-48a1-b88d-6affb022e5e9 1.933
MVT/V/4 MVT/V/4 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    11. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk. eindterm d605aecf-adbf-4da6-945b-b33372f3d017 1.935
MVT/V/5 MVT/V/5 Vaardigheden in samenhang 12. De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm 8a0bde7a-ea94-4d7b-b5ae-a82cb2484e64 1.936
MVT/C1/Correspondentie lezen MVT/C1 Correspondentie lezen Kan alle correspondentie begrijpen als incidenteel een woordenboek gebruikt kan worden. eindterm 6029311b-e494-46aa-b6bd-a7d6efcc969e 2.003
MVT/C1/Orienterend lezen MVT/C1 Oriënterend lezen Kan lange en complexe teksten snel scannen en relevante details vinden. Kan snel de inhoud en relevantie bepalen van nieuwsberichten, artikelen en rapporten over een breed scala aan professionele onderwerpen en besluiten of nadere studie ervan de moeite waard is. eindterm db2482cd-b9d3-489c-b42a-7620f948669b 2.004
MVT/C2/Lezen om informatie op te doen MVT/C2 Lezen om informatie op te doen Kan een breed scala aan lange en complexe teksten zoals men die tegenkomt in het sociale, professionele en academische leven tot in detail begrijpen waarbij fijnere details zoals attitudes en opinies, impliciet en expliciet verwoord, worden onderkend. eindterm 8f51337b-c45a-42e1-b202-d33966339301 2.005
MVT/C2/Instructies lezen MVT/C2 Instructies lezen Kan tot in detail lange en complexe instructies bij een nieuwe machine of procedure begrijpen, al dan niet gerelateerd aan zijn/haar specialisatiegebied, als de mogelijkheid bestaat om moeilijke stukken te herlezen. eindterm 591cb040-511a-49c4-bd05-dcd2d3bb0d6e 2.006
FI/H FI/H Examenprograma filosofie havo   Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Wijsgerige antropologie Domein C Ethiek Domein D Sociale filosofie. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op een door de CEVO vastgesteld onderwerp dat gerelateerd is aan een van de domeinen B, C of D als hoofddomein, waarbij een of meer andere domeinen betrokken kunnen zijn, en de subdomeinen 1. van de domeinen B, C en D, die zowel afzonderlijk als in relatie met het onderwerp kunnen worden geëxamineerd. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en: - de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 524112b5-e523-4e5d-a330-13af0ab8daca 1.764
FI/H/Domein A Vaardigheden FI/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Argumentatieve vaardigheden 1. De kandidaat kan met betrekking tot een filosofisch vraagstuk informatie selecteren, structureren en interpreteren: - een betoog analyseren; - een betoog beoordelen; - een logisch correct en overtuigend betoog opzetten en houden; - de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen. Subdomein A2: Onderzoeksvaardigheden en benaderingswijzen 2. De kandidaat kan: - vooronderstellingen onderzoeken waarop een vraagstuk berust; - verschillende filosofische posities ten aanzien van een vraagstuk beargumenteerd innemen. Subdomein A3: Oriëntatie op studie en beroep eindterm e6873712-35a5-4605-ba07-57e318f55909 1.765
FI/H/Domein B Wijsgerige antropologie FI/H Domein B: Wijsgerige antropologie Subdomein B1: Centrale begrippen 3. De kandidaat kan een aantal centrale begrippen uit de wijsgerige antropologie herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen. Subdomein B2: Lichaam, geest en emotie 4. De kandidaat kan: - verschillende opvattingen over de verhouding tussen lichaam en geest herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen; - verschillende opvattingen over de aard en functies van emoties herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen. Subdomein B3: De mens als redelijk wezen 5. De kandidaat kan: - verschillende opvattingen over de mens als redelijk wezen herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen; - enkele opvattingen over de geldigheid van verschillende vormen van (rationele) kennis herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen. eindterm ed5def2d-5a2d-4098-9e35-7a665debab62 1.766
FI/H/Domein C Ethiek FI/H Domein C: Ethiek Subdomein C1: Centrale begrippen 6. De kandidaat kan een aantal centrale begrippen uit de ethiek herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen. Subdomein C2: Het goede leven 7. De kandidaat kan een aantal opvattingen over de verhouding tussen nut en geluk herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen. Subdomein C3: Integriteit en verantwoordelijkheid 8. De kandidaat kan: - verschillende posities ten aanzien van individuele vrijheid en collectieve verantwoordelijkheid herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen; - binnen de verhouding van individu en gemeenschap de rol aangeven van integriteit en verantwoordelijkheid. eindterm 6339d181-71bb-4701-ab36-46a301a94999 1.767
FI/H/Domein D Sociale filosofie. FI/H Domein D: Sociale filosofie Subdomein D1: Centrale begrippen 9. De kandidaat kan een aantal centrale begrippen uit de sociale filosofie herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen. Subdomein D2: Schaarste, begeerte en macht 10. De kandidaat kan: - uitleggen wat de aard en functie is van menselijke begeerten en behoeften en wat de samenhang is tussen schaarste en behoeften; - verschillende opvattingen over de oorsprong van macht en de vormen van macht herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen. Subdomein D3: Ideologie 11. De kandidaat kan uitleggen wat de rol en invloed is van ideologieën in de maatschappij. Hij kan daarbij aangeven wat de filosofische en/of levensbeschouwelijke uitgangspunten van ideologieën zijn. eindterm bddb6856-213a-4b1e-9203-eef6f2789e94 1.768
Domein D, Sociale filosofie (alleen havo), nr. 10: opvattingen over oorsprong en vormen van macht. Domein D, Sociale filosofie (alleen havo), nr. 10: opvattingen over oorsprong en vormen van macht. Domein D, Sociale filosofie (alleen havo), nr. 11: rol en invloed van ideologieën in de maatschappij; filosofische en/of levensbeschouwelijke uitgangspunten van ideologieën.     eindterm beb14d83-f459-4b90-868a-e4b01e1a008c 714
Domein B, Wijsgerige antropologie, (alleen havo), nr. 5: opvattingen over de geldigheid van verschillende vormen van (rationele) kennis. Domein B, Wijsgerige antropologie, (alleen havo), nr. 5: opvattingen over de geldigheid van verschillende vormen van (rationele) kennis.   Domein D, Kennisleer, nr. 9, 10, 11: centrale begrippen en toonaangevende visies uit de kennisleer;   opvattingen over waarheid en over de relatie tussen ervaring en werkelijkheid;   de contextualiteit van kennis.     Domein E, Wetenschapsfilosofie, nr. 12, 13, 14: centrale begrippen en toonaangevende visies uit de wetenschapsfilosofie ; opvattingen over de status van wetenschappelijke kennis en het onderscheid tussen natuurwetenschappen, sociale wetenschappen en geesteswetenschappen;   opvattingen over de verhouding wetenschap en samenleving.     eindterm 37c0bf96-363c-4245-968c-f2bdac6f62fe 789
Domein C, Ethiek, nr. 7: opvattingen over de vraag of waarden al dan niet universeel zijn. Domein C, Ethiek, nr. 7: opvattingen over de vraag of waarden al dan niet universeel zijn. Domein C, Ethiek, nr. 8: posities ten aanzien van individuele vrijheid en collectieve verantwoordelijkheid.   Domein D, Sociale filosofie (alleen havo), nr. 11: rol en invloed van ideologieën in de maatschappij: filosofische en/of levensbeschouwelijke   eindterm f3b225f4-77b9-4a2f-97f1-20723371c37f 799
Domein A, Argumentatieve vaardigheden, nr. 1: Een betoog analyseren en beoordelen; Domein A, Argumentatieve vaardigheden, nr. 1: Een betoog analyseren en beoordelen; Een logisch en overtuigend betoog opzetten en houden. Domein A, 2: Verschillende filosofische posities t.a.v. een vraagstuk beargumenteerd innemen.     eindterm ce8e3097-6a1e-4f27-869e-79b5ad49fecb 809
Domein A, Onderzoeksvaardigheden en benaderingswijze, A2: Domein A, Onderzoeksvaardigheden en benaderingswijze, A2: vooronderstellingen onderzoeken waarop een vraagstuk berust.     eindterm 8aba5e5d-84e1-4b9b-b188-1c87778dd5ed 814
Subdomein A1: Argumentatievaardigheden: Subdomein A1: Argumentatievaardigheden: met betrekking tot een filosofisch vraagstuk informatie selecteren.     eindterm 3baaf3c9-298c-4872-8ae9-06e4360fd359 827
Domein A, Argumentatieve vaardigheden, Domein A, Argumentatieve vaardigheden, A 1: M.b.t. een filosofisch vraagstuk informatie structureren en interpreteren: een betoog analyseren en beoordelen.     eindterm b0d76028-b4d0-4c8a-9c45-a730ce7522b8 840
Subdomein A1: argumentatieve vaardigheden: Subdomein A1: argumentatieve vaardigheden: de resultaten van een leeractiviteit overdragen naar anderen; een correct en overtuigend betoog opzetten en houden.     eindterm 6574608f-d9e4-433e-8407-f41efdd0e51b 845
FI FI/HV Filosofie eindterm f3c07faf-4f75-4a14-9a01-4d9fce50eb14 1.757
FI/V FI/V Examenprograma filosofie vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Wijsgerige antropologie Domein C Ethiek Domein D Kennisleer Domein E Wetenschapsfilosofie. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op een door de CEVO vastgesteld onderwerp dat gerelateerd is aan een van de domeinen B, C, D of E als hoofddomein, waarbij een of meer andere domeinen betrokken kunnen zijn, en de subdomeinen 1. van de domeinen B, C, D en E, die zowel afzonderlijk als in relatie met het onderwerp kunnen worden geëxamineerd. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. eindterm e70896e3-33d9-4036-9993-5783af2b8393 1.758
FI/V/Domein A Vaardigheden FI/V Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Argumentatieve vaardigheden 1. De kandidaat kan met betrekking tot een filosofisch vraagstuk informatie selecteren, structureren en interpreteren: - een betoog analyseren; - een betoog beoordelen; - een logisch correct en overtuigend betoog opzetten en houden; - de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen. Subdomein A2: Onderzoeksvaardigheden en benaderingswijzen 2. De kandidaat kan: - vooronderstellingen onderzoeken waarop een vraagstuk berust; - verschillende filosofische posities ten aanzien van een vraagstuk beargumenteerd innemen. Subdomein A3: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 7b55c6a4-ebef-43c9-8023-0ba70bf7e07d 1.759
FI/V/Domein B Wijsgerige antropologie FI/V Domein B: Wijsgerige antropologie Subdomein B1: Centrale begrippen en toonaangevende visies 3. De kandidaat kan een aantal centrale begrippen en toonaangevende visies uit de wijsgerige antropologie herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. Subdomein B2: Persoon, lichaam, geest en emotie 4. De kandidaat kan: - de inhoud van persoonsbegrippen aangeven vanuit verschillende perspectieven; - verschillende opvattingen over de verhouding tussen lichaam en geest herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren; - verschillende opvattingen over de aard en functies van emoties herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. Subdomein B3: De mens als redelijk wezen 5. De kandidaat kan: - verschillende opvattingen over de mens als redelijk wezen herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren; - andere visies op de mens uit de hedendaagse wijsbegeerte herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. eindterm 9364b818-bff4-4ed7-8238-1912c6529408 1.760
FI/V/Domein C Ethiek FI/V Domein C: Ethiek Subdomein C1: Centrale begrippen en toonaangevende visies 6. De kandidaat kan een aantal centrale begrippen en toonaangevende visies uit de ethiek herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. Subdomein C2: Het al dan niet universeel zijn van waarden 7. De kandidaat kan een aantal opvattingen over de vraag of waarden al dan niet universeel zijn, herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. Subdomein C3: Vrijheid en verantwoordelijkheid 8. De kandidaat kan een aantal posities ten aanzien van individuele vrijheid en collectieve verantwoordelijkheid herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. eindterm 65d81df6-d9ad-49b4-96ce-1c5ecdce2e03 1.761
FI/V/Domein D Kennisleer FI/V Domein D: Kennisleer Subdomein D1: Centrale begrippen en toonaangevende visies 9. De kandidaat kan een aantal centrale begrippen en toonaangevende visies uit de kennisleer herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. Subdomein D2: Ervaring en waarheid 10. De kandidaat kan: - verschillende opvattingen over de relatie tussen ervaring en werkelijkheid herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren; - verschillende opvattingen over waarheid herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. Subdomein D3: De contextualiteit van kennis 11. De kandidaat kan aangeven hoe in de twintigste eeuw kennis niet op zichzelf wordt beschouwd maar ingebed is in de context van o.a. taal, geschiedenis en cultuur, sociaal-economische belangen, genderprocessen, media. eindterm d8e98ecd-8c2f-4b87-9cd6-ea6a2b8a0eae 1.762
FI/V/Domein E Wetenschapsfilosofie. FI/V Domein E: Wetenschapsfilosofie Subdomein E1: Centrale begrippen en toonaangevende visies 12. De kandidaat kan een aantal centrale begrippen en toonaangevende visies uit de wetenschapsfilosofie herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. Subdomein E2: Wetenschappelijke kennis 13. De kandidaat kan verschillende opvattingen over de status van wetenschappelijke kennis weergeven, herkennen, uitleggen, en in een filosofische context toepassen en evalueren; hij kan uitleggen wat het onderscheid is tussen natuurwetenschappen, sociale wetenschappen en geesteswetenschappen. Subdomein E3: Wetenschap en samenleving 14. De kandidaat kan een aantal opvattingen over de verhouding wetenschap en samenleving herkennen, uitleggen en in een filosofische context toepassen en evalueren. eindterm 3bc83c3a-24a3-4092-b830-4ac52752450a 1.763
GS/Domein A Historisch besef GS Domein A: Historisch besef 1. De kandidaat kan: - gebeurtenissen uit zijn eigen leven alsmede verschijnselen, gebeurtenissen en personen uit de geschiedenis met behulp van een tijdbalk of een andere vorm van chronologische schematisering ordenen en daarbij de volgende aanduidingen van tijd en tijdsindeling gebruiken: jaren, eeuwen, tijdvakken, perioden en jaartellingen; - met gebruik van voorbeelden uit de perioden- en tijdvakkenindeling van eindterm 2, de westers-christelijke jaartelling en een ander voorbeeld van een jaartelling of periodisering/meerdere andere voorbeelden van jaartellingen of periodiseringen uitleggen dat chronologische indelingen interpretatief van aard zijn en (mede) afhangen van de standplaats die men inneemt en/of de vraag die men wil beantwoorden.   2. De kandidaat kan de volgende tijdvakken met bijbehorende tijdsgrenzen in chronologische volgorde noemen en als referentiekader gebruiken: - tijdvak 1: van jagers en boeren (– 3000 voor Christus) / Prehistorie; - tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Christus–500 na Christus) / Oudheid; - tijdvak 3: tijd van monniken en ridders (500–1000) / vroege Middeleeuwen; - tijdvak 4: tijd van steden en staten (1000–1500) / hoge en late Middeleeuwen; - tijdvak 5: tijd van ontdekkers en hervormers (1500–1600) / Renaissancetijd / 16e eeuw; - tijdvak 6: tijd van regenten en vorsten (1600–1700) / Gouden Eeuw / 17e eeuw; - tijdvak 7: tijd van pruiken en revoluties (1700–1800) / eeuw van de Verlichting/ 18e eeuw; - tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines (1800–1900) / industrialisatietijd / 19e eeuw; - tijdvak 9: tijd van de wereldoorlogen (1900–1950) / eerste helft 20e eeuw; - tijdvak 10: tijd van televisie en computer (vanaf 1950) / tweede helft 20e eeuw.   Examenprogramma geschiedenis havo vanaf CE 2015 3. De kandidaat kan: - de tijdvakken van eindterm 2 plaatsen in de periodes Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd en Moderne Tijd; - uitleggen dat de indeling in perioden en tijdvakken een westers perspectief op de geschiedenis vertegenwoordigt en wat de beperkingen en bezwaren daarvan kunnen zijn.   4. De kandidaat kan: - in historische processen de samenhang tussen veranderingen en continuïteit beschrijven; - de betekenis van historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen voor het heden aangeven; - verschillende soorten historische verandering onderscheiden; - door het onderscheiden van continuïteiten van langere en kortere duur onderkennen hoe elementen afkomstig uit verschillende tijdvakken zich gelijktijdig in één tijdvak kunnen manifesteren (de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige).   5. De kandidaat kan: - een vraag en een daarop aansluitende hypothese formuleren; - voor een vraag bruikbaar bronnenmateriaal verwerven en gegevens eruit selecteren.   6. De kandidaat kan: - in het kader van een historische vraagstelling verklaringen geven voor historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen; - onderscheid maken tussen verschillende soorten oorzaken en gevolgen.   7. De kandidaat kan bij het geven van oordelen over het verleden rekening houden met: - het onderscheid tussen feiten en meningen; - tijd- en plaatsgebondenheid van interpretaties en oordelen afkomstig van personen uit het verleden en afkomstig van hedendaagse personen, onder wie hij zelf; - de rol van waardepatronen in heden en verleden; - het ondersteunen van uitspraken met behulp van argumenten.   eindterm cbf1812a-1922-48b8-b516-9ad10ada4f84 1.838
GS/Domein B Oriëntatiekennis GS Domein B: Oriëntatiekennis 8. De kandidaat kan voor elk van de tien tijdvakken die genoemd zijn in eindterm 2: - de kenmerkende aspecten voor ieder tijdvak noemen; - bij elk kenmerkend aspect van een tijdvak een passend voorbeeld geven van een gebeurtenis, ontwikkeling, verschijnsel of handeling dan wel gedachtegang van een persoon en dit voorbeeld gebruiken om het betreffende aspect te verduidelijken; - uitleggen hoe kennis van het betreffende tijdvak de oriëntatie op de hedendaagse werkelijkheid beïnvloedt; - uitleggen dat de betekenis die aan tijdvakken wordt toegekend mede afhangt van de tijd, plaats en omstandigheden waarin mensen zich met het verleden bezighouden.   Voor tijdvak 1 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - de levenswijze van jagers-verzamelaars; - het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen; - het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.   Voor tijdvak 2 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat; - de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur; - de groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde; Examenprogramma geschiedenis havo vanaf CE 2015   - de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa; - de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten.   Voor tijdvak 3 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - de verspreiding van het christendom in geheel Europa; - het ontstaan en de verspreiding van de islam; - de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid; - het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.   Voor tijdvak 4 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - de opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving; - de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden; - het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben; - de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten; - het begin van staatsvorming en centralisatie.   Voor tijdvak 5 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - het begin van de Europese overzeese expansie; - het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling; - de hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid; - de protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had; - het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.   Voor tijdvak 6 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - het streven van vorsten naar absolute macht; - de bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek; - wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie; - de wetenschappelijke revolutie.   Voor tijdvak 7 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen; - voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme); - uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme; - de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.   Voor tijdvak 8 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving; - discussies over de ‘sociale kwestie’; - de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie; Examenprogramma geschiedenis havo vanaf CE 2015   - de opkomst van emancipatiebewegingen; - voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces; - de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.   Voor tijdvak 9 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - de rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie; - het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaal-socialisme; - de crisis van het wereldkapitalisme; - het voeren van twee wereldoorlogen; - racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden; - de Duitse bezetting van Nederland; - verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering; - vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.   Voor tijdvak 10 gelden de volgende kenmerkende aspecten: - de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog; - de dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld; - de eenwording van Europa; - de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen; - de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.   eindterm 7d2a5d7c-73f6-4ae2-bdc6-85b77fdf2ff0 1.839
GS/Domein C Thema's GS Domein C: Thema's 9. De kandidaat kan: - aan de hand van twee / vijf (voor profiel cultuur en maatschappij) / vier (voor profiel economie en maatschappij) nader omschreven concrete thema's met gebruikmaking van de eindtermen uit domein A een beargumenteerd antwoord geven op inhoudelijke vragen over het betreffende thema; - op grond van situaties in de verschillende tijdvakken ontwikkelingen op langere termijn beschrijven. eindterm 911770bd-3cc7-4707-9d65-d7dd68b2057e 1.840
GS/Domein D Geschiedenis van de rechtsstaat en van de parlementaire democratie GS Domein D: Geschiedenis van de rechtsstaat en van de parlementaire democratie 10. De kandidaat kan: - verband leggen tussen het ontstaan van vrijheidsrechten en politieke rechten in bepaalde historische tijdvakken en kenmerkende aspecten van die tijdvakken; - belangrijke denkers noemen en hun opvattingen over de relatie tussen staat en onderdanen; - uitleggen onder invloed van welke factoren de rechtsstaat zich in Nederland heeft ontwikkeld en welke actoren erbij betrokken waren; - uitleggen onder invloed van welke factoren de parlementaire democratie zich in Nederland heeft ontwikkeld sinds 1795; - de ontstaansgeschiedenis van de belangrijkste politieke stromingen en partijen weergeven sinds 1848.   eindterm e2984e32-08a3-4cc5-964d-e96dbab0161e 1.841
GS/Domein E Oriëntatie op studie en beroep. GS Domein E: Oriëntatie op studie en beroep eindterm e073aa85-0b57-4e05-8c77-54c42bb45706 1.842
GS/Examenprogramma GS Examenprogramma geschiedenis havo/vwo   Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Historisch besef Domein B Oriëntatiekennis Domein C Thema's Domein D Geschiedenis van de rechtsstaat en van de parlementaire democratie Domein E Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen A en B. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en: - de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.   eindterm cb3a4e79-ec60-49f1-a6b8-ffccd4f74bb7 1.843
GS/Toelichting GS Toelichting In dit programma is de tijdelijke afwijking verwijderd, die betrekking had op de stofverdeling tussen het schoolexamen en het centraal examen. Daarnaast is een lacune weggewerkt: bij domein A onderdeel 6 is bij ‘onderscheid maken tussen verschillende soorten oorzaken’ en gevolgen toegevoegd. De aanpassing zal gelden voor de leerlingen die in het schooljaar 2014-2015 op havo of vwo het eindexamen geschiedenis afleggen. De bijlagen worden gepubliceerd in verband met de wijziging Bekendmakingswet, waarin wordt bepaald dat de bijlagen elektronisch worden gepubliceerd. eindterm 174edfa6-9444-415b-9c1d-882732b6321e 1.844
GS/K/1 GS/K/1  Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van geschiedenis en staatsinrichting in de maatschappij.      eindterm c67512d2-138e-4fa1-b14e-c4eddb670198 1.351
GS/K/2 GS/K/2  Basisvaardigheden    2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.      eindterm 2a85a275-92d7-4203-8046-250c877e5670 1.352
GS/K/3 GS/K/3  Leervaardigheden in het vak geschiedenis en staatsinrichting 3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: − de ontwikkeling van het eigen leervermogen; − het vermogen om met voor geschiedenis en staatsinrichting geëigende vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.      eindterm 15f04081-95a1-4303-876e-e555ef7f3f28 1.353
GS/K/4/4/BB GS/K/4  De koloniale relatie Indonesië - Nederland 4. De kandidaat kan herkennen en benoemen op welke wijze de koloniale relatie tussen Indonesië en Nederland zich in de loop der tijd ontwikkeld heeft en bijgedragen heeft aan de dekolonisatie/onafhankelijkheid van Indonesië. 5. De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de koloniale relatie tussen Indonesië en Nederland zich in de loop der tijd ontwikkeld heeft en bijgedragen heeft aan de dekolonisatie/onafhankelijkheid van Indonesië.      eindterm 44b9eb5d-8517-4117-a54f-247662db8ac7 1.354
GS/K/5/6/BB GS/K/5  Staatsinrichting van Nederland 6. De kandidaat kan herkennen en benoemen hoe de Nederlandse rechtsstaat/staatsinrichting zich vanaf 1848 tot nu ontwikkeld heeft. 7. De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe de Nederlandse rechtsstaat/staatsinrichting zich vanaf 1848 tot nu ontwikkeld heeft.      eindterm 3080b5b5-6eed-4666-af91-4da1cebf9320 1.355
GS/K/6/8/BB GS/K/6  De industriële samenleving in Nederland    8. De kandidaat kan herkennen en benoemen hoe het proces van industrialisatie de Nederlandse samenleving ingrijpend veranderd heeft vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. 9. De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe het proces van industrialisatie de Nederlandse samenleving ingrijpend veranderd heeft vanaf de tweede helft van de 19e eeuw.      eindterm d43a57e7-2c1d-4313-bbb6-01849bfdfa2f 1.356
GS/K/7/10/BB GS/K/7  Sociale zekerheid en verzorgingsstaat in Nederland    10. De kandidaat kan herkennen en benoemen welke ontwikkelingen zich op het terrein van de sociale zekerheid vanaf de tweede helft van de 19e eeuw hebben voorgedaan die geleid hebben tot de huidige, herziene verzorgingsstaat. 11. De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke ontwikkelingen zich op het terrein van de sociale zekerheid vanaf de tweede helft van de 19e eeuw hebben voorgedaan die geleid hebben tot de huidige, herziene verzorgingsstaat.      eindterm 9f91cb2b-a185-49c5-beb5-2364ebb7e3e1 1.357
GS/K/8/12/BB GS/K/8  Cultureel - mentale ontwikkelingen in Nederland na 1945 12. De kandidaat kan herkennen en benoemen welke cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zich na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan en welke gevolgen deze ontwikkelingen gehad hebben voor de Nederlandse samenleving. 13. De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zich na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan en verklaren welke gevolgen deze ontwikkelingen gehad hebben voor de Nederlandse samenleving.      eindterm 976dbcc5-56eb-4094-90fb-efd75352acb5 1.358
GS/K/9/14/BB GS/K/9  De Koude Oorlog 14. De kandidaat kan het ontstaan, verloop en einde van de Koude Oorlog herkennen, en benoemen welke oorzaken en gevolgen deze periode voor de wereldpolitiek in het algemeen en voor Europa in het bijzonder heeft gehad. 15. De kandidaat kan het ontstaan, verloop en einde van de Koude Oorlog herkennen en beschrijven, en aangeven welke oorzaken en gevolgen deze periode voor de wereldpolitiek in het algemeen en voor Europa in het bijzonder heeft gehad.      eindterm f2ca1977-80b5-4763-8715-f5e14b058f3f 1.359
GS/K/10/16/BB GS/K/10 Historisch overzicht vanaf 1900 16. De kandidaat kan herkennen en benoemen welke belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in de Nederlandse en (West-)Europese geschiedenis vanaf 1900 hebben voorgedaan. 17. De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in de Nederlandse en (West-)Europese geschiedenis vanaf 1900 hebben voorgedaan. eindterm abfe1d6e-4e5e-43bb-9568-0a7a6095aa71 1.360
GS/V/1 GS/V/1  GS/V/1 Het Indonesisch – Nederlands conflict 1945 - 1949    18. De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe het proces van dekolonisatie en de weg naar onafhankelijkheid van Indonesië tussen 1945 en 1949 verliep en daarbij ingaan op de moeizame relatie tussen Nederland en Indonesië na de onafhankelijkheid van Indonesië.      eindterm 3261cc7e-2694-43ea-aba8-3c7ad6fad6c1 1.851
GS/V/2 GS/V/2  Nederland en Europa    19. De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de Europese samenwerking zich na 1945 ontwikkeld heeft en welke invloed de Europese Unie heeft op (de identiteit van) de Nederlandse samenleving.      eindterm 6cf89dc5-0c47-4714-a279-7876f1a862f6 1.852
GS/V/3 GS/V/3  De verhouding mens - milieu    20. De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke manier de mens in heden en verleden het milieu heeft beïnvloed en welke oplossingen er bedacht zijn en worden voor ontstane milieuproblemen.      eindterm 82f24a84-c427-462e-bc3b-fea298f565fa 1.853
GS/V/4 GS/V/4  Ontwikkeling van de gezondheidszorg in Nederland    21. De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de gezondheidszorg zich in Nederland vanaf de 19e eeuw ontwikkeld heeft en ingaan op moreel-ethische gevolgen daarvan.      eindterm 40dcec0c-bc69-4a3f-bb1b-b8066fbecd18 1.854
GS/V/5 GS/V/5  Verzuiling en ontzuiling in Nederland    22. De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke zuilen er in Nederland na de Tweede Wereldoorlog waren, welke gevolgen de verzuiling voor de Nederlandse samenleving had en verklaren op welke wijze het proces van ontzuiling de samenleving heeft veranderd.      eindterm 55ac168c-f594-40d0-988a-561404ddf2c8 1.855
GS/V/6 GS/V/6  Nederland en de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog    23. De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe de Verenigde Staten de Nederlandse samenleving na de Tweede Wereldoorlog hebben beïnvloed en ingaan op verschillen in opvatting tussen Nederlandse politieke stromingen over de rol van de Verenigde Staten in de internationale politiek.      eindterm 69a64b8d-6075-46c2-a92c-f4ca79f7759b 1.856
GS/V/7 GS/V/7  Verwerven en verwerken en verstrekken van informatie    24. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.      eindterm 61c70699-70b7-4fea-a6df-53eb27a3c76d 1.857
GS/V/8 GS/V/8  Vaardigheden in samenhang 25. De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm 3a68a696-eb40-4c6b-92fd-ab5dad655676 1.858
GS/V/9 GS/V/9  Drie thema’s bij het Historisch Overzicht vanaf 1900  CE    26. De kandidaat kan de volgende thema’s herkennen, beschrijven, verklaren en plaatsen in het kader van het Historisch Overzicht vanaf 1900. Het ontstaan en de gevolgen van: - het communisme in de Sovjetunie (1917-1941); - Indonesië als voorbeeld van dekolonisatie ( 1942-1949); - de brandhaard Israël/Palestina (1945-1979).      eindterm f3c32110-d5a1-4c4f-b4e8-fa687bf81467 1.859
GS/K/4/5/KB/GL/TL GS/K/4  De koloniale relatie Indonesië - Nederland 4. De kandidaat kan herkennen en benoemen op welke wijze de koloniale relatie tussen Indonesië en Nederland zich in de loop der tijd ontwikkeld heeft en bijgedragen heeft aan de dekolonisatie/onafhankelijkheid van Indonesië. 5. De kandidaat kan herkennen en beschrijven op welke wijze de koloniale relatie tussen Indonesië en Nederland zich in de loop der tijd ontwikkeld heeft en bijgedragen heeft aan de dekolonisatie/onafhankelijkheid van Indonesië.      eindterm 7229dc1a-324a-4060-87a8-bf902874ca39 1.845
GS/K/5/6/KB/GL/TL GS/K/5  Staatsinrichting van Nederland 6. De kandidaat kan herkennen en benoemen hoe de Nederlandse rechtsstaat/staatsinrichting zich vanaf 1848 tot nu ontwikkeld heeft. 7. De kandidaat kan herkennen en beschrijven hoe de Nederlandse rechtsstaat/staatsinrichting zich vanaf 1848 tot nu ontwikkeld heeft.      eindterm 3032d9b3-777c-4d30-babb-1906eb709dcd 1.846
GS/K/7/11/KB/GL/TL GS/K/7  Sociale zekerheid en verzorgingsstaat in Nederland    10. De kandidaat kan herkennen en benoemen welke ontwikkelingen zich op het terrein van de sociale zekerheid vanaf de tweede helft van de 19e eeuw hebben voorgedaan die geleid hebben tot de huidige, herziene verzorgingsstaat.   11. De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke ontwikkelingen zich op het terrein van de sociale zekerheid vanaf de tweede helft van de 19e eeuw hebben voorgedaan die geleid hebben tot de huidige, herziene verzorgingsstaat.      eindterm f819991c-50ce-4952-a44c-8086b2c684a9 1.847
GS/K/8/13/KB/GL/TL GS/K/8  Cultureel - mentale ontwikkelingen in Nederland na 1945    12. De kandidaat kan herkennen en benoemen welke cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zich na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan en welke gevolgen deze ontwikkelingen gehad hebben voor de Nederlandse samenleving. 13. De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zich na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan en verklaren welke gevolgen deze ontwikkelingen gehad hebben voor de Nederlandse samenleving.      eindterm 0469b27b-2172-4784-a85d-2e33f46068e8 1.848
GS/K/9/15/KB/GL/TL GS/K/9  De Koude Oorlog    14. De kandidaat kan het ontstaan, verloop en einde van de Koude Oorlog herkennen, en benoemen welke oorzaken en gevolgen deze periode voor de wereldpolitiek in het algemeen en voor Europa in het bijzonder heeft gehad. 15. De kandidaat kan het ontstaan, verloop en einde van de Koude Oorlog herkennen en beschrijven, en aangeven welke oorzaken en gevolgen deze periode voor de wereldpolitiek in het algemeen en voor Europa in het bijzonder heeft gehad.      eindterm 48697ec1-f539-4e4f-8179-d206553e5b1e 1.849
GS/K/10/17/KB/GL/TL GS/K/10 Historisch overzicht vanaf 1900 16. De kandidaat kan herkennen en benoemen welke belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in de Nederlandse en (West-)Europese geschiedenis vanaf 1900 hebben voorgedaan. 17. De kandidaat kan herkennen en beschrijven welke belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen zich in de Nederlandse en (West-)Europese geschiedenis vanaf 1900 hebben voorgedaan.      eindterm d53e8106-e0fc-4e65-9e0a-a89057af96a9 1.850
GR/V/Domein A Reflectie op klassieke teksten Domein A: Reflectie op klassieke teksten 1. De kandidaat kan zijn begrip van Griekse en klassieke, vertaalde teksten demonstreren door: - een ongeziene passage te vertalen; - een passage te analyseren en interpreteren vanuit taalkundig, letterkundig en/of cultuurhistorisch perspectief; - een passage te vergelijken vanuit taalkundig, letterkundig en/of cultuurhistorisch perspectief, met andere cultuuruitingen uit de oudheid of latere perioden. eindterm 2bfa3015-700a-4c7b-90b3-61977f70b85a 2.071
GR/V/Domein B Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur Domein B: Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur 2. De kandidaat kan door de bestudering van de Griekse en klassieke, vertaalde teksten tegen de achtergrond van de antieke cultuur: - onderwerpen actualiseren die voortvloeien uit een confrontatie tussen deze teksten en zijn eigen leven; - de eigentijdse cultuur plaatsen in het perspectief van de traditie waarin Europa staat. eindterm fdf63b87-c75a-4bbf-9c40-fc1a0c8254f7 2.072
GR/V/Domein C Zelfstandige oordeelsvorming Domein C: Zelfstandige oordeelsvorming 3. De kandidaat kan een beargumenteerde reactie op de voorgelegde teksten formuleren. eindterm 81754cb3-9b93-4bb3-8520-38d8df199e72 2.073
GR/V/Domein D Oriëntatie op studie en beroep Domein D: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 21949523-5c55-4c3d-8eae-a6fd6e0dba72 2.074
GR/V/Domein E Informatievaardigheden Domein E: Informatievaardigheden 4. De kandidaat kan gebruik maken van verschillende ICT-toepassingen bij Grieks. eindterm ba069d55-6957-4ca9-b1f5-3c00d6b4a265 2.075
PK/GR/A a. Competenties De kandidaat kan: a.1. beslissen en activiteiten uitvoeren; a.2. met mensen samenwerken en overleggen; a.3. verantwoordelijk, ethisch en integer, handelen; a.4. relaties opbouwen en netwerken onderhouden; a.5. communiceren en zich presenteren, zowel verbaal als non-verbaal; a.6. schriftelijk formuleren en rapporteren; a.7. beroepshandelingen uitvoeren en vakdeskundigheid toepassen; a.8. juiste materialen en middelen inzetten; a.9. analyseren en problemen oplossen; a.10. informatie verwerven en verwerken om iets doelgericht te onderzoeken; a.11. leren en reflecteren op eigen toekomstmogelijkheden en interesses; a.12. planmatig en doelgericht werken; a.13. op de behoefte en verwachtingen van de klant richten en klanten helpen; a.14. zorgdragen voor een goede werkuitvoering en een goede kwaliteit van het eindproduct; a.15. volgens instructie en geldende procedures werken; a.16. met veranderingen omgaan en zich aanpassen; a.17. omgaan met druk en tegenslagen; a.18. met productiemiddelen omgaan en bedrijfsmatig handelen   eindterm ccfeabfd-efe0-4175-afe8-40730eda6fc7 2.126
PK/GR/B b. Professionele kennis en vaardigheden. De kandidaat kan: b.1. het economisch en maatschappelijk belang van de groene sector benoemen en de positie van de sector op de wereldmarkt aangeven; b.2. de begrippen duurzaamheid en kringloop (her)kennen, benoemen en hanteren; b.3. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de groene sector; b.4. gangbare technieken hanteren ten behoeve van onderhoud, reparatie, creatie en realisatie in een groene context; b.5. gangbare gereedschappen, apparaten en materialen gebruiken en onderhouden in een groene context; b.6. met behulp van informatiebronnen organismen of groepen van organismen op naam brengen; b.7. onderzoeksactiviteiten verrichten en daarbij onder andere vergelijken, meten en wegen, resultaten verwerken en beargumenteerde keuzes maken; b.8. meerdere oplossingen en variaties bedenken voor een ontwerp of een probleem en daarbij verschillende denkstrategieën gebruiken. eindterm 45e651c0-48ad-4d74-b15f-0abc84caf438 2.136
PK/GR/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.   c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I.   de beoogde doelen II.  de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten zijn gepland op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies. eindterm 25852fef-71a8-4678-aeec-cbafc6127dd8 2.137
P/GR/01 Module 1: Groene productie (v2020) Taak: Groene productie mogelijk maken: o eigentijds en duurzaam ondernemen in de groene sector, rekening houdend met omgevingsfactoren o plantaardige producten vermeerderen, gewassen en planten telen en oogsten en daarbij gangbare technologie gebruiken o op bedrijfsmatige wijze dieren houden, hierbij verantwoorde keuzes maken, met respect voor welzijn, voedselveiligheid, milieu en duurzaamheid   eindterm c52fbd83-1e10-4ec4-b46e-44dc3323d332 2.155
P/GR/02 Module 2: Tussen productie en verkoop (v2020) Taak: o voedingsmiddelen uit de groene sector adequaat en verantwoord, hanteren, verwerken, bereiden en bewaren o in de groene sector geproduceerde producten, selecteren, verpakken en transport klaar maken o een voorraadbeheersysteem gebruiken, bestelopdrachten in ontvangst nemen en verwerken tot een order en goederen klaarzetten voor verzending   eindterm c60dc7dc-d641-4c49-a399-568d51822d0d 2.156
P/GR/03 Module 3: Vergroening stedelijke omgeving (v2020) Taak: o een ontwerp maken voor de inrichting van een groene ruimte met planten en dieren o een ontwerp voor een groene ruimte met planten en dieren realiseren o een groene ruimte onderhouden en beheren o anderen informeren over het belang van planten en dieren en over de herkomst van natuurlijke producten   eindterm ec51e359-597d-4854-8e7c-a3e34d124eb6 2.157
P/GR/04 Module 4: Groene vormgeving en verkoop (v2020) Taak: in de groene sector: o verschillen tussen winkelformules benoemen en hier naar handelen, producten bestellen en bestelde goederen en producten in ontvangst nemen, controleren, verwerken en verzorgen o ontwerpen, promoten, inrichten en presenteren aan de hand van een winkelformule o producten verkopen eindterm 4996b005-618d-4050-bc18-b942ad764597 2.158
PK/HBR/A a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. informatie op allerlei manieren overzichtelijk en efficiënt verzamelen, ordenen en weergeven; a.3. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.4. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.5. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.7. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.8. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.9. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.10. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.11. professionele hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.12. hygiënisch werken; a.13. milieubewust handelen; a.14. zich aan -en inpassen in een bedrijfscultuur; a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.16. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. eindterm 7c5af4f5-c062-4295-a5dd-d88014bcee08 2.127
PK/HBR/B b. Professionele kennis en vaardigheden De kandidaat kan: b.1. commerciële instelling tonen, met name: gast-, klant- en servicegerichte houding, aankleden/ inrichten b.2. communicatieve vaardigheden toepassen b.3. ICT-vaardigheden toepassen, correspondentie b.4. ondernemersvaardigheden tonen; onder meer initiatief tonen, creatief zijn b.5. werken volgens een bedrijfsformule b.6. innovatie: inspelen op trends en ontwikkelingen op het gebied van smaak, creatie en duurzaamheid de invloed van sociale media b.7. berekenen van opbrengsten, kosten en winst b.8. ambachtelijke vaardigheden tonen en koppelen aan moderne technieken/ productie methoden b.9. relevante technologische ontwikkelingen en vaardigheden toepassen b.10. wet-en regelgeving toepassen. eindterm aa5c6a7f-b820-43de-9381-a174d140a6aa 2.138
PK/HBR/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.   c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I.   de beoogde doelen II.  de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten zijn gepland op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies. eindterm 54ccbf99-288d-4337-9856-c3dc0fb5003d 2.139
P/HBR/01 Module 1: Gastheerschap (v2020) Taak: een bijdrage leveren aan: o de bedrijfsvoering binnen een Horeca-, Bakkerij- en Recreatie omgeving o een aangenaam verblijf en de verzorging van gasten o het uitvoeren van dagelijkse facilitaire werkzaamheden o het bereiden en serveren van kleine gerechten en drank   eindterm 26bee1ef-e67b-4d18-8d11-244c47563ffd 2.159
P/HBR/02 Module 2: Bakkerij (v2020) Taak: een bijdrage leveren aan het beheren en vervaardigen van bakkerijproducten eindterm fccc2d2f-f690-4c9b-a07f-7efc17342f02 2.160
P/HBR/03 Module 3: Keuken (v2020) Taak: een bijdrage leveren aan het beheren van horecaproducten en bereiden van gerechten in een horecagelegenheid eindterm b6167284-58c9-4ed6-942f-6d7facbe43fd 2.161
P/HBR/04 Module 4: Recreatie (v2020) Taak: een bijdrage leveren aan de uitvoering van recreatieve activiteiten eindterm d42e7905-785f-489e-a484-e44ba47fdbe5 2.162
KCV/V/Domein A Reflectie op de antieke cultuur KCV/V Domein A: Reflectie op de antieke cultuur 1. De kandidaat kan: - antieke cultuuruitingen van verschillende cultuurdomeinen plaatsen in hun historische en culturele context en met elkaar in verband brengen; - antieke cultuuruitingen onderzoeken en zijn bevindingen en oordelen presenteren. eindterm 25a1b2de-88f4-4ea0-ba2c-2b920466170c 1.835
KCV/V/Domein B Reflectie op relaties tussen de antieke en de latere Europese cultuur KCV/V Domein B: Reflectie op relaties tussen de antieke en de latere Europese cultuur 2. De kandidaat kan: - voorbeelden uit de receptiegeschiedenis herkennen, deze plaatsen in de context van die periode in de Europese cultuur en de van toepassing zijnde werkingsmechanismen noemen; - cultuuruitingen uit de latere Europese cultuur vergelijken met antieke cultuuruitingen en daarover een beargumenteerd oordeel geven. eindterm c5080496-9652-4357-ac8d-20e10053da80 1.836
KA/H KA/H Examenprogramma kunst (Algemeen) havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen). Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 320 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 120 studielasturen, door het bevoegd gezag te  bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm e25ca6ca-8f01-44a5-a423-09dcd33e64cc 1.909
KA/H/Domein A Vaktheorie KA/H Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Drama en maatschappij 1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context: - kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities; - samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel; - dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie. Subdomein A2: Betekenis 2. De kandidaat kan theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen. Subdomein A3: Beschouwen 3. De kandidaat kan: - een toneelvoorstelling informatief beschrijven; - aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is; - een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen. eindterm aa97360d-a588-4eb1-9a2d-86765ec5b236 1.910
KA/H/Domein B Praktijk KA/H Domein B: Praktijk Subdomein B1: Spelen 4. De kandidaat kan: - spelgegevens combineren en toepassen, en daarbij gebruikmaken van timing en verandering in stemgebruik en bewegingspatroon; - de interactie tussen personages intensiveren door middel van actie en reactie; - in spel een sociaal of maatschappelijk vraagstuk analyseren en onderzoeken. Subdomein B2: Vormgeven 5. De kandidaat kan: - een rol opbouwen gebaseerd op personage en dramatische ontwikkeling; - scènes creëren en realiseren, rekening houdend met de intentie ten opzichte van het publiek. Subdomein B3: Presenteren 6. De kandidaat kan: - spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen bij het optreden voor een publiek; - het publiek van de nodige informatie voorzien. eindterm ece2a35b-4e6e-4cae-af24-b926266912f5 1.911
KA/H/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. KA/H Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 00442726-75e7-4a37-9de7-e9b2ca883dff 1.912
KA/V KA/V Examenprogramma kunst (Algemeen) vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen). Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm d85e35fd-4420-4e8c-ad83-78db459f1460 1.913
KA/V/Domein A Vaktheorie KA/V Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Drama en maatschappij 1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context: - kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities; - samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel; - dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie en aangeven met welk doel ze zijn ingezet. Subdomein A2: Geschiedenis 2. De kandidaat kan de geschiedenis van het westerse theater in hoofdlijnen aangeven mede aan de hand van de historische en/of sociaalmaatschappelijke context van enkele speelstijlen en voor toneel belangrijke personen. Subdomein A3: Betekenis 3. De kandidaat kan: - de onderlinge samenhang benoemen van de belangrijkste theatrale begrippen; - theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen. Subdomein A4: Beschouwen 4. De kandidaat kan: - een toneelvoorstelling informatief beschrijven; - aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is; - een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen. eindterm 5d5d97fc-5376-46c1-a322-24f241efa3d2 1.914
KA/V/Domein B Praktijk KA/V Domein B: Praktijk Subdomein B1: Spelen 5. De kandidaat kan: - spelgegevens combineren en toepassen, en daarbij gebruikmaken van timing en verandering in stemgebruik en bewegingspatroon; - de interactie tussen personages intensiveren door middel van actie en reactie; - in spel een sociaal of maatschappelijk vraagstuk analyseren en onderzoeken. Subdomein B2: Vormgeven 6. De kandidaat kan: - een rol opbouwen gebaseerd op personage en dramatische ontwikkeling; - scènes creëren en realiseren, rekening houdend met de intentie ten opzichte van het publiek. Subdomein B3: Presenteren 7. De kandidaat kan: - spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen bij het optreden voor een publiek; - het publiek van de nodige informatie voorzien. eindterm a585d7cf-5dfa-4da8-bb68-c144a88f6391 1.915
KA/V/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. KA/V Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 34b676cb-8a97-49f0-b1cf-69916e6e627a 1.916
BV/H BV/H Examenprogramma kunst (Beeldende vorming) havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen). Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 320 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 120 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm 57a091b7-9392-44d3-9c7f-073d3b188215 1.917
BV/H/Domein A Vaktheorie BV/H Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Beeldend werk van kunstenaars en vormgevers 1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal het beeldend werk van kunstenaars en vormgevers beschrijven, onderzoeken en interpreteren, rekening houdend met visies, doelen, tijd, plaats, functie, kunstopvattingen, normen en waarden en de historische ontwikkeling. Subdomein A2: Beeldend werk van kunstenaars en vormgevers in relatie tot het eigen beeldend werk van de kandidaat 2. De kandidaat kan beeldend werk van kunstenaars en vormgevers onderzoeken in relatie tot het eigen beeldend werk. Subdomein A3: Eigen beeldend werk 3. De kandidaat kan eigen beeldend werk en werkproces beschrijven en beargumenteerd evalueren. eindterm ee0c5da2-5ba4-4371-8cbe-39dfa69340fb 1.918
BV/H/Domein B Praktijk BV/H Domein B: Praktijk 4. De kandidaat kan gestructureerde probleemstellingen met betrekking tot zowel autonome als toegepaste beeldende kunst en vormgeving onderzoeken en de daaruit ontwikkelde ideeën in een beeldende verwerking uitvoeren, daarbij beeldende middelen aanwenden in een doelgericht werkproces, en het werk zo presenteren dat de beschouwer inzicht krijgt in het werkproces. eindterm 010c2ff0-733c-46fc-bac5-022efafbb019 1.919
BV/H/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. BV/H Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm df281e24-3c35-43e8-a3b7-f5ae011baf21 1.920
KB/HV/Subdomein A1: Vaktheorie: Subdomein A1: Vaktheorie: Nr.1: beeldend werk van kunstenaars en vormgevers kunnen interpreteren, rekening houdend met verschillende voorwaarden en historie. Subdomein A2: Vaktheorie: Nr. 2: beeldend werk van kunstenaars en vormgevers onderzoeken in relatie tot het eigen beeldend werk van de kandidaat.     eindterm 73fbefbc-3790-4eef-9522-ecedfba94ef0 667
KB/HV/Domein B: Praktijk: Domein B: Praktijk: Nr. 4: een doelgerichte beeldende verwerking uitvoeren en het werk zo presenteren dat de beschouwer inzicht krijgt in het werkproces.             eindterm bf538cf9-92b7-4c7c-8744-be89849fca33 671
KB/HV/Subdomein A3: Vaktheorie Subdomein A3: Vaktheorie Nr. 3: eigen beeldend werk en werkproces beschrijven en beargumenteerd evalueren. Domein C: Oriëntatie op studie en beroep.     eindterm b70159b8-556d-4e25-900f-89db9dfd3e31 675
BV/K/1: Oriëntatie op leren en werken: BV/K/1: Oriëntatie op leren en werken: oriënteren op eigen loopbaan en belang van kunst en cultuur in de maatschappij. BV/K/3: Leervaardigheden: beheersen van beeldende vaardigheden die bijdragen tot het leervermogen. BV/K/5: Werkproces: reflecteren op werkproces. BV/V/1: Eindopdracht: reflecteren op werkproces; relatie leggen tussen eigen beeldend werk en van anderen aan de hand van aspecten van de voorstelling en van de vormgeving; relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context. BV/V/3: Vaardigheden in samenhang: toepassen van vaardigheden van het kerndeel.     eindterm b115b0d0-0a64-4fc8-b445-44824dd80764 912
BV/K/2: Basisvaardigheden: BV/K/2: Basisvaardigheden: toepassen van basisvaardigheden die betrekking hebben op informatie verwerven en verwerken. BV/V/3: Vaardigheden in samenhang: toepassen van vaardigheden van het kerndeel.     eindterm dabcbfc3-26d9-4936-bd54-41dc459e17f2 923
BV/K/2: Basisvaardigheden: BV/K/2: Basisvaardigheden: toepassen van basisvaardigheden die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, informatie verwerven en verwerken. BV/K/5: Werkproces, productief: probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren. BV/K/7: Beschouwen eigen werkstukken: benoemen en toelichten van aspecten van voorstelling en vormgeving in eigen beeldend werk; relatie leggen aan de hand van aspecten van de voorstelling en vormgeving tussen eigen werk en werk van anderen. BV/K/8: Beschouwen werkstukken van anderen: benoemen en toelichten in beeldend werk van anderen de functionaliteit, aspecten van de voorstelling, vormgeving en culturele en/of kunsthistorische context. BV/V/1: Eindopdracht, productief en reflectief: eigen probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren; aspecten van een voorstelling benoemen en toelichten in eigen beeldend werk; relatie leggen tussen eigen beeldend werk en van anderen aan de hand van aspecten van de voorstelling en van de vormgeving; relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context. BV/V/2: Zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken. BV/V/3: Vaardigheden in samenhang: toepassen van vaardigheden van het kerndeel.     eindterm 6b6a584e-8f37-46eb-b8bc-794c68803cc5 928
BV/K/1 BV/K/1  Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat oriënteert zich op het belang van beeldende kunst en vormgeving in de maatschappij.      eindterm b01631fe-a472-4e64-8780-a75d1f29c89a 1.520
BV/K/2 BV/K/2  Basisvaardigheden    2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.      eindterm 39496f46-6143-4cb2-a59c-5b5d9d2758e0 1.521
BV/K/3 BV/K/3  Leervaardigheden in de beeldende vakken  CE    3. De kandidaat beheerst een aantal strategische beeldende vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling van zijn leervermogen.      eindterm f5842c39-c175-419f-a94b-3829f8688192 1.522
BV/K/4 BV/K/4  Beeldend werk, productief    4. De kandidaat kan naar aanleiding van een probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.      eindterm 0260c2fc-c8dc-4637-a6d3-e63bcb325eb3 1.523
BV/K/5 BV/K/5  Werkproces, productief    5. De kandidaat kan een beeldende probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.    6. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.      eindterm 30c9c9fd-83c7-4cbf-b83c-c2fb3254dce1 1.524
BV/K/6 BV/K/6  Middelen, productief    7. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.      eindterm b8ed65a2-a4c2-4f80-ba17-6f25be6c9327 1.525
BV/K/7 BV/K/7  Beschouwen - eigen werk, reflectief    8. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten. 9. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.      eindterm 1f356d5e-bdc0-4cfc-9794-2582c633f18e 1.526
BV/K/8 BV/K/8  Beschouwen - werk van anderen, reflectief  CE    10. De kandidaat kan in beeldend werk van anderen de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling, de vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context benoemen en toelichten.      eindterm dc8f50e9-028e-4c12-8372-e27484277a0c 1.527
BV/V/1 BV/V/1  Eindopdracht, productief en reflectief  CE    11. De kandidaat kan naar aanleiding van een eigen probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken. 12. De kandidaat kan deze probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren. 13. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren. 14. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk. 15. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten. 16. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving. 17. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context.      eindterm 36f69e61-462e-480f-bfc5-eaab2dedd912 1.532
BV/V/2 BV/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    18. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken.      eindterm dee6cd84-c0f1-4c7d-8d98-4a46091472a1 1.533
BV/V/3 BV/V/3  Vaardigheden in samenhang  CE    19. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm 66237abb-5b75-41d3-9912-53faa4a4c9d3 1.534
BV/V BV/V Examenprogramma kunst (Beeldende vorming) vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm 0c4d4877-0674-4982-b58b-d1ef71c1fd88 1.921
BV/V/Domein A Vaktheorie BV/V Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Beeldend werk van kunstenaars en vormgevers 1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal het beeldend werk van kunstenaars en vormgevers beschrijven, onderzoeken en interpreteren, rekening houdend met visies, doelen, tijd, plaats, functie, kunstopvattingen, normen en waarden en de historische ontwikkeling. Subdomein A2: Beeldend werk van kunstenaars en vormgevers in relatie tot het eigen beeldend werk van de kandidaat 2. De kandidaat kan beeldend werk van kunstenaars en vormgevers onderzoeken in relatie tot het eigen beeldend werk. Subdomein A3: Eigen beeldend werk 3. De kandidaat kan eigen beeldend werk en werkproces beschrijven en beargumenteerd evalueren. eindterm 2f9245e3-f31b-4d29-9605-58fcf6e1be2e 1.922
BV/V/Domein B Praktijk BV/V Domein B: Praktijk 4. De kandidaat kan probleemstellingen met betrekking tot zowel autonome als toegepaste beeldende kunst en vormgeving onderzoeken en de daaruit ontwikkelde ideeën in een beeldende verwerking uitvoeren, daarbij beeldende middelen aanwenden in een doelgericht werkproces en het werk zo presenteren dat de beschouwer inzicht krijgt in het werkproces. eindterm fda52501-0134-4a5e-8991-f139b3152395 1.923
BV/V/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. BV/V Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm ebd91435-b836-4f18-8ca3-8b5bb7fec128 1.924
DA/H DA/H/Examenprogramma kunst (dans) havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen). Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 320 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 120 studielasturen, door het bevoegd gezag te  bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm 66a99f94-d928-4892-86dd-d07e99b14dbf 1.901
DA/H/Domein A Vaktheorie DA/H/Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Dans en maatschappij 1. De kandidaat kan zelfstandig onderzoek verrichten naar een onderwerp dat direct of indirect verband houdt met dans. Subdomein A2: Historische ontwikkeling 2. De kandidaat kan de verschillende stromingen en genres binnen de westerse theaterdans in grote lijnen benoemen en in verband brengen met de historischartistieke context, en dan omschrijven waaruit de invloed op en van nietwesterse (theater)dans bestaat. Subdomein A3: Analyseren 3. De kandidaat kan de choreografie van dansstukken c.q. fragmenten beschrijven, en met elkaar in verband brengen. eindterm 48c5524c-fe54-4cf5-8f7d-a8b9d9a7ddba 1.902
DA/H/Domein B Praktijk DA/H/Domein B: Praktijk Subdomein B1: Dansen 4. De kandidaat kan op een dansvaardige en expressieve wijze gevoelens, ervaringen en ideeën in dans vertalen en vertolken en daarbij doelgericht: - samenwerken met anderen; - muzikale, beeldende en dramatische elementen in dans hanteren. Subdomein B2: Vormgeven 5. De kandidaat kan: - alleen of samen met anderen improviseren vanuit opdrachten; - de resultaten structureren tot een herhaalbare compositie met gebruik van dansante aspecten en vormgevingsmiddelen. Subdomein B3: Presenteren 6. De kandidaat kan een danspresentatie maken voor publiek waarin dans- en vormgevingsvaardigheden functioneel zijn toegepast. eindterm 352e1be5-97f3-4674-8f30-7653066c77b0 1.903
DA/H/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. DA/H/Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 2692ae7d-bcbe-43dd-ab68-9e9441287077 1.904
Subdomein A1: Vaktheorie, Dans en maatschappij: Subdomein A1: Vaktheorie, Dans en maatschappij: Nr.1: onderzoek doen naar een onderwerp dat direct of indirect verband houdt met dans. Subdomein A2: Vaktheorie, Historische ontwikkeling: Nr.2: benoemen van de historisch-artistieke context en de invloed op en van niet-westerse (theater)dans. Subdomein A3: Vaktheorie, Analyseren: Nr. 3: de choreografie, de structuur en de inhoud van dansstukken c.q. fragmenten met elkaar in verband brengen; een eigen visie geven.             eindterm ee744dd7-a078-4c0b-9d08-6240567e8a94 666
Subdomein B1: Praktijk, Dansen: Subdomein B1: Praktijk, Dansen: Nr. 4: op een expressieve wijze gevoelens, ervaringen en ideeën in dans vertalen en uitvoeren; samenwerken; muzikale, beeldende en dramatische elementen in dans hanteren. Subdomein B2: Praktijk, Vormgeven: Nr. 5: improviseren en de resultaten structureren tot een herhaalbare compositie met gebruik van dansante aspecten en vormgevingsmiddelen.   Subdomein B3: Praktijk, Presenteren: Nr. 6: een danspresentatie maken voor publiek; en voorzien van beknopte publieksgerichte informatie.           eindterm 3c1b0040-d495-4d3f-b714-f4b4c94a50ed 672
Domein C: Kunst: dans Domein C: Oriëntatie op studie en beroep   eindterm 1c5674af-27a8-4fb2-b5b7-718a6c856b61 676
DA/K/1 DA/K/1  Oriëntatie op leren en werken    1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van dans in de maatschappij.      eindterm 78678bfc-d5e4-473b-9662-f5c21759fd99 1.504
DA/K/2 DA/K/2  Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.      eindterm 5cab2850-02a1-4fa4-85cb-9b47c9f322ea 1.505
DA/K/3 DA/K/3  Leervaardigheden in het vak dans 3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals: − vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen; − door middel van exploreren, improviseren en structureren een dansontwerp maken; − de creatieve en de expressieve mogelijkheden van het lichaam gebruiken; − functioneel gebruik maken van theatrale middelen.      eindterm bbea0b07-52d8-45ee-b44f-511eccc55e51 1.506
DA/K/4 DA/K/4  Dansen 4. De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen: − gevoelens, ervaringen, ideeën, situaties en gebeurtenissen; − bewegingsideeën; − een fysiek, muzikaal, dramatisch of beeldend thema; in dans vertalen, met gebruikmaking van de danselementen ruimte, tijd en kracht, met toepassing van lichaamsbesef en vormbewustzijn en met een persoonlijke lading.      eindterm 34851084-9519-4850-b9aa-38ae3e79a7bb 1.507
DA/K/5 DA/K/5  Vormgeven    5. De kandidaat kan: − exploreren en improviseren vanuit een gegeven bewegings- en/of thematisch gerichte opdracht; − door middel van improviseren, exploreren en structureren een dans ontwerpen en uitvoeren waarin een inhoudelijke ontwikkelingslijn zichtbaar wordt, en gebruik gemaakt wordt van de danselementen, structuur en theatrale middelen.      eindterm 5b1d0973-0eb6-46b0-95f3-a2f2fc0552ae 1.508
DA/K/6 DA/K/6  Presenteren 6. De kandidaat kan alleen of samen met anderen een zelfgemaakte en/of bestaande dans presenteren.      eindterm 187274aa-ae35-4997-b4d4-b013a8e35f79 1.509
DA/K/7 DA/K/7  Beschouwen 7. De kandidaat kan: − danssoorten onderkennen, hiervan kenmerken noemen en deze omschrijven; − van een dans de volgende elementen benoemen: • danser • dans (danselementen, lichaam, structuur) • geluid • ruimte/locatie • theatrale middelen • dansinhoud/betekenis en de samenhang ervan beargumenteren.      eindterm 5d1ef2eb-8019-4d59-96cc-fe5641ec3cd9 1.510
DA/K/8 DA/K/8  Dans en maatschappij 8. De kandidaat kan: − functies van dans herkennen en benoemen; − herkennen en beargumenteren dat dans het product is van een bepaalde cultuur/samenleving in een bepaalde tijdsperiode en leefomgeving; − verslag doen van een culturele activiteit, waarvan dans een expliciet onderdeel is.      eindterm 65089014-c62a-49d6-bea2-0bb1d908180d 1.511
DA/K/9 DA/K/9  Dans en andere kunsten 9. De kandidaat kan: − binnen een dansproductie andere kunstvormen dan dans herkennen en de functies ervan benoemen; − zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.      eindterm c7b191df-fa42-4c95-8b2a-1671106ce38f 1.512
DA/V/1 DA/V/1  Eindopdracht 10. De kandidaat kan een zelf gemaakte en een bestaande dans presenteren aan een ander publiek dan de eigen klas, waarbij: − de betekenis/dansinhoud en de zeggingskracht naar voren komen; − rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van het publiek.      eindterm 7c71a973-8a22-4899-94c4-fbd9327e686a 1.515
DA/V/2 DA/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    11. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken, bijvoorbeeld in het kader van het sectorwerkstuk.      eindterm 8ba04f2f-7e7b-4f1b-841e-967205a3d25f 1.516
DA/V/3 DA/V/3  Vaardigheden in samenhang 12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm 3eebc659-0f69-4249-8a60-3723e157793a 1.517
DA/V Examenprogramma kunst (dans) vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen). Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm 1c71b99f-85ae-4236-b3f9-7cf39e76c563 1.905
DA/V/Domein A Vaktheorie DA/V/Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Dans en maatschappij 1. De kandidaat kan zelfstandig onderzoek verrichten naar een onderwerp dat direct of indirect verband houdt met dans, waarbij zowel de historisch-artistieke als cultureel-maatschappelijke en religieuze verbanden belicht worden. Subdomein A2: Historische ontwikkeling 2. De kandidaat kan de verschillende stromingen en genres binnen de westerse theaterdans benoemen en in verband brengen met de historisch-artistieke, cultureel-maatschappelijke en/of religieuze context, en kan omschrijven waaruit de invloed op en van niet-westerse (theater)dans bestaat. Subdomein A3: Analyseren 3. De kandidaat kan de choreografie, de structuur en de inhoud van dansstukken c.q. fragmenten beschrijven, met elkaar in verband brengen en op basis daarvan een eigen visie geven. eindterm 938620a5-0d97-4985-bf6f-126d19f4aff1 1.906
DA/V/Domein B Praktijk DA/V/Domein B: Praktijk Subdomein B1: Dansen 4. De kandidaat kan op een dansvaardige en expressieve wijze gevoelens, ervaringen en ideeën in dans vertalen en vertolken en daarbij doelgericht: - samenwerken met anderen; - muzikale, beeldende en dramatische elementen in dans hanteren. Subdomein B2: Vormgeven 5. De kandidaat kan: - alleen of samen met anderen improviseren vanuit opdrachten; - de resultaten structureren tot een herhaalbare compositie met gebruik van dansante aspecten en vormgevingsmiddelen; - uitgangspunten, doel, keuzes en werkproces toelichten en verantwoorden. Subdomein B3: Presenteren 6. De kandidaat kan een danspresentatie: - maken voor publiek met het accent op overdracht, vorm en inhoud van het gebodene; - voorzien van beknopte publieksgerichte informatie. eindterm 3bc8e469-dc52-4cee-9428-003193f51513 1.907
DA/V/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. DA/V/Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm ef2b91d7-5fc8-4a61-966d-773ee83dc8ea 1.908
DR/H DR/H/Examenprogramma kunst (drama) havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen). Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 320 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 120 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm 655f78bd-6d1c-47d3-93b0-32659b201ca6 1.893
DR/H/Domein A Vaktheorie DR/H/Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Drama en maatschappij 1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context: - kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities; - samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel; - dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie. Subdomein A2: Betekenis 2. De kandidaat kan theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen. Subdomein A3: Beschouwen 3. De kandidaat kan: - een toneelvoorstelling informatief beschrijven; - aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is; - een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen. eindterm 332b9b9c-7f42-4f66-a6a1-5b8aa1b30617 1.894
DR/H/Domein B Praktijk DR/H/Domein B: Praktijk Subdomein B1: Spelen 4. De kandidaat kan: - spelgegevens combineren en toepassen, en daarbij gebruikmaken van timing en verandering in stemgebruik en bewegingspatroon; - de interactie tussen personages intensiveren door middel van actie en reactie; - in spel een sociaal of maatschappelijk vraagstuk analyseren en onderzoeken. Subdomein B2: Vormgeven 5. De kandidaat kan: - een rol opbouwen gebaseerd op personage en dramatische ontwikkeling; - scènes creëren en realiseren, rekening houdend met de intentie ten opzichte van het publiek. Subdomein B3: Presenteren 6. De kandidaat kan: - spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen bij het optreden voor een publiek; - het publiek van de nodige informatie voorzien. eindterm 92e865c3-60ac-428d-80b9-259e2a157104 1.895
DR/H/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. DR/H/Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 9d137723-6323-4683-bf76-9940e38ad6de 1.896
Subdomein A1: Vaktheorie, Drama en maatschappij: Subdomein A1: Vaktheorie, Drama en maatschappij: Nr. 1: op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context:  kenmerken en dramatische aspecten benoemen, samenhang aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel, dramatische aspecten van televisie benoemen, het doel hiervan aangeven. Voor havo Subdomein A2: Vaktheorie, Betekenis: Nr. 2:   theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen. Voor havo Subdomein A3: Vaktheorie: Nr. 3: beschouwen; een toneelvoorstelling beschrijven, met welke theatrale middelen de inhoud is vormgegeven en eigen mening geven over de effectiviteit van deze middelen. Subdomein A2: Vaktheorie, Geschiedenis: Nr. 2: de geschiedenis van het westerse theater in hoofdlijnen, aangeven van enkele speelstijlen en voor toneel belangrijke personen. Subdomein A3: Vaktheorie, Betekenis: Nr. 3: theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen; onderlinge samenhang benoemen van de belangrijkste theatrale begrippen. Subdomein A4: Vaktheorie: Nr. 4: beschouwen; een toneelvoorstelling beschrijven, met welke theatrale middelen de inhoud is vormgegeven en eigen mening geven over de effectiviteit van deze middelen.     eindterm 4a61647f-c698-448a-a92c-4924d64ac3f8 670
Subdomein B1: Praktijk, Spelen: Subdomein B1: Praktijk, Spelen: Havo nr. 4: vwo nr.5: spelgegevens combineren en toepassen in stemgebruik en bewegingspatroon; de interactie tussen personages intensiveren; in spel een sociaal of maatschappelijk vraagstuk analyseren en onderzoeken. Subdomein B2: Praktijk, Vormgeven: Havo nr. 5, vwo nr. 6: een rol opbouwen gebaseerd op personage en dramatische ontwikkeling, scènes creëren en realiseren voor publiek. Subdomein B3: Praktijk, Presenteren: Nr. 7: spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen voor publiek en de toeschouwer van de nodige informatie voorzien.     eindterm eec36840-02b7-497c-9937-b55679c1cbc9 673
Subdomein A3: Vaktheorie: Subdomein A3: Vaktheorie: Nr. 3: een toneelvoorstelling beschrijven, met welke theatrale middelen de inhoud is vormgegeven en een eigen mening geven over de effectiviteit van deze middelen. Beschouwen: Nr. 4: een toneelvoorstelling beschrijven, met welke theatrale middelen de inhoud is vormgegeven en een eigen mening geven over de effectiviteit van deze middelen. Subdomein A4: Vaktheorie: Nr. 4: beschouwen; een toneelvoorstelling beschrijven, met welke theatrale middelen de inhoud is vormgegeven en een eigen mening geven over de effectiviteit van deze middelen. Domein C: Oriëntatie op studie en beroep        eindterm 6099c262-4631-4483-afc3-e600661d8176 677
BV/K/2: Basisvaardigheden: BV/K/2: Basisvaardigheden: toepassen van basisvaardigheden die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, informatie verwerven en verwerken. BV/K/3: Leervaardigheden: beheersen van beeldende vaardigheden die bijdragen tot het leervermogen. BV/K/4: Beeldend werk, productief: naar aanleiding van een probleemstelling beeldend werk maken. BV/K/5: Werkproces, productief: probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren; werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, werkproces vastleggen, ordenen, presenteren en er op reflecteren. BV/K/6: Middelen, productief: aspecten zo gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het beeldend werk. BV/V/1: Eindopdracht, productief en reflectief: naar aanleiding van een eigen probleemstelling beeldend werk maken; eigen probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren; werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, werkproces vastleggen, ordenen, presenteren en er op reflecteren; aspecten zo gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk. BV/V/3: Vaardigheden in samenhang: toepassen van vaardigheden van het kerndeel.     eindterm 9dbf28c2-3da8-48b9-bf29-53cdc792400c 917
DR/K/1 DR/K/1  Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van drama in de maatschappij.      eindterm cad87be5-6db2-4fb9-bbca-0219a0b18b04 1.559
DR/K/2 DR/K/2  Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, (samen)werken en informatie verwerven en verwerken. eindterm 9bd43b9b-47ae-4a00-9b09-de6c79f67575 1.560
DR/K/3 DR/K/3  Leervaardigheden in het vak drama 3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals: − vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen; − de eigen expressieve mogelijkheden van lichaam en stem gebruiken; − functioneel gebruik maken van spelgegevens en vormingsmiddelen.      eindterm 915b5dd9-c62d-4a2c-bdb5-95976765ea2d 1.561
DR/K/4 DR/K/4  Spelen 4. De kandidaat kan in spel: − non-verbale en verbale uitingsmogelijkheden toepassen; − spelgegevens geïntegreerd gebruiken; − zelf functioneel spelimpulsen geven en reageren op spelimpulsen van anderen.   eindterm ca0d4d84-f1b3-491c-9a78-d3e3cebb0c63 1.562
DR/K/5 DR/K/5  Vormgeven 5. De kandidaat kan vanuit een bron een spel vormgeven, waarbij functioneel gebruik gemaakt wordt van: spelgegevens, rolopbouw, spelopbouw en materiële vormgevingsmiddelen.      eindterm 632491c5-d003-4368-9d23-75078771ea08 1.563
DR/K/6 DR/K/6  Presenteren 6. De kandidaat kan alleen en/of in samenwerking met anderen bij een optreden voor een publiek: − spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen; − een tekst presenteren met gebruikmaking van voordrachtstechnieken.      eindterm 237800d9-fe09-43f0-bcdf-7641d09cde40 1.564
DR/K/7 DR/K/7  Beschouwen 7. De kandidaat kan een beschouwing geven op het eigen spel en op het spel van anderen door: − te benoemen hoe de inhoud met theatrale middelen is vormgegeven; − te benoemen hoe de verwijzingen naar de werkelijkheid in spel zijn vormgegeven; − dramatische technieken te benoemen die gebruikt worden op andere plaatsen dan het theater.      eindterm e7c0f40b-7729-4686-9359-46cddabc9fd8 1.565
DR/K/8 DR/K/8  Drama en maatschappij 8. De kandidaat kan: − kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities van verschillende culturen en deze spelmatig presenteren; − aangeven wat de functies van drama kunnen zijn en daar voorbeelden van noemen.      eindterm c52a7850-e258-4d24-9e77-757fc6e9a4f4 1.566
DR/K/9 DR/K/9  Drama en andere kunsten 9. De kandidaat kan: − binnen een dramaproductie andere kunstvormen dan drama herkennen en de functies ervan benoemen; − zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.      eindterm dbfc584d-dd48-4335-866d-ba174bc36127 1.567
DR/V/1 DR/V/1  Eindopdracht 10. De kandidaat kan zelfstandig een spel vormgeven en kan dit spel presenteren voor een ander publiek dan de eigen klasgenoten.      eindterm b9ee742a-e9c7-4392-94b2-2a8dab444bb8 1.571
DR/V/2 DR/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    11. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.      eindterm 6182aba3-8b6f-4cd2-a676-8123f6f07eb9 1.572
DR/V/3 DR/V/3  Vaardigheden in samenhang 12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm 790b9e9e-5229-4cad-86f7-4774a27423cb 1.573
DR/V DR/V Examenprogramma kunst (drama) vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen). Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm 5892c146-53d1-4264-9221-89db8b91d459 1.897
DR/V/Domein A Vaktheorie DR/V/Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Drama en maatschappij 1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context: - kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities; - samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel; - dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie en aangeven met welk doel ze zijn ingezet. Subdomein A2: Geschiedenis 2. De kandidaat kan de geschiedenis van het westerse theater in hoofdlijnen aangeven mede aan de hand van de historische en/of sociaalmaatschappelijke context van enkele speelstijlen en voor toneel belangrijke personen. Subdomein A3: Betekenis 3. De kandidaat kan: - de onderlinge samenhang benoemen van de belangrijkste theatrale begrippen; - theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen. Subdomein A4: Beschouwen 4. De kandidaat kan: - een toneelvoorstelling informatief beschrijven; - aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is; - een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen. eindterm aa2b50c6-500b-43f4-acfa-4e3aad5c4930 1.898
DR/V/Domein B Praktijk DR/V/Domein B: Praktijk Subdomein B1: Spelen 5. De kandidaat kan: - spelgegevens combineren en toepassen, en daarbij gebruikmaken van timing en verandering in stemgebruik en bewegingspatroon; - de interactie tussen personages intensiveren door middel van actie en reactie; - in spel een sociaal of maatschappelijk vraagstuk analyseren en onderzoeken. Subdomein B2: Vormgeven 6. De kandidaat kan: - een rol opbouwen gebaseerd op personage en dramatische ontwikkeling; - scènes creëren en realiseren, rekening houdend met de intentie ten opzichte van het publiek. Subdomein B3: Presenteren 7. De kandidaat kan: - spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen bij het optreden voor een publiek; - het publiek van de nodige informatie voorzien. eindterm 7ca3a02f-db43-4a6d-bf75-800a6a5abb0f 1.899
DR/V/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. DR/V/Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 2285fbf4-b2bc-422e-9847-ed42c8b84f03 1.900
MU/H MU/H Examenprogramma muziek havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op domein A. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op: - de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 619929a9-7bd4-4a0c-b2f5-a6521302e3c2 1.889
MU/H/Domein A Vaktheorie MU/H Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Waarnemen en weten 1. De kandidaat kan: - een muzieknotatie volgen; - klinkende eenvoudige ritmes en melodiefragmenten noteren; - muzikale aspecten onderscheiden, herkennen en benoemen naar aanleiding van klinkende voorbeelden. Subdomein A2: Analyseren en interpreteren 2. De kandidaat kan: - muzikale structuren analyseren naar aanleiding van klinkende voorbeelden; - muzikale processen interpreteren; - zijn muzikale beleving in verband brengen met de muzikale aspecten, betekenissen en functies van muziek. Subdomein A3: Muziek en cultuur 3. De kandidaat kan: - historische ordening aanbrengen in de ontwikkeling van muzikale vormen en genres; - hem bekende werken plaatsen in de ontwikkelingslijn van muzieksoorten, in een geografische regio en een maatschappelijke context en kan daarbij verbanden leggen tussen  cultuurhistorische perioden; - hem onbekende werken plaatsen op basis van culturele, stilistische, vormtechnische en muziekhistorische argumenten; - op basis van een probleemstelling een onderwerp uit de muziekgeschiedenis/muziekcultuur uitwerken en daarover verslag doen. eindterm 5b9288aa-3168-4524-bade-ddfd4df905c2 1.890
MU/H/Domein B Praktijk MU/H Domein B: Praktijk Subdomein B1: Zingen en spelen 4. De kandidaat kan: - een gevarieerd repertoire uitvoeren van één- en meerstemmige vocale en/of instrumentale muziek; - onvoorbereid een melodie/muziekstuk spelen; - een melodie treffen. Subdomein B2: Improviseren en componeren 5. De kandidaat kan muziek improviseren en componeren, vanuit een probleemstelling en met weloverwogen gebruik van muzikale materialen en middelen. eindterm 64cb3b6c-0c42-466e-8be3-c09d611ca0d2 1.891
MU/H/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. MU/H Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 1b9f5482-4fb1-4255-aacf-d87d796787d6 1.892
Subdomein A1: Vaktheorie, Waarnemen en weten: Subdomein A1: Vaktheorie, Waarnemen en weten: Nr.1: een muzieknotatie (en partituur) volgen, ritmes en melodiefragmenten noteren, muzikale aspecten onderscheiden, herkennen en benoemen. Subdomein A2: Vaktheorie, Analyseren en interpreteren: Nr. 2: muzikale structuren analyseren; muzikale processen interpreteren; eigen muzikale beleving in verband brengen met de muzikale aspecten, betekenissen en functies van muziek. Subdomein A3: Vaktheorie, Muziek en cultuur: Nr. 3: historische ordening aanbrengen in de ontwikkeling van muzikale vormen en genres; bekende werken plaatsen in de ontwikkelingslijn van muzieksoorten en verbanden leggen tussen cultuurhistorische perioden; onbekende werken beargumenteerd plaatsen.           eindterm 72170569-732b-433b-8c78-4808d726a4dd 669
Subdomein B1: Praktijk, Zingen en spelen: Subdomein B1: Praktijk, Zingen en spelen: Nr. 4: een gevarieerd repertoire uitvoeren en onvoorbereid een melodie/muziekstuk spelen. Subdomein B2: Praktijk, Improviseren en componeren: Nr. 5: muziek improviseren en componeren vanuit een probleemstelling, gebruik van muzikale materialen en middelen.         eindterm 2abeeb7d-0260-47f8-b272-bb2ed06f4d6e 674
Domein C: Oriëntatie op studie en beroep Domein C: Oriëntatie op studie en beroep       eindterm ecff35d3-ee1d-4715-9788-483ae8eb024f 678
MU/K/1: Oriëntatie op leren en werken: MU/K/1: Oriëntatie op leren en werken: oriënteren op eigen loopbaan en belang van kunst en cultuur in de maatschappij. MU/K/3: Leervaardigheden: toepassen van vaardigheden in het vak drama die bijdragen tot het eigen leervermogen. MU/K/8: Muziek en maatschappij: muziek in verband brengen met betekenissen en functies ervan, eigen muzikale beleving verwoorden en bij het bepalen van een eigen standpunt de meningen van anderen betrekken en in argumentatie verwijzen naar muzikale aspecten en/of functies en betekenissen van muziek. MU/V/3: Vaardigheden in samenhang: toepassen van vaardigheden van het kerndeel.     eindterm 1a5d5d37-91a4-49fb-979d-acda68954c35 915
MU/K/2: Basisvaardigheden: MU/K/2: Basisvaardigheden: toepassen van basisvaardigheden die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, informatie verwerven en verwerken. MU/K/3: Leervaardigheden: toepassen van vaardigheden in het vak muziek die bijdragen tot het eigen leervermogen. MU/K/4: Musiceren: zingen en spelen: alleen en samen, één of meerstemmige, vocale/instrumentale muziek uitvoeren. MU/K/5: Vormgeven: alleen en samen muziek improviseren/componeren, vanuit een (buiten)muzikaal gegeven met weloverwogen gebruik van klankeigenschappen en vormprincipes. MU/K/6: Presenteren: alleen en of in samenwerking een musiceerrepertoire presenteren. MU/V/1: Eindopdracht: zelfstandig een presentatie verzorgen over een onderwerp de muziek betreffend en van een eigen muziekwerk voor een ander publiek dan de eigen groep/klas. MU/V/3: Vaardigheden in samenhang: toepassen van vaardigheden van het kerndeel.     eindterm ae4eba27-6a48-40fd-8df3-12ffa29f0c07 921
MU/K/2: Basisvaardigheden: MU/K/2: Basisvaardigheden: toepassen van basisvaardigheden die betrekking hebben op informatie verwerven en verwerken.   MU/K/9: Muziek en andere kunsten: binnen een muziekproductie andere kunstvormen dan muziek herkennen en de functies ervan benoemen, zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen. MU/V/3: Vaardigheden in samenhang: toepassen van vaardigheden van het kerndeel.     eindterm f6aea06e-2194-47e5-a399-f3ec162f3a70 926
MU/K/2: Basisvaardigheden: MU/K/2: Basisvaardigheden: toepassen van basisvaardigheden die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, informatie verwerven en verwerken. MU/K/7: Beluisteren: notatie van ritmische en melodische fragmenten volgen en muzikale begrippen herkennen, benoemen en/of noteren. MU/K/8: Muziek en maatschappij: muziek in verband brengen met betekenissen en functies ervan, eigen muzikale beleving verwoorden en bij het bepalen van een eigen standpunt de meningen van anderen betrekken en in argumentatie verwijzen naar muzikale aspecten en/of functies en betekenissen van muziek. MU/K/9: Muziek en andere kunsten: binnen een muziekproductie andere kunstvormen dan muziek herkennen en de functies ervan benoemen, zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling. MU/V/1: Eindopdracht: zelfstandig verslag doen van onderzoek op het gebied van muziek in relatie tot minimaal één andere kunstvorm. MU/V/2: Zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken. MU/V/3: Vaardigheden in samenhang: toepassen van vaardigheden van het kerndeel.     eindterm 4b5c5057-ac76-46fe-b2e8-8161c520452d 931
MU/K/1 MU/K/1  Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van muziek in de maatschappij.      eindterm 56915073-d040-4d24-8a31-b5a783bdc60a 1.592
MU/K/2 MU/K/2  Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.      eindterm f30c5071-077b-402f-bc96-4e9ae062a3a2 1.593
MU/K/3 MU/K/3  Leervaardigheden in het vak muziek 3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen, zoals het toepassen van muzikale begrippen, die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen.      eindterm 6260e9f8-d7fb-4122-b54d-abd413740f54 1.594
MU/K/4 MU/K/4  Musiceren: zingen en spelen 4. De kandidaat kan individueel en in samenwerking met anderen een representatief repertoire uitvoeren van één- en meerstemmige, vocale/instrumentale muziek.      eindterm 0702d2ac-6096-4f28-9761-9d2f5083d1e8 1.595
MU/K/5 MU/K/5  Vormgeven: improviseren/componeren 5. De kandidaat kan individueel en in samenwerking met anderen muziek improviseren/componeren, vanuit een (buiten)muzikaal gegeven met weloverwogen gebruik van klankeigenschappen en vormprincipes.      eindterm 39bc0639-4089-4bdc-97cf-ed7b6f431189 1.596
MU/K/6 MU/K/6  Presenteren 6. De kandidaat kan alleen en/of in samenwerking met anderen (onderdelen van) het musiceerrepertoire presenteren.      eindterm a7927fc9-5392-4b54-a8d1-cbc125f07781 1.597
MU/K/7 MU/K/7  Beluisteren 7. De kandidaat kan: − de notatie van ritmische en melodische fragmenten volgen; − muzikale begrippen herkennen, benoemen en/of noteren.      eindterm e31fab77-8545-4cdb-b7e3-d4668f7b4125 1.598
MU/K/8 MU/K/8  Muziek en maatschappij 8. De kandidaat kan: − muziek in verband brengen met betekenissen en functies ervan; − de eigen muzikale beleving verwoorden en bij het bepalen van een eigen standpunt de meningen van anderen betrekken; − in de argumentatie voor het standpunt verwijzen naar muzikale aspecten en/of functies en betekenissen van muziek.      eindterm 77838363-db77-49ed-9272-d32ab98cf920 1.599
MU/K/9 MU/K/9  Muziek en andere kunsten 9. De kandidaat kan: − binnen een muziekproductie andere kunstvormen dan muziek herkennen en de functies ervan benoemen; − zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meerdere kunstvormen aan de orde komen en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.      eindterm 38dfe1a2-7a7d-4be0-bd3f-9871ad42a776 1.600
MU/V/1 MU/V/1  Eindopdracht 10. De kandidaat kan zelfstandig: − een presentatie verzorgen over een onderwerp de muziek betreffend; − een presentatie verzorgen van een eigen muziekwerk voor een ander publiek dan de eigen groep/klas; − verslag doen van onderzoek dat hij/zij heeft verricht op het gebied van muziek in relatie tot minimaal één van de andere kunstvormen.      eindterm f93f61bb-bef3-49c1-80d1-76d0becffc73 1.603
MU/V/2 MU/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    11. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.      eindterm ecf04683-f4af-4836-be78-a93ba0e6b10b 1.604
MU/V/3 MU/V/3  Vaardigheden in samenhang 12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm 8e3c7522-7bec-4fd4-9ed3-22466c3bc4bc 1.605
MU/V/Domein A Vaktheorie MU/V Domein A: Vaktheorie Subdomein A1: Waarnemen en weten 1. De kandidaat kan: - een muzieknotatie en een partituur volgen; - klinkende eenvoudige ritmes en melodiefragmenten noteren; - muzikale aspecten onderscheiden, herkennen en benoemen naar aanleiding van klinkende voorbeelden. Subdomein A2: Analyseren en interpreteren 2. De kandidaat kan: - muzikale structuren analyseren naar aanleiding van klinkende voorbeelden; - muzikale processen interpreteren; - zijn muzikale beleving in verband brengen met de muzikale aspecten, betekenissen en functies van muziek. Subdomein A3: Muziek en cultuur 3. De kandidaat kan: - historische ordening aanbrengen in de ontwikkeling van muzikale vormen en genres; - hem bekende werken plaatsen in de ontwikkelingslijn van muzieksoorten, in een geografische regio en een maatschappelijke context en kan daarbij verbanden leggen tussen cultuurhistorische perioden; - hem onbekende werken plaatsen op basis van culturele, stilistische, vormtechnische en muziekhistorische argumenten. eindterm d08e8a56-62ec-48ac-a11a-8f3f34a289f0 1.885
MU/V/Domein B Praktijk MU/V Domein B: Praktijk Subdomein B1: Zingen en spelen 4. De kandidaat kan: - een gevarieerd repertoire uitvoeren van één- en meerstemmige vocale en/of instrumentale muziek; - onvoorbereid een melodie/muziekstuk spelen. Subdomein B2: Improviseren en componeren 5. De kandidaat kan muziek improviseren en componeren, vanuit een probleemstelling en met weloverwogen gebruik van muzikale materialen en middelen. eindterm 473005f1-8adc-4a71-a691-4da6fc1dfc6a 1.886
MU/V/Domein C Oriëntatie op studie en beroep. MU/V Domein C: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 4ff75cbd-4dae-4ba3-8b66-78b1a49cbb2d 1.887
MU/V MU/V Examenprogramma kunst (muziek) vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit dat van het vak kunst (algemeen) en de volgende domeinen: Domein A Vaktheorie Domein B Praktijk Domein C Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen Het centraal examen is dat van het vak kunst (algemeen). Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op de domeinen A, B en C, en indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. Indien de kandidaat met het profiel cultuur en maatschappij het eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (beeldende vormgeving, muziek, drama of dans) in het vrije deel om te voldoen aan de verplichting dat in dat vrije deel het eindexamen tenminste één vak omvat met een normatieve studielast van tenminste 440 studielasturen, en hij ook als onderdeel van het profieldeel reeds eindexamen aflegt in een van de vakken kunst (een andere variant), wordt het onderdeel kunst (algemeen) in het examen (en dus het centraal examen) vervangen door aanvullende verdiepende en/of verbredende onderdelen op het gebied van kunst in het schoolexamen met een normatieve studielast van ten minste 160 studielasturen, door het bevoegd gezag te bepalen. Er is dan dus geen centraal examen. eindterm 436f9a5b-bf6f-4675-8974-e92e1320039c 1.888
KV1/K/1 KV1/K/1  Oriëntatie op leren en werken    1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van kunst en cultuur in de maatschappij.      eindterm 0636ba2a-f72a-4ddb-ad23-e377591fc3b5 1.577
KV1/K/2 KV1/K/2  Basisvaardigheden    2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.      eindterm 91895f66-c198-4d6d-9723-a6cd0e98c4e6 1.578
CKV/K/3 CKV/K/3  Culturele activiteiten    3. De kandidaat heeft actief deelgenomen aan tenminste 4 culturele activiteiten en kan een eigen keuze maken uit het culturele aanbod. De culturele activiteiten zijn daarbij gespreid over verschillende kunstdisciplines.      eindterm 82c8a7f7-4422-477e-a5c0-ffd4457645d1 1.579
CKV/K/4 CKV/K/4  Reflectie en kunstdossier    4. De kandidaat kan met betrekking tot de culturele activiteiten: - een kunstdossier samenstellen waarbij hij verslag doet van het voorbereiden en ondernemen van culturele activiteiten; - aan de hand daarvan reflecteren op zijn ervaringen, interpretaties en waarderingen.      eindterm fe74f501-3fd8-4396-be02-3bfcfceb85cb 1.580
KV1/L KV1 Leeswijzer Hieronder worden de examenprogramma's per vak gedefinieerd in exameneenheden met de bijbehorende code. Elke exameneenheid bestaat uit één of meer eindtermen. In de kolommen achter de exameneenheden staat aangegeven door middel van een X voor welke leerweg de exameneenheid deel uitmaakt van het examenprogramma. Het centraal examen voor een vak of programma per leerweg heeft betrekking op die exameneenheden die aangeduid zijn met CE. Het schoolexamen voor een bepaalde leerweg heeft voor de algemeen vormende vakken in ieder geval betrekking op exameneenheid K3 (Leervaardigheden) en voor de beroepsgerichte vakken op exameneenheid K2 (Professionele vaardigheden). Daarnaast heeft het schoolexamen betrekking op: - ten minste die exameneenheden die deel uitmaken van het examenprogramma van deze leerweg voor zover zij niet deel uitmaken van het centraal examen voor die leerweg; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest een of meer exameneenheden waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen die relevant zijn voor het betreffende vak of examenprogramma, die per kandidaat kunnen verschillen. Voor bepaalde groepen van verwante beroepsgerichte programma’s in de GL is er een gemeenschappelijk CE. De exameneenheden die horen bij deze gemeenschappelijke centrale examens in de GL hebben een nieuwe vakcode gekregen gevolgd door een nummering in Romeinse cijfers. Dit betreft de volgende groepen van beroepsgerichte programma’s GL: - Metaaltechniek, elektrotechniek, installatietechniek, instalektro, metalektro (met als codering voor het gezamenlijke CE: MEI) - Uiterlijke verzorging, verzorging, zorg-en-welzijn-breed (met als codering voor het gezamenlijke CE: ZWG) - Consumptief-breed, consumptief-horeca, consumptief-bakken (met als codering voor het gezamenlijke CE: COG) - Administratie, handel en administratie, handel en verkoop, mode en commercie (met als codering voor het gezamenlijke CE: HAV). eindterm e167c164-aece-4d89-b46a-98c6e8e08d22 1.789
Preambule/1 KC/P/1 Werken aan vakoverstijgende thema's De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden; 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen; 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling; 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband; 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving; 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie; 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid; 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media. eindterm 0f179379-0a69-49cb-a2ed-8bf3b0f0ad9f 1.790
Preambule/2 KC/P/2 Leren uitvoeren De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren; 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands; 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen; 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen; 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie; 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur; 2.7 computervaardigheden. eindterm c8d4fee9-f2a4-4f22-b917-169050c437e8 1.791
Preambule/3 KC/P/3 Leren leren De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren. Het gaat daarbij om: 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten; 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis; 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie; 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen; 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken; 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging; 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen. eindterm a6d25e3d-5a1d-4e83-8c0d-732a7eebaf92 1.792
Preambule/4 KC/P/4 Leren communiceren De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen; 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband; 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren; 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren; 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren; 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures; 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren. eindterm d4483753-aaf5-4de0-920e-e633f33db6df 1.793
Preambule/5 KC/P/5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces. Het gaat daarbij om: 5.1 een leer- en/of werkplanning maken; 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken; 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken. eindterm 149aec40-aa45-48a7-985c-a0bc8c46e00b 1.794
Preambule/6 KC/P/6 Leren reflecteren op de toekomst De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses; 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie; 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen; 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk; 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst; 6.6 de organisatie van branches en bedrijven; 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren; 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding. eindterm 2161a449-91a8-450e-9252-74ca52a80d5e 1.795
LA/V/Domein A Reflectie op klassieke teksten Domein A: Reflectie op klassieke teksten    1. De kandidaat kan zijn begrip van Latijnse en klassieke, vertaalde teksten demonstreren door: - een ongeziene passage te vertalen; - een passage te analyseren en interpreteren vanuit taalkundig, letterkundig en/of cultuurhistorisch perspectief; - een passage te vergelijken vanuit taalkundig, letterkundig en/of cultuurhistorisch perspectief, met andere cultuuruitingen uit de oudheid of latere perioden eindterm 546db299-6ca3-4b2e-8078-6b6338c711df 2.065
LA/V/Domein B Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur Domein B: Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur    2. De kandidaat kan door de bestudering van de Latijnse en klassieke, vertaalde teksten tegen de achtergrond van de antieke cultuur: - onderwerpen actualiseren die voortvloeien uit een confrontatie tussen deze teksten en zijn eigen leven; - de eigentijdse cultuur plaatsen in het perspectief van de traditie waarin Europa staat. eindterm 12b4942e-e4cd-41f6-827e-66324c0f0a1c 2.066
LA/V/Domein C Zelfstandige oordeelsvorming Domein C: Zelfstandige oordeelsvorming 3. De kandidaat kan een beargumenteerde reactie op de voorgelegde teksten formuleren. eindterm 94275f85-d92f-494c-8e43-0f3fe6ef7822 2.067
LA/V/Domein D Oriëntatie op studie en beroep Domein D: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 22be5031-cee9-4c41-968a-9ad4535860be 2.068
LA/V/Domein E Informatievaardigheden Domein E: Informatievaardigheden 4. De kandidaat kan gebruik maken van verschillende ICT-toepassingen bij Latijn. eindterm 944a524a-8d40-45bf-84f6-d9a65d2c0d27 2.069
LO/Domein A: Vaardigheden LO/Domein A: Vaardigheden 1. De kandidaat kan op verantwoorde en perspectiefrijke wijze en met plezier in bewegende en regelende rollen deelnemen aan de bewegingscultuur, en kan aangeven in hoeverre hij daaraan - ook in de toekomst- kan en wil deelnemen. eindterm 3a80bd96-18aa-417b-92ff-29387d8f98a2 1.809
LO/Domein B: Bewegen LO/Domein B: Bewegen 2. De kandidaat kan deelnemen aan een variëteit aan bewegingsactiviteiten, waarbij het gaat om: - verbreding (leren van nieuwe activiteiten) en verdieping (qua niveau, taken en contexten) van bewegingsactiviteiten die in de onderbouw zijn aangeboden; - in elk geval uit het activiteitengebied spelen een slag- en loopspel, twee doelspelen en een terugslagspel, bij voorkeur door de kandidaat te kiezen; - minimaal twee door de kandidaat te kiezen bewegingsactiviteiten uit een door de school gedaan aanbod voor de activiteitengebieden turnen, atletiek, bewegen op muziek en zelfverdediging; - minimaal drie door de kandidaat te kiezen en voor de kandidaat nieuwe bewegingsactiviteiten die bij voorkeur niet tot één van de hierboven genoemde activiteitengebieden behoren. eindterm 378ec1a5-930c-4134-a817-6a305c4984c0 1.810
LO/Domein C: Bewegen en regelen LO/Domein C: Bewegen en regelen 3. De kandidaat kan (samen met anderen) ondersteunende en leidinggevende rollen in bewegingssituaties vervullen, waarbij het gaat om: - bewegingssituaties inrichten, op gang brengen en op gang houden; - minimaal twee door de leerling te kiezen rollen van instructeur, coach/begeleider, scheidsrechter/jurylid en organisator. eindterm c186fa2a-2077-4874-9f05-0f0ea48bc9a6 1.811
LO/Domein D: Bewegen en gezondheid LO/Domein D: Bewegen en gezondheid 4. De kandidaat kan op basis van eigen ervaring met en inzicht in de betekenis van sport en bewegen voor de (beleving van) gezondheid in brede zin verantwoord omgaan met belasting en risico's in bewegingssituaties, en een trainingsprogramma opstellen dat past bij de eigen mogelijkheden. eindterm 9dfafdb4-acf1-409f-8ef7-e842ec7d90dc 1.812
LO/Domein E: Bewegen en samenleving LO/Domein E: Bewegen en samenleving 5. De kandidaat kan op grond van inzicht in de kenmerken van het aanbod en in de eigen wensen en mogelijkheden ten aanzien van sportdeelname een bewuste keuze maken uit het aanbod aan sport en bewegen in de samenleving. eindterm 19dc7d50-df0f-46cf-8daf-df083d838937 1.813
LO1/P/1 LO1/1 Werken aan vakoverstijgende thema's De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden; 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen; 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling; 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband; 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving; 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie; 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid; 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media. eindterm d70d3d87-1a9f-452d-85a4-89104bf3a487 1.642
LO1/P/2 LO1/2 Leren uitvoeren De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren; 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands; 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen; 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen; 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie; 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur; 2.7 computervaardigheden. eindterm 54dd8b14-d7a8-45af-bb02-a57a4c79d0e3 1.643
LO1/P/3 LO1/3 Leren leren De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren. Het gaat daarbij om: 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten; 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis; 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie; 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen; 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken; 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging; 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen. eindterm 26b61497-8ab6-4686-b1d6-a83a34898abf 1.644
LO1/P/4 LO1/4 Leren communiceren De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen; 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband; 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren; 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren; 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren; 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures; 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren. eindterm f3db8671-7a47-41a3-84bc-8bd62967787c 1.645
LO1/P/5 LO1/5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces. Het gaat daarbij om: 5.1 een leer- en/of werkplanning maken; 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken; 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken. eindterm 920f8c8b-408d-48fc-9f22-aa553fa82989 1.646
LO1/P/6 LO1/6 Leren reflecteren op de toekomst De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses; 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie; 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen; 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk; 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst; 6.6 de organisatie van branches en bedrijven; 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren; 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding. eindterm 472b231b-ef3d-409d-8ce5-93c57d7f8fdb 1.647
LO1/P LO1/1. Preambule De zes algemene onderwijsdoelen die voor alle vakken en sectoren in het vmbo gelden, zijn eindterm 89d4b0a6-ec3a-4386-8eb8-67f07cc707c1 1.648
LO1/K/1 LO1/K/1  Oriëntatie op leren en werken    1. De kandidaat kan het belang van bewegen en sport binnen de eigen loopbaan en in de maatschappij verwoorden.      eindterm 1e2935d3-a8c9-4291-b3de-3aef1fb2a09b 1.650
LO1/K/2 LO1/K/2  Basisvaardigheden    2. De kandidaat kan in bewegingssituaties basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, zelfstandig (samen)werken en informatie verwerven en verwerken.      eindterm a2bcd87f-ac63-49af-ac22-de8b34e95d15 1.651
LO1/K/3 LO1/K/3  Leervaardigheden in het vak lichamelijke opvoeding    3. De kandidaat ontwikkelt zich ten aanzien van een aantal vaardigheden in bewegen en sport die bijdragen tot de ontwikkeling van de eigen leerkansen, zoals: − kunnen omgaan met regels en een bijdrage leveren aan een sportief verloop en aan de veiligheid van zichzelf en anderen; − eenvoudige regeltaken uitvoeren om samen bewegingssituaties op gang te kunnen brengen en houden; − in bewegingssituaties kunnen omgaan met elementen als lukken en mislukken en winst en verlies; − verschillen in prestatieniveau, motieven, interesses, culturele achtergronden en geslacht hanteren binnen bewegingssituaties; − oriënteren op de eigen sportloopbaan en eigen voorkeuren aangeven ten aanzien van bewegen en sport; − kitisch reflecteren op opgedane ervaringen in relatie tot eigen wensen, motieven en mogelijkheden.      eindterm 4a7e186e-d4d2-429b-9168-947fa350f677 1.652
LO1/K/4 LO1/K/4  Spel    4. De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen de volgende spelen uitvoeren: − een slag- en loopspel, drie doelspelen, twee terugslagspelen (een vorm van volleybal en keuze uit minstens één vorm van badminton, tennis of tafeltennis), vormen van tik- en afgooispelen en daarbij: − zich houden aan afgesproken regels, oog hebben voor veiligheid en regelende taken uitvoeren.      eindterm 84dca957-26a5-493d-bbff-11ddf89bb4b1 1.653
LO1/K/5 LO1/K/5  Turnen    5.  De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen één of meer van de volgende turnactiviteiten uitvoeren: − steun- en vrij springen, herhaald springen, zwaaien, balanceren en acrobatiek   en daarbij: − adequaat omgaan met risico’s en meehelpen bij regelende taken, waaronder hulpverlenen.      eindterm 1c10b308-83ae-463e-a7de-dea29581be73 1.654
LO1/K/6 LO1/K/6  Bewegen op muziek    6. De kandidaat kan alleen of samen met anderen één van de volgende vormen van bewegen op muziek uitvoeren: − ritme en bewegen, streetdance, jazzdans of conditionele vormen op muziek; en daarbij regelende taken uitvoeren, waaronder een eenvoudige variatie ontwerpen en uitvoeren; dan wel: − indien het bevoegd gezag hier op grond van de identiteit voor kiest, een vorm van bewegen op muziek naar keuze, of een andere bewegingsactiviteit waarbij ritme en tempo bepalend zijn.      eindterm 008afcb5-b1fc-4900-a7c3-87964bc616bc 1.655
LO1/K/7 LO1/K/7  Atletiek    7. De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen vormen van de volgende atletiekactiviteiten uitvoeren: − hardlopen, ver- en hoogspringen en één vorm van werpen, stoten of slingeren; en daarbij: − basiskenmerken van training aangeven, conditieaspecten meten, oog hebben voor veiligheid en regelende taken uitvoeren.      eindterm ad9fca86-c160-4069-bf01-9ea8c197d0b2 1.656
LO1/K/8 LO1/K/8  Zelfverdediging    8. De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen één van de volgende vormen zelfverdediging uitvoeren: − stoeispelen (bijvoorbeeld: vormen van judo), trefspelen (bijvoorbeeld: vormen van boksen, schermen of karate-do) en daarbij − veiligheidsregels en (etiquette) regels bij zelfverdediging in acht nemen en regelende taken uitvoeren.      eindterm 41a2c94d-012b-4de2-bd37-88fd9671af69 1.657
LO1/K/9 LO1/K/9  Actuele bewegingsactiviteiten    9. De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen twee nieuwe, actuele bewegingsactiviteiten uitvoeren die hij kan kiezen uit een aanbod dat bij voorkeur niet behoort tot één van de hierboven genoemde activiteitengebieden (bijvoorbeeld water-, winter- of outdoorsporten).      eindterm f9acb98d-f52a-4ce0-aba0-aaed267d26c0 1.658
LO1 LO1 Examenprogramma lichamelijke opvoeding 1 eindterm 32be2f15-5db0-4cb2-9df3-e32a756b01b4 1.649
LO2/K/1 LO1/K/1 Oriëntatie op leren en werken 1. De kandidaat kan het belang van bewegen en sport binnen de eigen loopbaan, vrijwilligerswerk en in de maatschappij verwoorden. eindterm b3041b8d-7c7b-4935-9f1d-b91fbbd8a856 1.338
LO2/K/2 LO2/K/2 Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken. eindterm 05508e46-0830-480e-9f7d-ef0f6b8733ec 1.339
LO2/K/3 LO2/K/3 Leervaardigheden in het vak lichamelijke opvoeding 3. De kandidaat ontwikkelt een aantal vaardigheden in bewegen en sport, zoals: - omgaan met regels en een bijdrage leveren aan een sportief verloop en aan de veiligheid van zichzelf en anderen; - regeltaken uitvoeren om samen bewegingssituaties op gang te kunnen brengen en houden; - in bewegingssituaties omgaan met aspecten als lukken en mislukken en winst en verlies; - omgaan met verschillen in prestatieniveau, motieven, interesses, culturele achtergronden en geslacht binnen bewegingssituaties; - zich oriënteren op de eigen sportloopbaan en eigen voorkeuren aangeven ten aanzien van bewegen en sport; - kritisch reflecteren op opgedane ervaringen in relatie tot eigen wensen, motieven en mogelijkheden. eindterm 7cd549e0-2723-49f8-aa46-e26dea580ae3 1.340
LO2/K/4 LO2/K/4 Spel 4. De kandidaat kan samen met anderen minimaal één doelspel, twee terugslagspelen, één honkloopspel en diverse tikspelen uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1. eindterm 86a32912-7a06-4286-8c30-e52b94273b9b 1.341
LO2/K/5 LO2/K/5 Turnen 5. De kandidaat kan alleen en samen met anderen twee verschillende vormen van turnen uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1. eindterm cd34f986-1ae8-4e00-8f84-301acdd2c3b1 1.342
LO2/K/6 LO2/K/6 Bewegen op muziek 6. De kandidaat kan twee vormen van bewegen op muziek uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1. eindterm ae3b77ec-1eb5-4bd1-b5b7-a429165fe755 1.343
LO2/K/7 LO2/K/7 Atletiek 7. De kandidaat kan alleen en samen met anderen minimaal één loop-, één spring en één werponderdeel uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1. eindterm e0b7a3be-f47e-4a36-958f-eb5f1c386e8f 1.344
LO2/K/8 LO2/K/8 Zelfverdediging 8. De kandidaat kan samen met anderen één vorm van zelfverdediging uitvoeren, waarbij het gaat om verdieping ten opzichte van LO1. eindterm e5f92871-4eea-4151-8174-042ad1d82738 1.345
LO2/K/9 LO2/K/9 Actuele bewegingsactiviteiten 9. De kandidaat kan alleen of samen met anderen twee nieuwe, actuele bewegingsactiviteiten uitvoeren. eindterm 34b1f737-99b1-4242-94d7-54a9c9ac9ea8 1.346
LO2/K/10 LO2/K/10 Bewegen regelen 10. De kandidaat kan alleen of samen met anderen diverse regeltaken uitvoeren en één regelende rol uitvoeren waarbij de kandidaat niet zelf als beweger is betrokken. eindterm 6291297e-259c-44ac-9c6f-1fc5cd944fd4 1.347
LO2/K/11 LO2/K/11 Bewegen en samenleving en gezondheid 11. De kandidaat kan verschillende betekenissen van bewegen en sport aangeven in de samenleving en ook de meer persoonlijke waarde en motieven voor deelname. 12. De kandidaat kan: - deelnemen aan een trainings- en fitnessprogramma; - de betekenis van bewegen en sport aangeven voor de gezondheid in ruime zin; - eerste hulp verlenen bij eenvoudige blessures; - afspraken maken die de veiligheid bevorderen. eindterm f51a640b-80c0-495a-80c6-9cfebab71c37 1.348
LO2/K/12 LO2/K/12 Beroepspraktijkvorming 13. De kandidaat kan zich oriënteren op beroep of vrijwilligerswerk door het vervullen van (regel)taken in het werkveld van sport en bewegen. eindterm 35593544-2dba-4cca-8a57-bc26323ad892 1.349
LO2/P/1 1 Werken aan vakoverstijgende thema's De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden; 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen; 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling; 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband; 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving; 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie; 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid; 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media. eindterm a0d2b4d6-4d9d-485f-b0ff-d5c69d11fea1 1.659
LO2/P/2 LO2/2 Leren uitvoeren De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren; 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands; 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen; 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen; 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie; 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur; 2.7 computervaardigheden. eindterm ec6ed7ae-e180-46c1-b466-b01bccc265fd 1.660
LO2/P/3 LO2/3 Leren leren De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren. Het gaat daarbij om: 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten; 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis; 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie; 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen; 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken; 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging; 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen. eindterm 3d488640-7fa4-4e62-8476-7166041920bc 1.661
LO2/P/4 LO2/4 Leren communiceren De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen; 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband; 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren; 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren; 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren; 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures; 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren. eindterm 5804bc2b-704c-4108-94f1-fd0d0375a709 1.662
LO2/P/5 LO2/5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces. Het gaat daarbij om: 5.1 een leer- en/of werkplanning maken; 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken; 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken. eindterm 48f25ee5-6d8b-4cdb-a2c5-3001f255a59c 1.663
LO2/P/6 LO2/6 Leren reflecteren op de toekomst De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses; 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie; 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen; 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk; 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst; 6.6 de organisatie van branches en bedrijven; 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren; 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding. eindterm 66ded0fe-58b7-4913-93a5-728bb567a829 1.664
LO2/P LO2/1. Preambule De zes algemene onderwijsdoelen die voor alle vakken en sectoren in het vmbo gelden, zijn eindterm 320dfe49-0dfd-496a-9afa-14a879e45f44 1.665
LO2 LO2/Examenprogramma lichamelijke opvoeding 2 eindterm 330cbaaa-c74e-4215-ada8-8d7e01a15891 1.666
ML2/P/1 ML2/P/1 Werken aan vakoverstijgende thema's De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden; 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen; 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling; 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband; 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving; 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie; 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid; 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media. eindterm c4282cf2-2f10-4b24-95fe-fb2c0d0f3444 1.695
ML2/P/2 ML2/P/2 Leren uitvoeren De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren; 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands; 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen; 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen; 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie; 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur; 2.7 computervaardigheden.   eindterm e815d76c-091e-4219-b6e7-0ef491003a78 1.696
ML2/P/3 ML2/P/3 Leren leren De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren. Het gaat daarbij om: 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten; 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis; 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie; 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen; 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken; 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging; 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen. eindterm 4e84cacc-eb98-4e63-babe-29f2628ead57 1.697
ML2/P/4 ML2/P/4 Leren communiceren De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen; 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband; 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren; 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren; 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren; 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures; 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren. eindterm 848736ce-2e3a-4707-9c4e-41c0f8256c9f 1.698
ML2/P/5 ML2/P/5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces. Het gaat daarbij om: 5.1 een leer- en/of werkplanning maken; 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken; 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken. eindterm 152dea31-3081-485b-8132-20d62c9b1670 1.699
ML2/P/6 ML2/P/6 Leren reflecteren op de toekomst De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses; 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie; 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen; 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk; 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst; 6.6 de organisatie van branches en bedrijven; 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren; 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding. eindterm 5fa28bc7-61ee-4f7a-be19-dbbc2f01ad8a 1.700
ML2/L ML2/Leeswijzer Hieronder worden de examenprogramma's per vak gedefinieerd in exameneenheden met de bijbehorende code. Elke exameneenheid bestaat uit één of meer eindtermen. In de kolommen achter de exameneenheden staat aangegeven door middel van een X voor welke leerweg de exameneenheid deel uitmaakt van het examenprogramma. Het centraal examen voor een vak of programma per leerweg heeft betrekking op die exameneenheden die aangeduid zijn met CE. Het schoolexamen voor een bepaalde leerweg heeft voor de algemeen vormende vakken in ieder geval betrekking op exameneenheid K3 (Leervaardigheden) en voor de beroepsgerichte vakken op exameneenheid K2 (Professionele vaardigheden). Daarnaast heeft het schoolexamen betrekking op: - ten minste die exameneenheden die deel uitmaken van het examenprogramma van deze leerweg voor zover zij niet deel uitmaken van het centraal examen voor die leerweg; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest een of meer exameneenheden waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen die relevant zijn voor het betreffende vak of examenprogramma, die per kandidaat kunnen verschillen. Voor bepaalde groepen van verwante beroepsgerichte programma’s in de GL is er een gemeenschappelijk CE. De exameneenheden die horen bij deze gemeenschappelijke centrale examens in de GL hebben een nieuwe vakcode gekregen gevolgd door een nummering in Romeinse cijfers. Dit betreft de volgende groepen van beroepsgerichte programma’s GL: - Metaaltechniek, elektrotechniek, installatietechniek, instalektro, metalektro (met als codering voor het gezamenlijke CE: MEI) - Uiterlijke verzorging, verzorging, zorg-en-welzijn-breed (met als codering voor het gezamenlijke CE: ZWG) - Consumptief-breed, consumptief-horeca, consumptief-bakken (met als codering voor het gezamenlijke CE: COG) - Administratie, handel en administratie, handel en verkoop, mode en commercie (met als codering voor het gezamenlijke CE: HAV). eindterm 18ca4e1e-bd32-46f1-9d3c-91cb73fdeab9 1.701
ML2/K/1 ML2/K/1  Oriëntatie op leren en werken   1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van maatschappijleer verwoorden. eindterm eaff4859-88de-4bc0-a065-5b052e65d6c6 1.702
ML2/K/2 ML2/K/2  Basisvaardigheden 2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren. eindterm 8673acd4-c91f-4e48-94fd-4c80efff1a18 1.703
ML2 ML2 Examenprogramma maatschappijleer II eindterm cc7e43a4-a4cc-4f29-b08c-8577f110446d 1.720
ML2/K/3/3/BB ML2/K/3  Leervaardigheden in het vak maatschappijleer    3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: − informatie verwerven en daarbij gebruik maken van verschillende informatiebronnen; − zelf verzamelde of aangereikte informatie over maatschappelijke verschijnselen/vraagstukken verwerken en interpreteren op basis van vakinhoudelijke kennis; − de principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer herkennen in een tekst over een maatschappelijk vraagstuk of verschijnsel; − een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven.      eindterm 3c2e9723-e798-4f3a-a117-86630158d547 1.704
ML2/K/4/5/BB ML2/K/4  Politiek en beleid   5. De kandidaat kan: − Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat; − uitleggen op welke wijze overheidsbeleid tot stand komt, de invloed van de Europese Unie daarin herkennen en noemen/herkennen hoe Europese besluiten tot stand komen; − mogelijkheden beschrijven die individuele burgers en belangen- of pressiegroepen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden; − van politieke partijen en stromingen standpunten en de uitgangspunten noemen en herkennen.      eindterm ace4396e-5134-43d4-aed3-909c1598f0cf 1.706
ML2/K/5/7/BB ML2/K/5  Mens en werk 7. De kandidaat kan: − functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen; − de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de kenmerken van de verzorgingsstaat herkennen; − herkennen wat de invloed is van arbeidsverdeling op de sociale ongelijkheid; − op het gebied van arbeid verschillende belangen en belangenorganisaties herkennen en aangeven welke middelen er zijn om voor belangen op te komen in overleg- en conflictsituaties; − oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen.      eindterm d61865b4-f596-43e3-b5f6-8fd9dd5eefdd 1.708
ML2/K/6/9/BB ML2/K/6  De multiculturele samenleving    9. De kandidaat kan: − Nederland als multiculturele samenleving typeren en het overheidsbeleid ten aanzien hiervan herkennen en beschrijven; − de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven; − aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect. eindterm 6f284700-99d6-45b3-8577-e98ee35dac72 1.710
ML2/K/7/11/BB ML2/K/7  Massamedia    11. De kandidaat kan: − de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen; − factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen; − in voorbeelden de rol herkennen die media kunnen vervullen bij beeldvorming (waaronder vooroordelen en stereotypen), en bij de overdracht van waarden en normen informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin herkennen. eindterm 9b4bf55d-e258-48b5-bd1e-290ef34cba1e 1.712
ML2/K/8/13/BB ML2/K/8  Criminaliteit en rechtsstaat   13. De kandidaat kan: − de aard, ontwikkeling en omvang van criminaliteit als maatschappelijk probleem herkennen en beschrijven; − kenmerken van de rechtsstaat herkennen in het straf- en procesrecht, en de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden: − oorzaken van criminaliteit herkennen − de rol van overheidsorganen ter bestrijding van criminaliteit aangeven en verschillende beleidsmaatregelen onderscheiden − de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden.      eindterm ed70db20-2a27-44dd-9d38-18d6f0ae10c2 1.714
ML2/V/1 ML2/V/1  Analyse maatschappelijk vraagstuk   15. De kandidaat kan een maatschappelijk vraagstuk gerelateerd aan de exameneenheden analyseren door verbanden tussen de thema’s uit de eindtermen te leggen en door de benaderingswijze van maatschappijleer erop toe te passen. eindterm d399bdc8-9827-4ab0-b527-810268735fa8 1.716
ML2/V/2 ML2/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie   16. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.       eindterm 3820b577-d1df-4ffd-9d8b-d7bb66386296 1.717
ML2/V/3 ML2/V/3  Vaardigheden in samenhang 17. De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm 8640673a-15dd-4bbf-9a8e-621382ef817f 1.718
ML2/K/3/4/KB/GL/TL ML2/K/3  Leervaardigheden in het vak maatschappijleer    4. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: − ten aanzien van maatschappelijke vraagstukken verschillende typen vragen herkennen en zo zelfstandig mogelijk formuleren; − bij gegeven of zelf geformuleerde vragen informatie verwerven en daarbij gebruik maken van verschillende informatiebronnen; − aangereikte informatie over maatschappelijke verschijnselen/vraagstukken verwerken en interpreteren op basis van vakinhoudelijke kennis; − de principes en procedures die horen bij de benaderingswijze van het vak maatschappijleer herkennen in informatiebronnen over een maatschappelijk vraagstuk, of toepassen op een maatschappelijk vraagstuk; − een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven.      eindterm 4fc0627b-2289-40f5-92e0-3e948e7d634d 1.705
ML2/K/4/6/KB/GL/TL ML2/K/4  Politiek en beleid 6. De kandidaat kan: − Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat en als een constitutionele monarchie; − uitleggen op welke wijze overheidsbeleid tot stand komt, de invloed van de Europese Unie daarin aangeven/herkennen, en noemen/herkennen hoe Europese besluiten tot stand komen; − mogelijkheden beschrijven die individuele burgers en belangen- of pressiegroepen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden; − van politieke partijen en stromingen standpunten en de uitgangspunten herkennen, noemen en verklaren. eindterm a4c38806-c163-4b09-b249-6813a322d12f 1.707
ML2/K/5/8/KB/GL/TL ML2/K/5  Mens en werk   8. De kandidaat kan: − de functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen en beschrijven, en factoren noemen die van invloed zijn op de cultuur van een bedrijf; − de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de problematiek van de verzorgingsstaat herkennen en beschrijven; − uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving; − een beschrijving geven van de arbeidsverhoudingen in Nederland; − oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen en verklaren. eindterm 1125ac8c-2a6e-4f1d-abe8-34556f2fa13e 1.709
ML2/K/6/10/KB/GL/TL ML2/K/6  De multiculturele samenleving    10. De kandidaat kan: − de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven; − de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren; − aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect. eindterm 3b7676f2-0d4d-4821-9a99-9de368dc0ba6 1.711
ML2/K/7/12/KB/GL/TL ML2/K/7  Massamedia 12. De kandidaat kan: − de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen en beschrijven; − factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen; − benoemen wat de rol van de media is bij beeldvorming en aangeven hoe er sprake is van beïnvloeding door massamedia; − informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin verklaren.      eindterm 55f06cd3-7c0f-4260-b34e-353c92602e1b 1.713
ML2/K/8/14/KB/GL/TL ML2/K/8  Criminaliteit en rechtsstaat   14. De kandidaat kan: − de aard, ontwikkeling en omvang van criminaliteit als maatschappelijk probleem herkennen en beschrijven; − principes van de rechtsstaat herkennen in het straf- en procesrecht; − oorzaken van criminaliteit herkennen en beschrijven; − de rol van overheidsorganen ter bestrijding van criminaliteit aangeven, verschillende beleidsmaatregelen en kenmerkende visies van politieke stromingen onderscheiden, en effectiviteit en wenselijkheid van beleidsmaatregelen beoordelen; − de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden.      eindterm 9339dc4b-e9c2-41dd-9730-01ca7713ec8b 1.715
ML/H/Domein A Vaardigheden ML/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Informatievaardigheden 1. De kandidaat kan: - voor een vraag bruikbaar bronnenmateriaal verwerven en er gegevens uit selecteren; - (verworven) informatie verwerken o.a. met behulp van ICT en daaruit beredeneerde conclusies trekken; - een stelling, zowel mondeling als schriftelijk, nuanceren, verdedigen en bestrijden en daarbij gebruikmaken van argumentatievaardigheden. Subdomein A2: Benaderingswijzen 2. De kandidaat kan concrete maatschappelijke vraagstukken en ontwikkelingen analyseren en daarbij: - aannemelijk maken wat de relatie is tussen het vraagstuk/probleem en de rechtsstaat, parlementaire democratie, verzorgingsstaat en pluriforme samenleving; - beargumenteren of door het vraagstuk/probleem belangrijke waarden van de rechtsstaat, parlementaire democratie, verzorgingsstaat en pluriforme samenleving in het geding zijn; - beschrijven wat de relatie is tussen het maatschappelijke vraagstuk/probleem en sociale ongelijkheid in de samenleving. eindterm 1bfca7a6-817e-4927-9479-9e14ed16aad5 1.825
ML/H/Domein B Rechtsstaat ML/H Domein B: Rechtsstaat Subdomein B1: Vrijheidsrechten en plichten; het beginsel rechtsstaat 3. De kandidaat kan: - voorbeelden van vrijheidsrechten en plichten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet; - de waarden noemen die aan die grondbeginselen ten grondslag liggen; - uitleggen wat de beginselen van de rechtsstaat zijn. Subdomein B2: De praktijk van de rechtsstaat 4. De kandidaat kan aan de hand van voorbeelden de spanning weergeven tussen de beginselen van de rechtsstaat enerzijds en de praktijk zoals die door groepen burgers ervaren wordt anderzijds. Subdomein B3: Internationale vergelijking en internationale organisaties 5. De kandidaat kan de waarden en praktijk van de rechtsstaat in Nederland vergelijken met die van enkele andere westerse landen. eindterm 798cc860-3681-49bf-b650-ffc85c588d55 1.826
ML/H/Domein C Parlementaire democratie ML/H Domein C: Parlementaire democratie Subdomein C1: Politieke rechten; de structuur van de democratie 6. De kandidaat kan: - voorbeelden van politieke rechten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot artikelen in de Grondwet; - de waarden noemen die aan democratie ten grondslag liggen; - de structuur van de representatieve democratie in Nederland uitleggen op gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau; - de structuur van de vertegenwoordiging op EU-niveau uitleggen. Subdomein C2: De praktijk van de parlementaire democratie 7. De kandidaat kan: - de fasen in het proces van politieke besluitvorming op gemeentelijk, provinciaal en nationaal niveau beschrijven; - de rol van massamedia bij politieke besluitvorming beschrijven; - dilemma’s herkennen die samenhangen met de uitgangspunten van de democratie en de hoofdlijnen van de politieke discussie hierover weergeven. Subdomein C3: Internationale vergelijking en internationale organisaties 8. De kandidaat kan aangeven welke gevolgen de vorming van de Europese Unie heeft voor de politieke rechten van de Europese burger. eindterm 25967db9-6ef8-412a-9170-3a83d741a003 1.827
ML/H/Domein D Verzorgingsstaat ML/H Domein D: Verzorgingsstaat Subdomein D1: Geschiedenis van de verzorgingsstaat 9. De kandidaat kan uitleggen onder invloed van welke factoren de verzorgingsstaat zich in Nederland heeft ontwikkeld na de tweede wereldoorlog en welke actoren erbij betrokken zijn. Subdomein D2: Sociale rechten en plichten; kenmerken van een verzorgingsstaat 10. De kandidaat kan: - voorbeelden van sociale rechten en plichten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet; - de waarden noemen die ten grondslag liggen aan de verzorgingsstaat; - kenmerken van de Nederlandse verzorgingsstaat beschrijven. Subdomein D3: De praktijk van de verzorgingsstaat 11. De kandidaat kan: - hoofdlijnen aangeven van politieke discussies over de praktijk van de verzorgingsstaat; - de relatie tussen de verzorgingsstaat en sociale ongelijkheid uitleggen. Subdomein D4: Internationale vergelijking en internationale organisaties 12. De kandidaat kan aangeven welke gevolgen de vorming van de Europese Unie heeft voor de sociale rechten van de Europese burger. eindterm 372f52de-5bb6-493c-8677-7ff323153848 1.828
ML/H/Domein E Pluriforme samenleving. ML/H Domein E: Pluriforme samenleving Subdomein E1: Geschiedenis van de pluriforme samenleving 13. De kandidaat kan uitleggen onder invloed van welke factoren de huidige pluriforme samenleving in Nederland is ontstaan en welke actoren erbij betrokken zijn. Subdomein E2: Grondrechten die horen bij de pluriforme samenleving 14. De kandidaat kan: - voorbeelden van grondrechten die horen bij de pluriforme samenleving, herleiden tot artikelen in de Grondwet; - de waarden noemen die ten grondslag liggen aan de grondrechten; - uitleggen wat het verschil is tussen morele verplichtingen en plichten; - kenmerken van een pluriforme samenleving beschrijven. Subdomein E3: De praktijk van de pluriforme samenleving 15. De kandidaat kan: - op basis van bronnen de verschillen in leefomstandigheden, gewoonten en gebruiken van (afstammelingen van) migranten enerzijds en de autochtone meerderheid van de bevolking anderzijds verklaren; - het beleid van de politiek ten aanzien van etnische minderheden en vreemdelingen/asielzoekers terugvoeren op (inter)nationale documenten; - de standpunten van politieke partijen met betrekking tot vluchtelingen en migranten vergelijken en becommentariëren. Subdomein E4: Internationale vergelijking en internationale organisaties 16. De kandidaat kan aangeven welke gevolgen de Europese integratie heeft voor de Nederlandse cultuur en identiteit. eindterm 07b7fef8-53b6-498f-bdf4-ea58b463db73 1.829
ML1/K/6; Macht en zeggenschap: ML1/K/6; Macht en zeggenschap: macht en regels voor het samenleven van mensen; mogelijkheden die burgers hebben om invloed uit te oefenen; kenmerken parlementaire democratie.   ML1/K/5; Sociale verschillen: maatregelen overheid ten aanzien van sociale verschillen.     eindterm 98572bd7-b02a-41b6-b149-f9c107805a17 870
ML1/K/4; Cultuur en socialisatie: ML1/K/4; Cultuur en socialisatie: - mens, samenleving en socialisatieproces(sen); - onderwijs als socialiserende instantie; - relatie (gedrag van) mensen en de subcultuur waarbij ze (willen) horen.   ML1/K/7; Beeldvorming en stereotypering: uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen  in de samenleving; voorbeelden van discriminatie, het ontstaan daarvan en wat ertegen te doen; hoe vooroordelen en discriminatie tegemoet te treden vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect; relatie sociaal probleem en de beeldvorming erover.     eindterm c4e85822-98b0-4aed-a5b7-7abb0fccbe34 875
ML1/K/5: Sociale verschillen: ML1/K/5: Sociale verschillen: oorzaken sociale verschillen; sociale mobiliteit; maatregelen overheid ten aanzien van sociale verschillen; relatie maatschappelijke positie(s), belangen en conflicten.     eindterm 0a58a737-8264-4dee-8d58-7ceb0986835c 879
ML1/K/7; Beeldvorming en stereotypering: ML1/K/7; Beeldvorming en stereotypering: hoe mensen bij het vormen van hun meningen beïnvloed worden door selectie van informatie; de rol van selectieve waarneming in het proces van beeld- en meningsvorming.   ML1/K/4 Cultuur en socialisatie: uitleggen welke instituties een rol spelen bij de ontwikkeling en het gedrag van mensen (bij het socialisatieproces).   ML1/K/6 Macht en zeggenschap: met voorbeelden duidelijk maken hoe de massamedia gebruikt kunnen worden bij het doorsluizen van onderwerpen voor de politieke agenda.     eindterm e9bb939a-c203-4ebd-92e0-ad43b454efa7 887
ML1/K/3 Leervaardigheden: ML1/K/3 Leervaardigheden: een standpunt  formuleren met betrekking tot een concreet  maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven.     eindterm b415552d-5b01-4bfc-8c9f-89a04c582724 895
ML1/K/3 Leervaardigheden: ML1/K/3 Leervaardigheden: Met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk: principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen.     eindterm f610759e-69b2-42c5-bd20-c867455d15f1 905
Domein K6; Macht en zeggenschap: Domein K6; Macht en zeggenschap: vormen van macht herkennen, beschrijven en verklaren; beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken; beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten.   Domein K5; Sociale verschillen: maatregelen van de overheid ten aanzien van sociale ongelijkheid noemen; overheidsbeleid ten aanzien van sociale ongelijkheid beschrijven en verklaren.     eindterm 3a68ca52-2586-42d1-9b69-271600e66e02 1.012
Domein K4; Cultuur en socialisatie: Domein K4; Cultuur en socialisatie: beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van de samenleving; de invloed van het socialisatieproces herkennen en beschrijven; uitleggen dat mensen bij een (sub)cultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag en het socialisatieproces; de rol van het onderwijs (als socialiserende instantie) beschrijven in de ontwikkeling van een mens als lid van de samenleving.   Domein K7; Beeldvorming en stereotypering beschrijven hoe mensen bij het vormen van hun meningen beïnvloed worden door selectie van informatie; aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming; uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen in de samenleving herkennen en benoemen; voorbeelden noemen van vooroordelen en discriminatie, beschrijven hoe deze ontstaan en aangeven wat ertegen te doen is; beschrijven hoe men uitingen van vooroordelen en discriminatie tegemoet kan treden vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect; van een bepaald sociaal probleem beschrijven hoe de beeldvorming erover tot stand komt/ gekomen is.     eindterm 725b6795-a88b-4620-a752-52cb5a1a95c5 1.013
Domein K5; Sociale verschillen Domein K5; Sociale verschillen met voorbeelden beschrijven wat sociale verschillen zijn en hoe die veroorzaakt worden en beschrijven (uitleggen) hoe de plaats van een mens op de maatschappelijke ladder kan veranderen (sociale mobiliteit; voorbeelden geven van belangen van mensen in een bepaalde maatschappelijke positie en van conflicten die daarmee samenhangen; beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan;. maatregelen van de overheid ten aanzien van sociale ongelijkheid noemen; overheidsbeleid ten aanzien van sociale ongelijkheid beschrijven en verklaren.     eindterm 8dc20f0b-608d-4baf-a25f-71ab08744100 1.014
Domein K7; Beeldvorming en stereotypering: Domein K7; Beeldvorming en stereotypering: hoe mensen bij het vormen van hun meningen beïnvloed worden door selectie van informatie; de rol van selectieve waarneming in het proces van beeld- en meningsvorming.     eindterm b9287e56-92ee-42c0-89ec-f3ed43f68e21 1.015
ML1/K/1 ML1/K/1  Oriëntatie op leren en werken    1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van maatschappijleer in de maatschappij.      eindterm 259275a9-b431-430b-b7e4-0fc8ee74d044 1.814
ML1/K/2 ML1/K/2  Basisvaardigheden    2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken. eindterm 6fc08cc1-12ca-491d-aa5f-353bea29947d 1.815
ML1/K/3 ML1/K/3  Leervaardigheden in het vak maatschappijleer    3. De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk: − principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; − een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. eindterm f78a5fb5-6c22-4360-b396-4504efc539b5 1.816
ML1/K/4/BB ML1/K/4  Cultuur en socialisatie    4. De kandidaat kan: − beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van de samenleving; − uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag; − de rol van onderwijs beschrijven in de ontwikkeling.      eindterm d0a0e761-bd67-440a-b29c-b5ef312ecee7 1.817
ML1/K/5/BB ML1/K/5  Sociale verschillen    6. De kandidaat kan: − met voorbeelden beschrijven wat sociale verschillen zijn en hoe die veroorzaakt worden, en beschrijven hoe de plaats van een mens op de maatschappelijke ladder kan veranderen; − voorbeelden geven van belangen van mensen in een bepaalde maatschappelijke positie en van conflicten die daarmee samenhangen; − maatregelen van de overheid. eindterm 57f796b8-bc58-4945-9a9a-e935bc448b09 1.819
ML1/K/6/BB ML1/K/6  Macht en zeggenschap 8. De kandidaat kan: − vormen van macht herkennen; − beschrijven hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken; − beschrijven welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen.      eindterm 8473e9b4-b465-4ce9-9017-b78b88ecc7c7 1.821
ML1/K/7/BB ML1/K/7  Beeldvorming en stereotypering    10. De kandidaat kan: − beschrijven hoe mensen bij het vormen van hun meningen beïnvloed worden door selectie van informatie; − uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen in de samenleving herkennen en benoemen; − voorbeelden noemen van vooroordelen en discriminatie, beschrijven hoe deze ontstaan en aangeven wat er tegen te doen is; − van een bepaald sociaal probleem beschrijven hoe de beeldvorming erover tot stand komt/gekomen is.     eindterm d71d48fc-6812-47b5-be24-3be3f077ca51 1.823
ML1/K/4/KB/GL/TL ML1/K/4  Cultuur en socialisatie    5. De kandidaat kan: − beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van de samenleving en de invloed van het socialisatieproces herkennen en beschrijven; − uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag en socialisatieproces; − de rol van onderwijs (als socialiserende instantie) beschrijven in de ontwikkeling van een mens als lid van de samenleving.      eindterm ca7db97f-c84b-46aa-9433-7b00180ad44c 1.818
ML1/K/5/KB/GL/TL ML1/K/5  Sociale verschillen   7. De kandidaat kan: − met voorbeelden beschrijven wat sociale verschillen zijn en hoe die veroorzaakt worden, en beschrijven/uitleggen hoe de plaats van een mens op de maatschappelijke ladder kan veranderen (sociale mobiliteit); − beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan; − overheidsbeleid ten aanzien van sociale ongelijkheid beschrijven en verklaren.      eindterm 315d1f81-b2c1-41ac-8303-bc7a51c00de0 1.820
ML1/K/6/KB/GL/TL ML1/K/6  Macht en zeggenschap    9. De kandidaat kan: − vormen van macht en machtsmiddelen herkennen, beschrijven en verklaren; − beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken; − beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten.      eindterm 04d6c044-b62d-4da7-979d-f37adaf19af1 1.822
ML1/K/7/KB/GL/TL ML1/K/7  Beeldvorming en stereotypering   11. De kandidaat kan: − aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming; − uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen in de samenleving herkennen en benoemen; − beschrijven hoe men uitingen van vooroordelen en discriminatie tegemoet kan treden vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect; − van een bepaald sociaal probleem beschrijven hoe de beeldvorming erover tot stand komt/gekomen is.       eindterm ece3a40f-9f0a-4332-98dc-39ef5398af84 1.824
ML/V/Domein A Vaardigheden ML/V Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Informatievaardigheden 1. De kandidaat kan: - voor een vraag bruikbaar bronnenmateriaal verwerven en er gegevens uit selecteren; - (verworven) informatie verwerken o.a. met behulp van ICT en daaruit beredeneerde conclusies trekken; - een stelling, zowel mondeling als schriftelijk, nuanceren, verdedigen en bestrijden en daarbij gebruikmaken van argumentatievaardigheden. Subdomein A2: Benaderingswijzen 2. De kandidaat kan concrete maatschappelijke vraagstukken en ontwikkelingen analyseren en daarbij: - aannemelijk maken wat de relatie is tussen het vraagstuk/probleem en de rechtsstaat, parlementaire democratie, verzorgingsstaat en pluriforme samenleving; - beargumenteren of door het vraagstuk/probleem belangrijke waarden van de rechtsstaat, parlementaire democratie, verzorgingsstaat en pluriforme samenleving in het geding zijn; - beschrijven wat de relatie is tussen het maatschappelijke vraagstuk/probleem en sociale ongelijkheid in de samenleving. eindterm 8884c8f0-b25c-45ad-a3c8-12b839d6ac2e 1.830
ML/V/Domein B Rechtsstaat ML/V Domein B: Rechtsstaat Subdomein B1: Vrijheidsrechten en plichten; het beginsel rechtsstaat 3. De kandidaat kan: - voorbeelden van vrijheidsrechten en plichten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet; - de waarden noemen die aan die grondbeginselen ten grondslag liggen; - uitleggen wat de beginselen van de rechtsstaat zijn. Subdomein B2: De praktijk van de rechtsstaat 4. De kandidaat kan aan de hand van voorbeelden de spanning weergeven tussen de beginselen van de rechtsstaat enerzijds en de praktijk zoals die door groepen burgers ervaren wordt anderzijds. Subdomein B3: Internationale vergelijking en internationale organisaties 5. De kandidaat kan: - de waarden en praktijk van de rechtsstaat in Nederland vergelijken met die van enkele andere westerse landen; - voorbeelden geven van internationale invloed op het Nederlandse beleid en de Nederlandse regelgeving ten aanzien van de praktijk van de rechtsstaat. eindterm 4567fb5b-c740-4826-ae0d-f197256f1929 1.831
ML/V/Domein C Parlementaire democratie ML/V Domein C: Parlementaire democratie Subdomein C1: Politieke rechten; de structuur van de democratie 6. De kandidaat kan: - voorbeelden van politieke rechten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot artikelen in de Grondwet; - de waarden noemen die aan democratie ten grondslag liggen; - de structuur van de representatieve democratie in Nederland uitleggen op gemeentelijk, provinciaal, landelijk niveau; - de structuur van de vertegenwoordiging op EU-niveau uitleggen. Subdomein C2: De praktijk van de parlementaire democratie 7. De kandidaat kan: - de fasen in het proces van politieke besluitvorming op gemeentelijk, provinciaal en nationaal niveau beschrijven; - het verschil beschrijven tussen een parlementair stelsel en een presidentieel stelsel; alsmede tussen een meerderheidsstelsel en een stelsel van evenredige vertegenwoordiging; - de rol van massamedia bij politieke besluitvorming beschrijven; - aangeven welke factoren de politieke participatie van burgers beïnvloeden en waarom niet een ieder van zijn of haar politieke rechten gebruik maakt; - uitleggen dat er spanning bestaat tussen representatie en representativiteit; - dilemma’s herkennen, die samenhangen met de uitgangspunten van de democratie en de hoofdlijnen van de politieke discussie hierover weergeven. Subdomein C3: Internationale vergelijking en internationale organisaties 8. De kandidaat kan aangeven welke gevolgen de vorming van de Europese Unie heeft voor de politieke rechten van de Europese burger. eindterm 6f76578d-2424-4e99-b5bc-a971bd1b9c77 1.832
ML/V/Domein D Verzorgingsstaat ML/V Domein D: Verzorgingsstaat Subdomein D1: Geschiedenis van de verzorgingsstaat 9. De kandidaat kan uitleggen onder invloed van welke factoren de verzorgingsstaat zich in Nederland heeft ontwikkeld na de tweede wereldoorlog en welke actoren erbij betrokken zijn. Subdomein D2: Sociale rechten en plichten; kenmerken van een verzorgingsstaat 10. De kandidaat kan: - voorbeelden van sociale rechten en plichten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet; - de waarden noemen die ten grondslag liggen aan de verzorgingsstaat; - kenmerken van de Nederlandse verzorgingsstaat beschrijven. Subdomein D3: De praktijk van de verzorgingsstaat 11. De kandidaat kan: - hoofdlijnen aangeven van politieke discussies over de praktijk van de verzorgingsstaat en de opvattingen van politieke partijen hierover; - het proces beschrijven van een mogelijk terugtredende rol van de verzorgingsstaat en de wisselwerking die zich daarbij voordoet tussen politiek en samenleving; - de relatie tussen de verzorgingsstaat en sociale ongelijkheid uitleggen. Subdomein D4: Internationale vergelijking en internationale organisaties 12. De kandidaat kan: - een vergelijking maken tussen de Nederlandse verzorgingsstaat en die in een ander westers land; - aangeven welke gevolgen de vorming van de Europese Unie heeft voor de sociale rechten van de Europese burger. eindterm 55124eb2-9e77-4f34-949f-ad2f6123ee9c 1.833
ML/V/Domein E Pluriforme samenleving. ML/V Domein E: Pluriforme samenleving Subdomein E1: Geschiedenis van de pluriforme samenleving 13. De kandidaat kan uitleggen onder invloed van welke factoren de huidige pluriforme samenleving in Nederland is ontstaan en welke actoren erbij betrokken zijn. Subdomein E2: Grondrechten die horen bij de pluriforme samenleving 14. De kandidaat kan: - voorbeelden van grondrechten die horen bij de pluriforme samenleving, herleiden tot artikelen in de Grondwet; - de waarden noemen die ten grondslag liggen aan de grondrechten; - uitleggen wat het verschil is tussen morele verplichtingen en plichten; - kenmerken van een pluriforme samenleving beschrijven. Subdomein E3: De praktijk van de pluriforme samenleving 15. De kandidaat kan: - op basis van bronnen de verschillen in leefomstandigheden, gewoonten en gebruiken van (afstammelingen van) migranten enerzijds en de autochtone meerderheid van de bevolking anderzijds verklaren; - uitleggen welke verschijnselen verband houden met toenemende of afnemende sociale cohesie; - het beleid van de politiek ten aanzien van etnische minderheden en vreemdelingen/asielzoekers terugvoeren op (inter)nationale documenten; - de standpunten van politieke partijen met betrekking tot vluchtelingen en migranten vergelijken en becommentariëren; - verschillende visies weergeven met het oog op de mogelijkheid om waarden te formuleren als basis voor verklaringen waarin aan alle mensen bepaalde rechten worden toegekend. Subdomein E4: Internationale vergelijking en internationale organisaties 16. De kandidaat kan: - aangeven welke gevolgen de Europese integratie heeft voor de Nederlandse cultuur en identiteit; - een vergelijking maken tussen de Nederlandse maatschappij en een ander West-Europees land naar posities en kansen van migranten. eindterm d1f0c334-67ee-4a0a-b1e4-5ae69794e8a7 1.834
MW/H MW/H Examenprogramma maatschappijwetenschappen havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Politieke besluitvorming Domein C Massamedia Domein D Multiculturele samenleving Domein E Mens en werk Domein F Criminaliteit en rechtsstaat Domein G Milieu en beleid Domein H Ontwikkelingssamenwerking. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen B, C en F, in combinatie met domein A. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op: - een van de domeinen D, E, G en H; - een nog niet gekozen domein uit de domeinen D, E, G en H, dan wel een door het bevoegd gezag vastgesteld domein; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm d0a8822f-cff1-49be-952f-f359d57decb4 1.731
MW/H/Domein A Vaardigheden MW/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Informatievaardigheden 1. De kandidaat kan: - met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk verschillende typen vragen herkennen en zelfstandig vragen formuleren; - uit bronnenmateriaal over een concreet maatschappelijk vraagstuk, op basis van gegeven of zelf geformuleerde vragen, bruikbare gegevens selecteren; - (verworven) informatie over een concreet maatschappelijk vraagstuk vanuit gegeven of zelf geformuleerde vragen mede met behulp van ICT verwerken en daaruit beredeneerde conclusies trekken; - de resultaten van een leeractiviteit overdragen naar anderen; - bij raadplegen, verwerken en presenteren van informatie gebruikmaken van toepassingen van ICT. Subdomein A2: Onderzoeksvaardigheden 2. De kandidaat kan een eenvoudig sociaal-wetenschappelijk onderzoek opzetten en uitvoeren over een concreet maatschappelijk vraagstuk en daarbij de benaderingswijzen van maatschappijleer toepassen. Subdomein A3: Benaderingswijzen 3. De kandidaat kan concrete maatschappelijke vraagstukken en ontwikkelingen analyseren en daarbij gebruikmaken van de benaderingswijzen van maatschappijleer: - de politiek-juridische benaderingswijze; - de sociaal-economische benaderingswijze; - de sociaal-culturele benaderingswijze; - de veranderings- en vergelijkende benaderingswijze. Subdomein A4: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 753676ce-e62a-43e3-b04d-a92b33a63d6e 1.732
MW/H/Domein B Politieke besluitvorming MW/H Domein B: Politieke besluitvorming Subdomein B1: Politieke structuren 4. De kandidaat kan de structuur van het Nederlandse stelsel van politieke besluitvorming typeren. Subdomein B2: Actoren in het proces van politieke besluitvorming 5. De kandidaat kan aangeven op welke wijze actoren beleids- en besluitvormingsprocessen beïnvloeden op lokaal, provinciaal, landelijk en Europees niveau. Subdomein B3: Politieke stromingen 6. De kandidaat kan de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen onderscheiden. eindterm 9880e17e-ff59-43aa-b910-d7978eadad8b 1.733
MW/H/Domein C Massamedia MW/H Domein C: Massamedia Subdomein C1: Communicatie en massamedia 7. De kandidaat kan verschillende soorten massamedia onderscheiden en met elkaar vergelijken en uitleggen welke functies de massamedia hebben voor mens en samenleving. Subdomein C2: Massamedia en technologische ontwikkelingen 8. De kandidaat kan het verband aangeven tussen technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van massamedia en communicatie (waaronder internet). Subdomein C3: Massamedia en de overheid 9. De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de overheid in ons land betrokken is bij de massamedia en uitleggen binnen welke wettelijke kaders de omroep in ons land functioneert. Subdomein C4: Massamedia en commercie 10. De kandidaat kan uitleggen dat economische overwegingen, belangen en ontwikkelingen invloed hebben op het functioneren van de media en op het media-aanbod. Subdomein C5: Massamedia en cultuur 11. De kandidaat kan: - de invloed aangeven van sociaal-culturele ontwikkelingen en centrale waarden in de samenleving op de inhoud van het media-aanbod en op de organisatie van de media; - uitleggen welke rol de media vervullen bij cultuuroverdracht en in de beeldvorming over de werkelijkheid; - aangeven welke visies er bestaan op de invloed of macht van de media. eindterm 287c1b7f-c2df-4116-b0e4-981bb819ae52 1.734
MW/H/Domein D Multiculturele samenleving MW/H Domein D: Multiculturele samenleving Subdomein D1: Multiculturele samenleving 12. De kandidaat kan een beschrijving geven van de Nederlandse samenleving als een multiculturele samenleving en de aanwezigheid van de grootste allochtone groepen verklaren. Subdomein D2: Overheidsbeleid 13. De kandidaat kan de uitgangspunten en hoofdlijnen van vreemdelingenbeleid en minderhedenbeleid verwoorden en de standpunten van politieke partijen met betrekking tot genoemd beleid vergelijken en becommentariëren. Subdomein D3: Maatschappelijke positie 14. De kandidaat kan verschillende visies onderscheiden die een verklaring geven voor de maatschappelijke positie van etnische minderheden voor wat betreft arbeid en inkomen, onderwijs en huisvesting. Subdomein D4: Cultuur en discriminatie 15. De kandidaat kan de verhouding tussen allochtone groepen en autochtone groepen in Nederland beschrijven en mogelijke oorzaken en gevolgen van discriminatie aangeven. eindterm 4ab31d93-849a-4855-abc4-acae2474e841 1.735
MW/H/Domein E Mens en werk MW/H Domein E: Mens en werk Subdomein E1: Politieke visies en verzorgingsstaat 16. De kandidaat kan: - aangeven welke visies de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen in Nederland hebben op sociaal-economische vraagstukken en op de rol die de overheid op sociaal-economisch terrein dient te spelen; - de ontwikkeling van de verzorgingsstaat beschrijven en verschillende visies hierop benoemen; - aangeven op welke verschillende manieren de overheid betrokken is bij het sociaal-economisch proces. Subdomein E2: Arbeidsverhoudingen 17. De kandidaat kan van de belangrijkste groeperingen die betrokken zijn bij arbeid aangeven wat hun belangen zijn, hoe ze georganiseerd zijn en wat hun onderlinge verhoudingen zijn. Subdomein E3: Arbeidsverdeling 18. De kandidaat kan uitleggen welke gevolgen een voortschrijdende arbeidsverdeling heeft voor mens en samenleving. Subdomein E4: Arbeid en informatisering 19. De kandidaat kan de invloed van informatisering op arbeid en samenleving beschrijven. Subdomein E5: Betekenis en waardering van werk 20. De kandidaat kan uitleggen wat de betekenis is van werk voor mens en samenleving. eindterm 8c6ab6f6-7987-4e7d-9420-4aeaaf87096d 1.736
MW/H/Domein F Criminaliteit en rechtsstaat MW/H Domein F: Criminaliteit en rechtsstaat Subdomein F1: Criminaliteit en samenleving 21. De kandidaat kan een beschrijving geven van aard en omvang van het verschijnsel criminaliteit en daarmee samenhangende vraagstukken voor burger en samenleving. Subdomein F2: De rechtsstaat 22. De kandidaat kan strafbaarstelling en aanpak van criminaliteit door de staat in verband brengen met de uitgangspunten van de rechtsstaat en aangeven welke dilemma’s kunnen ontstaan bij de uitvoering van taken ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit door politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke macht. Subdomein F3: Overheidsbeleid 23. De kandidaat kan: - een onderscheid maken tussen repressief en preventief beleid bij de bestrijding van criminaliteit; - typerende standpunten van politieke partijen over criminaliteitsbestrijding onderscheiden en in verband brengen met de ideologische stromingen waartoe die partijen behoren. Subdomein F4: Functies van straffen 24. De kandidaat kan een visie geven op de zin en de mogelijke effecten van (bepaalde) straffen. Subdomein F5: Oorzaken van criminaliteit 25. De kandidaat kan verschillende theorieën/visies toepassen bij het geven van verklaringen over het ontstaan of de toename van een gegeven vorm van criminaliteit. eindterm fff72f2d-c38b-4cdb-93b3-faeeb253f158 1.737
MW/H/Domein G Milieu en beleid MW/H Domein G: Milieu en beleid Subdomein G1: Milieu als maatschappelijk probleem 26. De kandidaat kan: - uitleggen waarom het milieuprobleem een sociaal en politiek probleem is; - verband leggen tussen milieuproblematiek en de industriële samenleving. Subdomein G2: Overheid 27. De kandidaat kan uiteenzetten op welke wijze de landelijke overheid, de provincie, de gemeente, de EU en internationale instanties zich met milieu bezighouden. Subdomein G3: Maatschappelijke organisaties 28. De kandidaat kan belangen(afwegingen) onderscheiden die een rol spelen bij de positiebepaling van het bedrijfsleven, werkgevers- en werknemersorganisaties en andere maatschappelijke organisaties ten aanzien van het milieu(beleid). Subdomein G4: Mondiaal niveau 29. De kandidaat kan: - de milieuproblematiek in verband brengen met de sociaal-economische verhoudingen op mondiaal niveau; - uitleggen wat het belang is van duurzame ontwikkeling voor het mondiale milieuvraagstuk. Subdomein G5: Milieu en cultuur 30. De kandidaat kan waarden, normen en gedrag van individuen, van maatschappelijke organisaties en politieke partijen onderscheiden met betrekking tot milieuproblemen. eindterm 2a472cbe-92d2-4535-80b8-602e5b25d2a8 1.738
MW/H/Domein H Ontwikkelingssamenwerking. MW/H Domein H: Ontwikkelingssamenwerking Subdomein H1: Ontwikkelingssamenwerking en beleid 31. De kandidaat kan aangeven welke motieven en belangen een rol spelen in het ontwikkelingsbeleid van Nederland en andere donorlanden. Subdomein H2: Nationale en internationale organisaties 32. De kandidaat kan uitleggen welke rol medefinancieringsorganisaties en internationale organisaties spelen in het terugdringen van onderontwikkeling. Subdomein H3: Economische betrekkingen 33. De kandidaat kan uitleggen hoe in het ontwikkelingsbeleid van Nederland en van andere westerse landen of internationale organisaties rekening kan worden gehouden met de economische belangen van de Derde Wereld. Subdomein H4: Ontwikkelingssamenwerking en cultuur 34. De kandidaat kan uitleggen wat het belang is van cultuur in ontwikkelingssamenwerking. eindterm 12faed56-26fb-42d3-a613-9bc61bf9a84d 1.739
MW MW/V Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo eindterm 5da4d336-f2cc-4535-99e4-58a1193f44a2 1.721
MW/V MW/V Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Politieke besluitvorming Domein C Massamedia Domein D Multiculturele samenleving Domein E Mens en werk Domein F Criminaliteit en rechtsstaat Domein G Milieu en beleid Domein H Ontwikkelingssamenwerking. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen B, C en F, in combinatie met domein A. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op: - twee van de domeinen D, E, G en H; - een nog niet gekozen domein uit de domeinen D, E, G en H, dan wel een door het bevoegd gezag vastgesteld domein; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 7e9674c2-c91a-4458-a775-ab4d6251d0cf 1.722
MW/V/Domein A Vaardigheden MW/V Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Informatievaardigheden 1. De kandidaat kan: - met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk verschillende typen vragen herkennen en zelfstandig vragen formuleren; - uit bronnenmateriaal over een concreet maatschappelijk vraagstuk, op basis van gegeven of zelf geformuleerde vragen, bruikbare gegevens selecteren; - (verworven) informatie over een concreet maatschappelijk vraagstuk vanuit gegeven of zelf geformuleerde vragen mede met behulp van ICT verwerken en daaruit beredeneerde conclusies trekken; - de resultaten van een leeractiviteit overdragen naar anderen; - bij raadplegen, verwerken en presenteren van informatie gebruik maken van toepassingen van ICT. Subdomein A2: Onderzoeksvaardigheden 2. De kandidaat kan een eenvoudig sociaal-wetenschappelijk onderzoek opzetten en uitvoeren over een concreet maatschappelijk vraagstuk en daarbij de benaderingswijzen van maatschappijleer toepassen. Subdomein A3: Benaderingswijzen 3. De kandidaat kan concrete maatschappelijke vraagstukken en ontwikkelingen analyseren en daarbij gebruikmaken van de benaderingswijzen van maatschappijleer: - de politiek-juridische benaderingswijze; - de sociaal-economische benaderingswijze; - de sociaal-culturele benaderingswijze; - de veranderings- en vergelijkende benaderingswijze. Subdomein A4: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 241dfb54-19ad-4490-b379-2d8d06d98a6e 1.723
MW/V/Domein B Politieke besluitvorming MW/V Domein B: Politieke besluitvorming Subdomein B1: Politieke structuren 4. De kandidaat kan de structuur van het Nederlandse stelsel van politieke besluitvorming en die van andere stelsels typeren. Subdomein B2: Actoren in het proces van politieke besluitvorming 5. De kandidaat kan beleids- en besluitvormingsprocessen analyseren met behulp van diverse modellen van het politieke proces en de rol van diverse actoren in het politieke proces. Subdomein B3: Politieke cultuur en politieke stromingen 6. De kandidaat kan in discussies over het politieke systeem en over beleidsvraagstukken veranderingen in de politieke cultuur beschrijven, en de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen onderscheiden. Subdomein B4: Internationale betrekkingen 7. De kandidaat kan uitleggen hoe politieke beleids- en besluitvormingsprocessen in Nederland worden beïnvloed door de politieke, economische en culturele verwevenheid van de internationale samenleving. eindterm 89af06c3-9c0e-4e86-b66f-f57c4381e4c3 1.724
MW/V/Domein C Massamedia MW/V Domein C: Massamedia Subdomein C1: Communicatie en massamedia 8. De kandidaat kan het functioneren van massamedia in de samenleving analyseren. Subdomein C2: Massamedia en technologische ontwikkelingen 9. De kandidaat kan analyseren welke relatie er bestaat tussen technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van de massamedia. Subdomein C3: Massamedia en de overheid 10. De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de overheid in ons land betrokken is bij de massamedia en kan het mediabeleid becommentariëren. Subdomein C4: Massamedia en commercie 11. De kandidaat kan de invloed analyseren van economische overwegingen, belangen en ontwikkelingen op de organisatie en de werking van de media en op het media-aanbod. Subdomein C5: Massamedia en cultuur 12. De kandidaat kan: - de invloed analyseren van sociaal-culturele ontwikkelingen en centrale waarden in de samenleving op de inhoud van het media-aanbod en op de organisatie van de media; - de invloed en macht van de media analyseren aan de hand van cultuuroverdracht, beeldvorming en beïnvloedingstheorieën. eindterm 645a7ace-9219-4a4f-818b-f2e1f35a6e56 1.725
MW/V/Domein D Multiculturele samenleving MW/V Domein D: Multiculturele samenleving Subdomein D1: Multiculturele samenleving 13. De kandidaat kan een beschrijving geven van de Nederlandse samenleving als een multiculturele samenleving en de aanwezigheid van de grootste allochtone groepen verklaren. Subdomein D2: Overheidsbeleid 14. De kandidaat kan de uitgangspunten en hoofdlijnen van vreemdelingenbeleid en minderhedenbeleid verwoorden en de standpunten van politieke partijen met betrekking tot genoemd beleid vergelijken en becommentariëren. Subdomein D3: Maatschappelijke positie 15. De kandidaat kan verschillende visies onderscheiden die een verklaring geven voor de maatschappelijke positie van etnische minderheden voor wat betreft arbeid en inkomen, onderwijs en huisvesting en de gevolgen van deze maatschappelijke positie uitleggen. Subdomein D4: Cultuur en discriminatie 16. De kandidaat kan: - de verhouding tussen allochtone groepen en autochtone groepen in Nederland beschrijven; - de mogelijke oorzaken en gevolgen van discriminatie aangeven; - mogelijke modellen beschrijven van samenlevingen met verschillende groepen en hun (sub)culturen. eindterm b58851c8-b1bf-48a8-b6c4-a076465cb4ff 1.726
MW/V/Domein E Mens en werk MW/V Domein E: Mens en werk Subdomein E1: Politieke visies en verzorgingsstaat 17. De kandidaat kan: - aangeven welke visies de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen in Nederland hebben op sociaal-economische vraagstukken en op de rol die de overheid op sociaal-economisch terrein dient te spelen; - de ontwikkeling van de verzorgingsstaat beschrijven en verschillende visies hierop benoemen; - aangeven op welke verschillende manieren de overheid betrokken is bij het sociaal-economisch proces. Subdomein E2: Economische orde 18. De kandidaat kan de Nederlandse economische orde vergelijken met die van andere landen. Subdomein E3: Arbeidsverhoudingen 19. De kandidaat kan van de belangrijkste groeperingen die betrokken zijn bij arbeid aangeven wat hun belangen zijn, hoe ze georganiseerd zijn en wat hun onderlinge verhoudingen zijn. Subdomein E4: Arbeidsverdeling 20. De kandidaat kan uitleggen welke gevolgen een voortschrijdende arbeidsverdeling heeft voor mens en samenleving. Subdomein E5: Arbeid en informatisering 21. De kandidaat kan de invloed van informatisering op arbeid en samenleving beschrijven. Subdomein E6: Betekenis en waardering van werk 22. De kandidaat kan uitleggen wat de betekenis is van werk voor mens en samenleving. eindterm 755f328e-b968-4e6c-aef0-631a42187445 1.727
MW/V/Domein F Criminaliteit en rechtsstaat MW/V Domein F: Criminaliteit en rechtsstaat Subdomein F1: Criminaliteit en samenleving 23. De kandidaat kan een beschrijving geven van aard en omvang van het verschijnsel criminaliteit en daarmee samenhangende vraagstukken voor burger en samenleving. Subdomein F2: De rechtsstaat 24. De kandidaat kan strafbaarstelling en aanpak van criminaliteit door de staat in verband brengen met de uitgangspunten van de rechtsstaat en aangeven welke dilemma’s kunnen ontstaan bij de uitvoering van taken ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit door politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke macht. Subdomein F3: Overheidsbeleid 25. De kandidaat kan: - een onderscheid maken tussen repressief en preventief beleid bij de bestrijding van criminaliteit; - typerende standpunten van politieke partijen over criminaliteitsbestrijding onderscheiden en in verband brengen met de ideologische stromingen waartoe die partijen behoren. Subdomein F4: Functies van straffen 26. De kandidaat kan een visie geven op de zin en de mogelijke effecten van (bepaalde) straffen. Subdomein F5: Oorzaken van criminaliteit 27. De kandidaat kan verschillende theorieën/visies toepassen bij het geven van verklaringen voor het ontstaan of de toename van een gegeven vorm van criminaliteit. eindterm 398f7fc4-251f-498a-975e-5b64e817a853 1.728
MW/V/Domein G Milieu en beleid MW/V Domein G: Milieu en beleid Subdomein G1: Milieu als maatschappelijk probleem 28. De kandidaat kan sociale dilemma's herkennen in de oorzaken van de milieuproblematiek en de aanpak hiervan door de overheid, het bedrijfsleven en individuele burgers. Subdomein G2: Overheid 29. De kandidaat kan de effectiviteit van het milieubeleid analyseren aan de hand van taken, verantwoordelijkheden en beleidsinstrumenten van regionale, landelijke en internationale overheden en internationale instanties. Subdomein G3: Maatschappelijke organisaties 30. De kandidaat kan belangen(afwegingen) onderscheiden die een rol spelen bij de oppositiebepaling van bedrijfsleven, werkgevers- en werknemersorganisaties en andere maatschappelijke organisaties ten aanzien van het milieu(beleid). Subdomein G4: Mondiaal niveau 31. De kandidaat kan: - de milieuproblematiek in verband brengen met de sociaal-economische verhoudingen op mondiaal niveau; - uitleggen wat het belang is van duurzame ontwikkeling voor het mondiale milieuvraagstuk. Subdomein G5: Milieu en cultuur 32. De kandidaat kan: - waarden, normen, attitude en gedrag onderscheiden met betrekking tot milieuproblemen; - uitleggen welke invloed individueel gedrag heeft op de milieuproblematiek. eindterm 274fca71-d517-41b3-9e33-d099537f8d26 1.729
MW/V/Domein H Ontwikkelingssamenwerking. MW/V Domein H: Ontwikkelingssamenwerking Subdomein H1: Ontwikkelingssamenwerking en beleid 33. De kandidaat kan op basis van verschillende motieven, visies en belangen een oordeel geven over de betekenis en effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingsbeleid. Subdomein H2: Nationale en internationale organisaties 34. De kandidaat kan de rol van medefinancieringsorganisaties en de rol van internationale organisaties analyseren bij het terugdringen van onderontwikkeling tegen de achtergrond van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, internationale verhoudingen en internationalisering/globalisering. Subdomein H3: Economische betrekkingen 35. De kandidaat kan aangeven in welke mate het ontwikkelingsbeleid van Nederland en van andere westerse landen of internationale organisaties rekening houdt met de economische belangen van de Derde Wereld. Subdomein H4: Ontwikkelingssamenwerking en cultuur 36. De kandidaat kan in ontwikkelingsbeleid en ontwikkelingssamenwerking het belang van de culturele dimensie aangeven. eindterm 61b07460-0775-4902-abde-efffc85e402c 1.730
MO/H MO/H Examenprogramma management en organisatie havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Interne organisatie en personeelsbeleid Domein C Financiering van activiteiten Domein D Marketingbeleid Domein E Financieel beleid Domein F Informatievoorziening met behulp van ICT Domein G Externe financiële verslaggeving. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen C, E en G, in combinatie met domein A. De CEVO kan bepalen, dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en: - de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm fb635fa5-e573-4706-9ae2-bdf2fa55c3e9 1.741
MO/H/Domein A Vaardigheden MO/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Economische aspecten van vraagstukken binnen organisaties 1. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen commerciële en niet- commerciële organisaties de economische dimensie vanuit het perspectief van het management verklaren. Subdomein A2: Economische instrumenten 2. De kandidaat kan: - economische werkwijzen toepassen; - economische begrippen hanteren; - economische grootheden hanteren; - economische relaties verklaren. Subdomein A3: Economische perspectieven en belangen 3. De kandidaat kan economische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie. Subdomein A4: Informatievaardigheden 4. De kandidaat kan: - verschillende typen (onderzoeks)vragen herkennen en zelfstandig (onderzoeks)vragen formuleren; - in relatie tot een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag informatie verwerven; - informatie vanuit een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag selecteren en ordenen; - verbale, grafische, tabellarische en wiskundige/rekenkundige gegevens vertalen, mede met gebruikmaking van ICT; - de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen. Subdomein A5: Strategische vaardigheden 5. De kandidaat kan: - verschillende typen organisaties identificeren; - modellen hanteren die op deze typen organisaties betrekking hebben; - met behulp van deze modellen vraagstukken binnen deze organisaties stapsgewijs oplossen. Subdomein A6: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 543e3869-e0cf-49df-994c-ecf414bdc8c8 1.742
MO/H/Domein B Interne organisatie en personeelsbeleid MO/H Domein B: Interne organisatie en personeelsbeleid Subdomein B1: Interne organisatie 6. De kandidaat kan beschrijven en verklaren op welke manier(en) de functies binnen commerciële en niet-commerciële organisaties dienen samen te hangen om tot goede beslissingen te komen. Subdomein B2: Personeelsbeleid 7. De kandidaat kan: - analyseren en verklaren waarom een organisatie bij het selecteren van personeel grote waarde hecht aan de economische voor- en nadelen die de organisatie heeft van nieuwe personeelsleden; - verklaren waarom de overheid via wetgeving of andere maatregelen tracht de positie van bepaalde sociale groeperingen op de arbeidsmarkt te beïnvloeden. eindterm e54f90f6-8703-46ef-bce3-9e93ebd0ac4c 1.743
MO/H/Domein C Financiering van activiteiten MO/H Domein C: Financiering van activiteiten Subdomein C1: Rechtsvormen 8. De kandidaat kan de verschillende rechtsvormen beschrijven die commerciële en niet-commerciële organisaties kunnen kiezen, en verklaren waarom de organisatie voor een bepaalde rechtsvorm kiezen. Subdomein C2: Aantrekken van geld 9. De kandidaat kan: - de werking van de vermogensmarkt beschrijven vanuit het perspectief van particulieren, commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties; - verklaren welke mogelijkheden, beperkingen en redenen er zijn voor particulieren, commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties voor het aantrekken van vermogen; - de keuze voor het aantrekken van het vermogen cijfermatig ondersteunen. eindterm 32af14ba-15b8-4d5e-8204-43f1de1beb0d 1.744
MO/H/Domein D Marketingbeleid MO/H Domein D: Marketingbeleid Subdomein D1: Marketing van niet-commerciële organisaties 10. De kandidaat kan: - verklaren wat het belang van marketing is voor niet-commerciële organisaties en welke principes daarbij van belang zijn; - de mogelijke marketingdoelstellingen herkennen en de relatie beschrijven tussen de marketingdoelstellingen, de doelstelling van de organisatie en de belangen van de consument. Subdomein D2: Marketing van commerciële organisaties 11. De kandidaat kan: - de mogelijke marketingdoelstellingen en de marketinginstrumenten herkennen en de relatie verklaren tussen de marketingdoelstellingen en de doelstelling van de organisatie; - verklaren wat het belang van marketing is voor commerciële organisaties, beschrijven hoe een commerciële organisatie informatie kan verzamelen voor de vaststelling van het marketingbeleid en voor de evaluatie van de ingezette instrumenten; - de kostenconsequenties berekenen van het inzetten van marketinginstrumenten op basis van verstrekte gegevens. eindterm 734ecfa6-601e-4ba6-b9cc-db578781e2ec 1.745
MO/H/Domein E Financieel beleid MO/H Domein E: Financieel beleid Subdomein E1: Financieel beleid in niet-commerciële organisaties 12. De kandidaat kan op basis van algemene modellen een overzicht van inkomsten en uitgaven herleiden tot een staat van baten en lasten (en vice versa). Subdomein E2: Financieel beleid in commerciële organisaties 13. De kandidaat kan: - op basis van algemene modellen de verkoopprijs berekenen; - de uitgaven en ontvangsten herleiden tot kosten en opbrengsten, een liquiditeitsbegroting en de voorcalculatorische en de nacalculatorische resultatenrekening opstellen en de samenhang verklaren; - berekeningen uitvoeren die gericht zijn op de herleiding of vaststelling van data van een algemeen model voor de interne verslaggeving. eindterm 508b9397-12aa-40e9-8de7-e03eebe29024 1.746
MO/H/Domein F Informatievoorziening met behulp van ICT MO/H Domein F: Informatievoorziening met behulp van ICT Subdomein F1: Informatiestromen in organisaties 14. De kandidaat kan verklaren welke informatie van belang is voor een organisatie om haar bedrijfsvoering zo goed mogelijk uit te voeren en hoe met behulp van ICT de kwaliteit van de informatievoorziening verbeterd kan worden. Subdomein F2: Toepassing van computerprogramma’s in het kader van informatievoorziening van organisaties 15. De kandidaat kan eenvoudige toepassingen van bestaande computerprogramma’s aanwenden ten behoeve van de informatievoorziening van organisaties. eindterm a7982ac0-c520-4199-a872-660e931c0f09 1.747
MO/H/Domein G Externe financiële verslaggeving. MO/H Domein G: Externe financiële verslaggeving 16. De kandidaat kan: - de begroting en de jaarrekening van commerciële en niet-commerciële organisaties verklaren, zoals deze worden voorgelegd aan medezeggenschapsraden, ondernemingsraden en leden- of aandeelhoudersvergaderingen; - een balans en de resultatenrekening voor het externe verslag opstellen en uit potentiële data de relevante grootheden kiezen. eindterm 86849d64-d534-4d95-9b26-825c9c6183c1 1.748
MO MO/Management en Organisatie eindterm 23fb4812-1830-4da8-b802-3f7c488e2642 1.740
MO/V MO/V Examenprogramma management en organisatie vwo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Interne organisatie en personeelsbeleid Domein C Financiering van activiteiten Domein D Marketingbeleid Domein E Financieel beleid Domein F Informatievoorziening met behulp van ICT Domein G Externe financiële verslaggeving. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen C, E en G, in combinatie met domein A. De CEVO kan bepalen, dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en: - de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 0b7331c2-2808-4235-8b03-bd4d04a5b1e4 1.749
MO/V/Domein A Vaardigheden MO/V Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Economische aspecten van vraagstukken binnen organisaties 1. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen commerciële en niet- commerciële organisaties de economische dimensie vanuit het perspectief van het management verklaren. Subdomein A2: Economische instrumenten 2. De kandidaat kan: - economische werkwijzen toepassen; - economische begrippen hanteren; - economische grootheden hanteren; - economische relaties verklaren. Subdomein A3: Economische perspectieven en belangen 3. De kandidaat kan economische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie. Subdomein A4: Informatievaardigheden 4. De kandidaat kan: - verschillende typen (onderzoeks)vragen herkennen en zelfstandig (onderzoeks)vragen formuleren; - in relatie tot een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag informatie verwerven; - informatie vanuit een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag selecteren en ordenen; - verbale, grafische, tabellarische en wiskundige/rekenkundige gegevens vertalen, mede met gebruikmaking van ICT; - de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen. Subdomein A5: Strategische vaardigheden 5. De kandidaat kan: - verschillende typen organisaties identificeren; - modellen hanteren die op deze typen organisaties betrekking hebben; - met behulp van deze modellen vraagstukken binnen deze organisaties stapsgewijs oplossen. Subdomein A6: Oriëntatie op studie en beroep eindterm b5431da3-1246-40e2-a67c-ae835c7ebeed 1.750
MO/V/Domein B Interne organisatie en personeelsbeleid MO/V Domein B: Interne organisatie en personeelsbeleid Subdomein B1: Interne organisatie 6. De kandidaat kan beschrijven en verklaren op welke manier(en) de functies binnen commerciële en niet-commerciële organisaties dienen samen te hangen om tot goede beslissingen te komen. Subdomein B2: Personeelsbeleid 7. De kandidaat kan: - analyseren en verklaren waarom een organisatie bij het selecteren van personeel grote waarde hecht aan de economische voor- en nadelen die de organisatie heeft van nieuwe personeelsleden; - verklaren waarom de overheid via wetgeving of andere maatregelen tracht de positie van bepaalde sociale groeperingen op de arbeidsmarkt te beïnvloeden. eindterm c46cd9ff-e6c1-491b-bba5-4fe957011b5b 1.751
MO/V/Domein C Financiering van activiteiten MO/V Domein C: Financiering van activiteiten Subdomein C1: Rechtsvormen 8. De kandidaat kan de verschillende rechtsvormen beschrijven die commerciële en niet-commerciële organisaties kunnen kiezen, en verklaren waarom de organisatie voor een bepaalde rechtsvorm kiezen. Subdomein C2: Aantrekken van geld 9. De kandidaat kan: - de werking van de vermogensmarkt beschrijven vanuit het perspectief van particulieren, commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties; - verklaren welke mogelijkheden, beperkingen en redenen er zijn voor particulieren, commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties voor het aantrekken van vermogen; - de keuze voor het aantrekken van het vermogen cijfermatig ondersteunen. eindterm f3f4bf73-a8cc-4b45-b4d2-977ff96a0ac9 1.752
MO/V/Domein D Marketingbeleid MO/V Domein D: Marketingbeleid Subdomein D1: Marketing van niet-commerciële organisaties 10. De kandidaat kan: - verklaren wat het belang van marketing is voor niet-commerciële organisaties en welke principes daarbij van belang zijn; - de mogelijke marketingdoelstellingen herkennen en de relatie beschrijven tussen de marketingdoelstellingen, de doelstelling van de organisatie en de belangen van de consument. Subdomein D2: Marketing van commerciële organisaties 11. De kandidaat kan: - de mogelijke marketingdoelstellingen en de marketinginstrumenten herkennen en de relatie verklaren tussen de marketingdoelstellingen en de doelstelling van de organisatie; - verklaren wat het belang van marketing is voor commerciële organisaties, beschrijven hoe een commerciële organisatie informatie kan verzamelen voor de vaststelling van het marketingbeleid en voor de evaluatie van de ingezette instrumenten; - de kostenconsequenties berekenen van het inzetten van marketinginstrumenten op basis van verstrekte gegevens. eindterm 79727143-7e27-4140-ab7e-6521d2a2fb23 1.753
MO/V/Domein E Financieel beleid MO/V Domein E: Financieel beleid Subdomein E1: Financieel beleid in niet-commerciële organisaties 12. De kandidaat kan op basis van algemene modellen een overzicht van inkomsten en uitgaven herleiden tot een staat van baten en lasten (en vice versa). Subdomein E2: Financieel beleid in commerciële organisaties: handelsondernemingen 13. De kandidaat kan: - op basis van algemene modellen de verkoopprijs berekenen; - de uitgaven en ontvangsten herleiden tot kosten en opbrengsten, een liquiditeitsbegroting en de voorcalculatorische en de nacalculatorische resultatenrekening opstellen en de samenhang verklaren; - berekeningen uitvoeren die gericht zijn op de herleiding of vaststelling van data van een algemeen model voor de interne verslaggeving. Subdomein E3: Financieel beleid in commerciële organisaties: industriële ondernemingen 14. De kandidaat kan: - op basis van algemene modellen voor een bedrijf met stukproductie of voor een bedrijf met homogene massaproductie de fabricagekostprijs, de commerciële kostprijs en de verkoopprijs vaststellen, en daarbij onderscheid maken tussen werkelijke kosten en toegestane kosten; - de ontwikkeling in de resultaten analyseren, zowel met behulp van gegevens uit interne als uit externe verslaggeving; - op grond van geformuleerde doelstellingen geplande investeringen selecteren; - de balans en de resultatenrekening zowel ten behoeve van de externe als ten behoeve van de interne verslaggeving opstellen, en de relatie tussen de interne en externe verslaggeving analyseren en beschrijven. eindterm f557aeb1-bec6-45e8-8635-819ff75e794b 1.754
MO/V/Domein F Informatievoorziening met behulp van ICT MO/V Domein F: Informatievoorziening met behulp van ICT Subdomein F1: Informatiestromen in organisaties 15. De kandidaat kan analyseren welke informatie van belang is voor een organisatie om haar bedrijfsvoering zo goed mogelijk uit te voeren en hoe met behulp van ICT de kwaliteit van de informatievoorziening verbeterd kan worden. Subdomein F2: Toepassing van computerprogramma’s in het kader van informatievoorziening van organisaties 16. De kandidaat kan eenvoudige toepassingen van bestaande computerprogramma’s aanwenden ten behoeve van de informatievoorziening van organisaties. eindterm 689f1b67-a185-4c9b-9b5a-5e177e4ab1fa 1.755
MO/V/Domein G Externe financiële verslaggeving. MO/V Domein G: Externe financiële verslaggeving 17. De kandidaat kan: - de begroting en de jaarrekening van commerciële en niet-commerciële organisaties analyseren, zoals deze worden voorgelegd aan medezeggenschapsraden, ondernemingsraden en leden- of aandeelhoudersvergaderingen; - een balans en de resultatenrekening voor het externe verslag opstellen en uit potentiële data de relevante grootheden kiezen. eindterm 322f9ec4-d540-4e9a-b403-5b53560f1e90 1.756
MaT/Kern Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en – ontwikkeli ng. eindterm 58fabf99-569f-4e06-b4ad-3de0d0a28b51 2.101
PK/MT/A a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. informatie op allerlei manieren overzichtelijk en efficiënt verzamelen, ordenen en weergeven; a.3. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.4. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.5. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.7. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.8. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.9. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.10. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.11. professionele hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.12. hygiënisch werken; a.13. milieubewust handelen; a.14. zich aan -en inpassen in een bedrijfscultuur; a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.16. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. eindterm c634f151-f271-4abe-8add-51366e70845c 2.102
PK/MT/B b. Professionele kennis en vaardigheden   Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. voorbeelden geven van technologische en innovatieve ontwikkelingen; b.4. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie; Voorbereiden De kandidaat kan: b.5. de relaties van natuurkundige grootheden naar de technische praktijk kunnen uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.6. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.7. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.8. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.9. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.10. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.11. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren.   Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.12. een tekening lezen; b.13. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.14. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.15. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.16. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.17. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.18. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.19. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.20. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo -en Milieu (KAM) -zorg; b.21. een werkstuk, product en systeem samenstellen.   Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.22. een werkstuk, product, systeem en/ of dienst toetsen en evalu eren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.23. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren.   eindterm 6a151e36-ca46-49f0-b73d-4cc14e191c63 2.103
PK/MT/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. Wat kan ik het best en hoe weet ik dat? [Kwaliteitenreflectie] 2. Waar ga en sta ik voor en waarom dan? [Motievenreflectie] 3. Waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar? [Werkexploratie] 4. Hoe bereik ik mijn doel en waarom zo? [Loopbaansturing] 5. Wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen? [Netwerken] c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen door middel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies   eindterm f09fb04d-610f-4117-892a-3a77341761b1 2.104
P/MT/01 Module 1: maritieme logistiek en communicatie (v2020) Taak: o maritiem vervoer onderscheiden, benoemen en verklaren o een presentatie geven over Nederland als maritiem land o assisteren bij laad- en loswerkzaamheden o communiceren en beroepsmatig handelen o ondernemend handelen   eindterm 91393491-7a0d-4b8b-ade9-bdd9a0165f83 2.105
P/MT/02 Module 2: maritieme veiligheid (v2020) Taak: o werken volgens de wettelijke voorschriften in de maritieme sector op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu o kordaat optreden in noodgevallen en bij calamiteiten o brandpreventiemaatregelen treffen o in geval van brand instructies opvolgen, brandbestrijdingsmiddelen kiezen en gebruiken   eindterm 6cf9f623-df89-46c7-83c5-8ed0f5068bca 2.106
P/MT/03 Module 3: maritieme installaties (v2020) Taak: o werkzaamheden aan een maritieme installatie en- uitrustingen voorbereiden o installaties op de werkplek herkennen, benoemen en gebruiken o een eenvoudig hydraulisch, pneumatisch en elektrisch systeem verklaren en demonstreren eindterm 77c9b3ac-b9ba-427a-8a1e-a1b5dca04d3d 2.107
P/MT/04 Module 4: reparatie en onderhoud (v2020) Taak: o bijdragen aan de algemene technische veiligheid o onderhoudswerkzaamheden uitvoeren o eenvoudige reparaties uitvoeren   eindterm e084f67a-86e3-4b9e-994e-4320d6ad8d9f 2.108
PK/MVI/A a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. informatie op allerlei manieren overzichtelijk en efficiënt verzamelen, ordenen en weergeven; a.3. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.4. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.5. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.7. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.8. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.9. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.10. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.11. professionele hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.12. hygiënisch werken; a.13. milieubewust handelen; a.14. zich aan -en inpassen in een bedrijfscultuur; a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.16. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. eindterm 28edb125-fccf-4b85-99b5-c1f0573a4fec 2.128
PK/MVI/B b. Profesionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. voorbeelden geven van technologische en innovatieve ontwikkelingen; b.4. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie; Voorbereiden De kandidaat kan: b.5. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.6. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.7. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.8. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.9. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.10. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.11. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.12. een tekening lezen; b.13. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.14. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.15. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.16. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.17. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.18. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.19. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.20. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.21. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.22. een werkstuk, product, systeem en/ of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.23. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren. eindterm 65309191-57dd-4584-b1ec-3b971fd62da3 2.140
PK/MVI/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.   c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I.   de beoogde doelen II.  de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten zijn gepland op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies. eindterm 5af1b9c8-a424-4d04-89bb-8638dd3cfab1 2.141
P/MVI/01 Module 1: Audiovisuele vormgeving en productie (v2020) Taak: o een audiovisuele (AV) productie van 2 tot 3 minuten maken van script tot film en deze presenteren o een AV animatie van 20 seconden maken en presenteren van script tot eindproduct o een fotoserie maken en deze presenteren   eindterm 8066e542-f7eb-4dcc-9dfe-e9ef9167cc7f 2.163
P/MVI/02 Module 2: 2D- en 3D-vormgeving en -productie (v2020) Taak: o een 2D mediaproduct passend bij een doelgroep vormgeven, maken en presenteren o een 3D product passend bij een doelgroep vormgeven, maken en presenteren   eindterm b5bc3312-8141-47f7-b76c-e1cd4b12cdb1 2.164
P/MVI/03 Module 3: ICT (v2020) Taak: o hardware onderdelen vervangen en aansluiten o software installeren en veelvoorkomende problemen oplossen o een eenvoudige ICT- infrastructuur installeren o eindgebruikers informeren en adviseren over ICT- producten en het gebruik ervan   eindterm 6979351f-4691-4d82-974b-a99723814c7a 2.165
P/MVI/04 Module 4: Interactieve vormgeving en productie (v2020) Taak: o aan de hand van een thema een digitaal interactief product ontwerpen en maken voor verschillende soorten apparaten o een website ontwerpen en maken voor verschillende soorten apparaten eindterm 63bafa16-94fd-49af-8f7e-1d674e1bcbf4 2.166
PK/MET/A a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. informatie op allerlei manieren overzichtelijk en efficiënt verzamelen, ordenen en weergeven; a.3. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.4. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.5. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.7. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.8. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.9. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.10. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.11. professionele hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.12. hygiënisch werken; a.13. milieubewust handelen; a.14. zich aan -en inpassen in een bedrijfscultuur; a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.16. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. eindterm f5be315c-bfe2-4dd6-bf53-b1186db4c0d6 2.129
PK/MET/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.   c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I.   de beoogde doelen II.  de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten zijn gepland op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies. eindterm 9da437f9-6609-43c9-9a39-ce9f633ae7c6 2.144
P/MET/01 Module 1: Motorconditie testen (v2020) Taak: o motormechanische delen meten o werkzaamheden aan een smeersysteem uitvoeren o werkzaamheden aan een koelsysteem uitvoeren   eindterm a647d0e0-df99-4d37-ba4e-b0fc1226d421 2.167
P/MET/02 Module 2: Wielophanging en carrosserie (v2020) Taak: o wielophanging en veersysteem controleren, beoordelen en vervangen o banden en wielen controleren, beoordelen, vervangen, repareren en balanceren o delen van de carrosserie inbouwen, uitbouwen en afstellen   eindterm fa64df67-0854-4e50-8fa7-facc710c6463 2.168
P/MET/03 Module 3: Verlichtings- en comfortsystemen (v2020) Taak: o eenvoudige elektrische schakelingen maken en metingen uitvoeren o verlichtings- en signaleringssystemen controleren, repareren en volgens eenvoudige schema’s aansluiten o comfort en veiligheidssysteem controleren o elektromotoren aansluiten en testen   eindterm 90062720-58f4-43d3-9788-d11577773d7c 2.169
P/MET/04 Module 4: Transport (v2020) Taak: o een bedrijfsvoertuig veilig laden en lossen o een bedrijfsvoertuig vervoersklaar maken en een technische rijklaar-controle uitvoeren o een ritplanning en een routeplanning maken (nationaal en internationaal)   eindterm c29c1a2c-7e52-4261-9845-68f7ce5a5a19 2.170
PK/MET/B b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. voorbeelden geven van technologische en innovatieve ontwikkelingen; b.4. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie; Voorbereiden De kandidaat kan: b.5. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.6. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.7. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.8. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.9. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.10. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.11. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.12. een tekening lezen; b.13. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.14. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.15. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.16. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.17. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.18. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.19. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.20. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.21. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.22.een werkstuk, product, systeem en/ of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.23.een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren. eindterm 042c6c4b-9396-4d5c-ab81-e81089a0c47a 2.142
NASK1/K/1 NASK1/K/1  Oriëntatie op leren en werken 1.  De kandidaat kan zich oriënteren op het belang van natuurkunde en natuurkundige technieken in de eigen beroepsopleiding, in de eigen toekomst en in de maatschappij.      eindterm d26c8b74-9671-4a4e-824f-03b4e9b1b4ab 1.400
NASK1/K/2 NASK1/K/2  Basisvaardigheden 2.  De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken. eindterm 0522ccb5-ee41-4913-9a24-5d644afa1da8 1.401
NASK1/K/7 NASK1/K/7  Licht en beeld 11.  De kandidaat kan: − rechtlijnige lichtstralen, verschillende soorten lichtbundels, schaduwvorming, kleurvorming en verschillende soorten straling toepassen; − verschillende soorten lenzen herkennen en de werking van de vlakke spiegel en de bolle lens toepassen; − beeldvorming bij het menselijk oog en oogafwijkingen toepassen. eindterm b680bc0d-afe0-4938-a4a7-745e4a8ff8f3 1.406
NASK1/P/1 NASK1/P 1 Werken aan vakoverstijgende thema's De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden; 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen; 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling; 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband; 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving; 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie; 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid; 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media. eindterm 1e9b3064-673c-40df-bb85-36df7d9e8409 1.622
NASK1/P/2 NASK1/P 2 Leren uitvoeren De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren; 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands; 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen; 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen; 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie; 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur; 2.7 computervaardigheden. eindterm a50a8d06-190b-49a5-96d4-a1c8e8ceab75 1.623
NASK1/P/3 NASK1/P 3 Leren leren De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren. Het gaat daarbij om: 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten; 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis; 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie; 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen; 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken; 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging; 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen. eindterm 993aba30-0366-404f-afb9-ccc55efc060b 1.624
NASK1/P/4 NASK1/P 4 Leren communiceren De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen; 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband; 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren; 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren; 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren; 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures; 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren. eindterm a9ebe54f-76c5-4b05-b727-fc2f614980ff 1.625
NASK1/P/5 NASK1/P 5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces. Het gaat daarbij om: 5.1 een leer- en/of werkplanning maken; 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken; 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken. eindterm 746bab61-5e37-4439-950d-de044a53b4d8 1.626
NASK1/P/6 NASK1/P 6 Leren reflecteren op de toekomst De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses; 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie; 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen; 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk; 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst; 6.6 de organisatie van branches en bedrijven; 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren; 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding. eindterm 66cff9f0-30dd-44f8-b46c-cda9b3b79a85 1.627
NASK1/K/3 NASK1/K/3  Leervaardigheden in het vak natuurkunde 3. (BB)  De kandidaat kan: − basisrekenvaardigheden toepassen; − natuurkundige grootheden hanteren en met behulp van formules en woordformules daarmee berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten; − natuurkundige apparatuur gebruiken, daarmee experimenten uitvoeren en de resultaten interpreteren; − de computer gebruiken om met meetprogramma’s experimenten uit te voeren en te interpreteren, om met applets en simulaties onderzoek te doen en om natuurkundige informatie te selecteren en te verwerken; − een onderzoek doen en een ontwerpproces uitvoeren en evalueren, daarbij ook rekening houdend met de veiligheid.          eindterm fa74ef2f-6c76-4031-9904-b39214625114 1.402
NASK1/K/4 NASK1/K/4  Stoffen en materialen 5. (BB)  De kandidaat kan: − soorten materialen en hun stofeigenschappen herkennen en toepassen; − gevaren van stoffen voor de mens en het milieu herkennen en vermijden door veilig te werken en verantwoord met afvalstoffen om te gaan; − chemische processen herkennen. eindterm 9cffda6f-67a6-4275-80ec-47e1eba7ae5b 1.403
NASK1/K/5 NASK1/K/5  Elektrische energie 7. (BB)  De kandidaat kan: − elektrische schakelingen ontwerpen en analyseren en hierover berekeningen uitvoeren; − beveiligingen voor elektriciteit verklaren en toepassen en keuzes tussen verschillende apparaten beargumenteren. eindterm a46d35ad-62ca-46bf-9f72-9e0c50c9f458 1.404
NASK1/K/6 NASK1/K/6  Verbranden en verwarmen 9. (BB)  De kandidaat kan: − het proces van verbranden beschrijven en de verspreiding en isolatie van warmte verklaren en toepassen; − de manieren van opwekking van elektrische energie en de gevolgen ervan beschrijven. eindterm b8834eff-e292-458b-9bf6-eef8724bb019 1.405
NASK1/K/8 NASK1/K/8  Geluid 12. (BB)  De kandidaat kan de eigenschappen van geluid toepassen en de gevolgen van geluidshinder en de beperking van geluidshinder toelichten.   13. (KB/GL/TL)  De kandidaat kan: − de eigenschappen van geluid toepassen en de gevolgen van geluidshinder en de beperking van geluidshinder toelichten; − geluid vastleggen met oscilloscoop of computer en daaruit de frequentie bepalen; − de werking van een luidspreker uitleggen. eindterm d7e212a0-6d35-46e0-a93d-7cd6003c7373 1.407
NASK1/K/9 NASK1/K/9  Kracht en veiligheid 14. (BB)  De kandidaat kan: − de werking van verschillende soorten krachten en de druk van een voorwerp op de ondergrond beschrijven en in evenwichtsituaties kwalitatief de hefboomwet toepassen; − bij een bewegend voorwerp diagrammen interpreteren, krachten samenstellen en de gemiddelde snelheid berekenen; − veiligheidsmaatregelen in het verkeer uitleggen en toepassen.   15. (KB/GL/TL) De kandidaat kan: − de werking van verschillende soorten krachten en de druk van een voorwerp op de ondergrond berekenen en in evenwichtsituaties kwalitatief de hefboomwet toepassen; − bij een bewegend voorwerp diagrammen interpreteren, krachten samenstellen en de gemiddelde snelheid berekenen; − veiligheidsmaatregelen in het verkeer uitleggen en toepassen en verschijnselen van traagheid verklaren. eindterm abf5e7ae-c57d-4daa-baa3-25e30f7339b6 1.408
NASK1/K/10 NASK1/K/10  Bouw van de materie    16. (BB)  De kandidaat kan: − de bouw van stoffen en materialen beschrijven in termen van moleculen en atomen; − het gedrag van atomen en moleculen in de verschillende fasen uitleggen. eindterm bf651d1d-f36c-43d0-ad76-33577b3ac1a6 1.409
NASK1/V/1 NASK1/V/1  Veiligheid in het verkeer 20.  De kandidaat kan: − berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten in situaties van verkeer en veiligheid; − uit bronnen over bewegingen of botsingen gegevens selecteren en verwerken.      eindterm fba3d21f-dae9-4cf3-a8b0-b58cf265033e 1.413
NASK1/V/2 NASK1/V/2  Constructies 21. De kandidaat kan: − in constructies krachten onderscheiden, ontbinden, samenstellen en berekenen; − de plaats van het massamiddelpunt bepalen en berekeningen met de hefboomwet uitvoeren.      eindterm 438dc196-94ef-4df0-8ae4-1357cf7934db 1.414
NASK1/V/3 NASK1/V/3  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    22. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk. eindterm 17737f95-ae96-4922-af6d-dd709721a5bf 1.415
NASK1/V/4 NASK1/V/4  Vaardigheden in samenhang 23. De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.      eindterm 25089fa0-8ce6-431e-aa26-f604b1d5337a 1.416
NASK1/K/11 NASK1/K/11  Straling en stralingsbescherming    18.  De kandidaat kan: − bronnen van ioniserende straling noemen; − radioactief verval en toepassingen ervan beschrijven; − veiligheidsmaatregelen tegen ongewenste effecten van straling en radioactieve stoffen beschrijven.      eindterm 84e0bf61-1d68-4967-8233-286b00729076 1.410
NASK1/K/12 NASK1/K/12  Het weer    19. De kandidaat kan: − het meten van temperatuur en luchtdruk toepassen; − het ontstaan van wolken, neerslag en bliksem beschrijven; -  maatschappelijk.      eindterm a8fdbe9a-fb34-4f3e-90d3-e409b3033fec 1.411
NASK1/K/3 NASK1/K/3  Leervaardigheden in het vak natuurkunde 4. (KB/GL/TL)  De kandidaat kan: − rekenvaardigheden toepassen; − natuurkundige grootheden hanteren en met behulp van formules daarmee berekeningen uitvoeren en redeneringen opzetten; − natuurkundige apparatuur gebruiken, daarmee experimenten uitvoeren en de resultaten interpreteren; − de computer gebruiken om met meetprogramma’s experimenten uit te voeren en te interpreteren, om met applets en simulaties onderzoek te doen en om natuurkundige informatie te selecteren en te verwerken; − een onderzoek doen en een ontwerpproces uitvoeren en evalueren, daarbij ook rekening houdend met de veiligheid. eindterm df394cb0-9d09-4bbc-8091-02f287c25fac 1.634
NASK1/K/4 NASK1/K/4  Stoffen en materialen 6. (KB/GL/TL)  De kandidaat kan: − soorten materialen en hun stofeigenschappen herkennen en toepassen; − gevaren van stoffen en effecten van chemische en natuurkundige processen voor de mens en het milieu herkennen, en maatregelen nemen om ongewenste effecten hiervan te vermijden door veilig te werken en verantwoord met afvalstoffen om te gaan; − zinken-zweven-drijven toepassen met behulp van dichtheid. eindterm 466ba0d0-8c03-4976-ba9b-fe294ffbf532 1.635
NASK1/K/5 NASK1/K/5  Elektrische energie 8. (KB/GL/TL)  De kandidaat kan: − elektrische schakelingen ontwerpen en analyseren en hierover berekeningen uitvoeren; − beveiligingen voor elektriciteit verklaren en toepassen en keuzes tussen verschillende apparaten beargumenteren; − de werking van de dynamo en de transformator beschrijven met begrippen uit het magnetisme. eindterm 206fdcc9-8693-4bc5-997a-65c82d9bf0dc 1.636
NASK1/K/6 NASK1/K/6  Verbranden en verwarmen 10. (KB/GL/TL)  De kandidaat kan: − het proces van verbranden beschrijven en de verspreiding en isolatie van warmte verklaren en toepassen; − de manieren van opwekking van elektrische energie en de gevolgen ervan beschrijven; − het omzetten van energie van de ene vorm in de andere vorm beschrijven en hierover berekeningen uitvoeren. eindterm 3d96045b-b528-4315-93b4-84325819881f 1.637
NASK1/K/8 NASK1/K/8  Geluid 13. (KB/GL/TL)  De kandidaat kan: − de eigenschappen van geluid toepassen en de gevolgen van geluidshinder en de beperking van geluidshinder toelichten; − geluid vastleggen met oscilloscoop of computer en daaruit de frequentie bepalen; − de werking van een luidspreker uitleggen. eindterm 7bdb1eb0-bd3f-42af-ad1f-dab3338e623f 1.639
NASK1/K/9 NASK1/K/9  Kracht en veiligheid 15. (KB/GL/TL)  De kandidaat kan: − de werking van verschillende soorten krachten en de druk van een voorwerp op de ondergrond berekenen en in evenwichtsituaties kwalitatief de hefboomwet toepassen; − bij een bewegend voorwerp diagrammen interpreteren, krachten samenstellen en de gemiddelde snelheid berekenen; − veiligheidsmaatregelen in het verkeer uitleggen en toepassen en verschijnselen van traagheid verklaren. eindterm fbcbca9d-a7cc-4132-9bbd-7ffa79ff9fe6 1.640
NASK1/K/10 NASK1/K/10  Bouw van de materie    17. (KB/GL/TL) De kandidaat kan: − de bouw van stoffen en materialen beschrijven in termen van moleculen en atomen; − het gedrag van atomen en moleculen in de verschillende fasen uitleggen; − de bouw van een atoom beschrijven. eindterm b2e7c4f4-3dc6-43c9-b1f0-ca3c94823dcd 1.641
NASK2/K/1 NASK2/K/1  Oriëntatie op leren en werken   1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang en de rol aangeven van natuur- en scheikunde in de maatschappij.       eindterm 98bfadb2-25fd-4f45-9820-2bc38784d578 1.417
NASK2/K/2 NASK2/K/2  Basisvaardigheden    2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken. eindterm 9d5d7c95-7ff1-499b-9b89-ddb70946d1ee 1.418
NASK2/K/3 NASK2/K/3  Leervaardigheden in het vak natuur- en scheikunde 3. De kandidaat beheerst strategische vaardigheden die bijdragen tot: − de ontwikkeling van het eigen leervermogen; − het vermogen met vaktaal en vakmethodieken te communiceren en onderzoek te doen; − het toepassen van rekenvaardigheden in natuur- en scheikunde.      eindterm 5f072ace-399c-482c-9d07-1f01aeb92f0d 1.419
NASK2/K/4 NASK2/K/4  Mens en omgeving: gebruik van stoffen    4. De kandidaat kan van een aantal (afval)stoffen de gevaren noemen, en veiligheidsmaatregelen noemen ter voorkoming van persoonlijke schade en milieuschade.   5. De kandidaat kan verschillende methoden voor de productie en distributie van drinkwater beschrijven. eindterm 373294bb-c7d0-4106-9b5e-f99c276f7498 1.420
NASK2/K/5 NASK2/K/5  Mens en omgeving: verbranding 6. De kandidaat kan een aantal verbrandingsverschijnselen beschrijven, verbrandingsvoorwaarden noemen, en toelichten dat blussen of voorkomen van brand berust op de beïnvloeding van deze voorwaarden. 7. De kandidaat kan de gevolgen van overvloedig energieverbruik noemen voor gezondheid en milieu. 8. De kandidaat kan de bewerking van aardolie in raffinaderijen en het gebruik van aardolie als grondstof voor chemische producten beschrijven. eindterm 92d7a172-1be4-4089-87f7-662021b4ec2d 1.421
NASK2/K/6 NASK2/K/6  Mens en omgeving: werken bij practicum en in beroepssituaties    9. De kandidaat kan beschrijven hoe veilig en verantwoord moet worden omgegaan met stoffen en straling.      eindterm 8d8e4e43-371f-431e-9312-a8a4c0ae16d3 1.422
NASK2/K/7 NASK2/K/7  Water, zuren en basen 10. De kandidaat kan van leidingwater en van in de natuur voorkomende watersoorten de samenstelling, functie en toepassing beschrijven. 11. De kandidaat kan: − van een aantal zuren en basen de naam en formule geven; − van een aantal zure en basische oplossingen de formules geven van de deeltjes die daarin voorkomen; − de eigenschappen en toepassingen van zure en basische oplossingen noemen. 12. De kandidaat kan de eigenschappen en toepassingen noemen van een aantal indicatoren en deze toepassen in pH-onderzoek.      eindterm 96f46fb0-7e94-4c37-818d-2a425a9b12d8 1.423
NASK2/K/8 NASK2/K/8  Reinigingsmiddelen en cosmetica    13. De kandidaat kan een aantal was-, reinigings- en oplosmiddelen en cosmetische middelen noemen, en de werking en/of toepassing beschrijven van een aantal van deze middelen.      eindterm 0d0dc920-3704-4074-9872-7f59e6be69b7 1.424
NASK2/K/9 NASK2/K/9  Chemie en industrie    14. De kandidaat kan eigenschappen en toepassingen van metalen noemen, enkele bereidingsprocessen van metalen beschrijven, en het verschil tussen edele en andere metalen noemen.   15. De kandidaat kan de vorming van polymeren beschrijven en enkele voordelen van toepassingen van polymeren noemen. eindterm c2a053bd-ecea-4b52-8425-8283a94c6ede 1.425
NASK2/K/10 NASK2/K/10  Basischemie voor vervolgopleiding en beroep 16. De kandidaat kan eigenschappen noemen waaraan stoffen herkend kunnen worden en die kennis toepassen in practicumsituaties. 17. De kandidaat kan onderzoeken of een stof een zuivere stof is of een mengsel, een aantal zuivere stoffen en soorten mengsels noemen, en de hoofdbestanddelen van een aantal mengsels noemen. 18. De kandidaat kan: − een aantal processen uit het dagelijks leven herkennen als een chemische reactie; − van een aantal (soorten) reacties toepassingen noemen, de vergelijkingen opstellen en beschrijvingen geven; − berekeningen uitvoeren aan reacties en beschrijven hoe bepaalde factoren de reactiesnelheid beïnvloeden. eindterm 1b7a76ca-d9e6-448b-93f7-054180bd4f5a 1.426
NASK2/K/11 NASK2/K/11  Bouw van materie 19. De kandidaat kan de bouw van stoffen beschrijven, en reacties beschrijven met gebruikmaking van de begrippen moleculen, atomen en ionen. 20. De kandidaat kan de namen en symbolen van een aantal elementen geven en beschrijven hoe de atoomsoorten zijn gerangschikt in het periodiek systeem. 21. De kandidaat kan van een aantal moleculaire stoffen en zouten de naam geven als de formule is gegeven en omgekeerd. eindterm 99e48184-fd66-47a9-b6b2-17993aef154d 1.427
NASK2/V/1 NASK2/V/1  Productieprocessen 22. De kandidaat kan rapporteren naar aanleiding van een onderzoek naar een productieproces, door middel van een verslag en/of presentatie. 23. De kandidaat kan in het onderzoek scheikundige begrippen, symbolen en formules kwalitatief en kwantitatief toepassen in relatie tot een of meer productieprocessen, met name aangaande gebruikte hoeveelheden. 24. De kandidaat kan in het onderzoek de leervaardigheden tonen die genoemd worden in NASK2/K/3. eindterm e8afefd1-da7b-403b-ad14-757e073dfe8a 1.430
NASK2/V/2 NASK2/V/2  Productonderzoek 25. De kandidaat kan rapporteren naar aanleiding van een onderzoek naar een product, door middel van een verslag en/of presentatie. 26. De kandidaat kan in het onderzoek scheikundige begrippen, symbolen en formules kwalitatief en kwantitatief toepassen in relatie tot een of meer producten, met name aangaande titreren, pH-onderzoek, neerslagreacties, en ontledings- en scheidingsmethoden. 27. De kandidaat kan in het onderzoek de leervaardigheden tonen die genoemd worden in NASK2/K/3. eindterm 414f32d8-3684-4559-bb19-410cb1320578 1.431
NASK2/V/3 NASK2/V/3  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    28. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk. eindterm caea03aa-6d7e-40f4-89ad-3c962be0e039 1.432
NASK2/V/4 NASK2/V/4  Vaardigheden in samenhang 29. De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen. eindterm b5297f2a-1588-4e90-991a-ebbb08644288 1.433
NASK2/P/1 NASK2/P/1 Werken aan vakoverstijgende thema's De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden; 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen; 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling; 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband; 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving; 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie; 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid; 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media. eindterm f3ddae55-15ea-44b5-a8e1-9cf825e3dc5d 1.628
NASK2/P/2 NASK2/P/2 Leren uitvoeren De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren; 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands; 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen; 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen; 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie; 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur; 2.7 computervaardigheden. eindterm 76404c51-f7cc-429d-9633-86eba26113a7 1.629
NASK2/P/3 NASK2/P/3 Leren leren De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren. Het gaat daarbij om: 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten; 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis; 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie; 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen; 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken; 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging; 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen. eindterm 9e435076-eeab-48e3-8047-90a11d287457 1.630
NASK2/P/4 NASK2/P/4 Leren communiceren De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om: 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen; 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband; 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren; 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren; 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren; 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures; 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren. eindterm 7eca8abe-a509-4642-8d4b-4e1a3f4baf54 1.631
NASK2/P/5 NASK2/P/5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces. Het gaat daarbij om: 5.1 een leer- en/of werkplanning maken; 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken; 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken. eindterm 2073fb79-448b-4e09-b140-b202f0473462 1.632
NASK2/P/6 NASK2/P/6 Leren reflecteren op de toekomst De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan: 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses; 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie; 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen; 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk; 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst; 6.6 de organisatie van branches en bedrijven; 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren; 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding. eindterm 12862415-869b-460a-bda9-7ca484eb1762 1.633
NLT/H/Domein A Vaardigheden NLT/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) . Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communice-ren over onderwerpen uit het  desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen. Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruik makend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen en formule-taal. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel over een situatie in de natuur of een technische toepassing geven, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen. NLT-specifieke vaardigheden Subdomein A10: Interdisciplinaire vraagstukken in studie- en beroepspraktijk 10. De kandidaat kan van een breed spectrum aan bètatechnische studies en beroepen voorbeelden geven van interdisciplinaire vraagstukken die daarbinnen een rol spelen. Daarnaast kan de kandidaat een verband leggen tussen de praktijk van deze studies en beroepen en de eigen kennis, vaardigheden en belangstelling. Subdomein A11: Redeneren 11. De kandidaat kan met gegevens van wiskundige en natuurwetenschappelijke aard consistente redeneringen opzetten van zowel inductief als deductief karakter. Subdomein A12: Rekenkundige en wiskundige vaardigheden 12. De kandidaat kan een aantal relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden correct en geroutineerd toepassen bij vakspecifieke probleemsituaties. Subdomein A13: Samenwerken 13. De kandidaat kan bij het werken aan interdisciplinaire vraagstukken samenwerken met anderen, daarbij actief de inbreng van groepsgenoten stimuleren, deze op waarde schatten en gebruiken en een herkenbare eigen inbreng hebben bij het tot stand komen van het eindresultaat. eindterm a170a62c-429b-422b-9e2e-65e527aa8f00 1.617
NLT/H/Domein B Exacte wetenschappen en technologie NLT/H Domein B: Exacte wetenschappen en technologie Subdomein B1: Interdisciplinariteit 14. De kandidaat kan voor de context relevante conceptuele kennis en benaderingen uit in ieder geval de aardwetenschappen, de biologie, de natuurkunde, de scheikunde en de wiskunde toepassen op interdisciplinaire vraagstukken die betrekking hebben op de domeinen C t/m E. De kandidaat kan daarbij: • de rol van de verschillende disciplines bij de aanpak van het vraagstuk aan de hand van voorbeelden toelichten; • situaties beschrijven in termen van modelvorming, systeem, schaal en verandering; • experimenteel onderzoek en/of simulaties uitvoeren dan wel resultaten van experimenten en/of simulaties interpreteren; • technologische oplossingen ontwerpen dan wel ontworpen technologische oplossingen toelichten. Subdomein B2: Wisselwerking tussen natuurwetenschap en technologie 15. De kandidaat kan de wisselwerking tussen de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke kennis en technologie beschrijven en toelichten aan de hand van voorbeelden uit de domeinen C t/m E. eindterm 9d4d804a-d725-4f6c-b5ad-98cade72d6d1 1.618
NLT/H/Domein C Aarde en natuur NLT/H Domein C: Aarde en natuur 16. De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten toepassen op interdisciplinaire vraagstukken met betrekking tot het monitoren en (duurzaam) beheren van de natuurlijke en ingerichte leefomgeving. eindterm cd96d082-728d-4d71-8387-61951e4ab330 1.619
NLT/H/Domein D Gezondheid, bescherming en veiligheid NLT/H Domein D: Gezondheid, bescherming en veiligheid 17. De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten toepassen op interdisciplinaire vraagstukken met betrekking tot bescherming, diagnose, genezing, verzorging of revalidatie van mensen. eindterm c6d2bc36-80ed-425a-8a50-a0aac931abaa 1.620
NLT/H/Domein E Materialen, processen en producten NLT/H Domein E: Materialen, processen en producten Subdomein E1: Methoden en technieken van technologische ontwikkeling 18. De kandidaat kan een aantal voor recente technologieën belangrijke methoden en technieken benoemen en kan een of meer daarvan toepassen op interdisciplinaire (ontwerp)vraagstukken. Subdomein E2: Processen en producten 19. De kandidaat kan een actueel technologisch proces of product beschrijven en daarbij de bouw of werking ervan verklaren aan de hand van relevante natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten. eindterm 5574bec0-67df-4586-a5ed-8c4186590167 1.621
NLT/V/Domein A Vaardigheden NLT/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) . Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen. Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruik makend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen en formuletaal. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel over een situatie in de natuur of een technische toepassing geven, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen. NLT-specifieke vaardigheden Subdomein A10: Interdisciplinaire vraagstukken in studie- en beroepspraktijk 10. De kandidaat kan van een breed spectrum aan bètatechnische studies en beroepen voorbeelden geven van interdisciplinaire vraagstukken die daarbinnen een rol spelen. Daarnaast kan de kandidaat een verband leggen tussen de praktijk van deze studies en beroepen en de eigen kennis, vaardigheden en belangstelling. Subdomein A11: Redeneren 11. De kandidaat kan met gegevens van wiskundige en natuurwetenschappelijke aard consistente redeneringen opzetten van zowel inductief als deductief karakter. Subdomein A12: Rekenkundige en wiskundige vaardigheden 12. De kandidaat kan een aantal relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden correct en geroutineerd toepassen bij vakspecifieke probleemsituaties. Subdomein A13: Samenwerken 13. De kandidaat kan bij het werken aan interdisciplinaire vraagstukken samenwerken met anderen, daarbij actief de inbreng van groepsgenoten stimuleren, deze op waarde schatten en gebruiken en een herkenbare eigen inbreng hebben bij het tot stand komen van het eindresultaat. eindterm 37fd8238-92c2-4678-aeb8-97bd4d9b995d 1.611
NLT/V/Domein B Exacte wetenschappen en technologie NLT/V Domein B: Exacte wetenschappen en technologie Subdomein B1: Interdisciplinariteit 14. De kandidaat kan relevante conceptuele kennis en benaderingen uit in ieder geval de aardwetenschappen, de biologie, de natuurkunde, de scheikunde en de wiskunde gebruiken om interdisciplinaire vraagstukken te analyseren die betrekking hebben op de domeinen C t/m F. De kandidaat kan daarbij: • reflecteren op de rol van de verschillende disciplines bij een interdisciplinaire aanpak; • situaties analyseren aan de hand van de termen modelvorming, systeem, schaal en verandering; • experimenteel onderzoek en/of simulaties uitvoeren dan wel resultaten van experimenten en/of simulaties interpreteren; • technologische oplossingen ontwerpen dan wel ontworpen technologische oplossingen evalueren. Subdomein B2: Wisselwerking tussen natuurwetenschap en technologie 15. De kandidaat kan de wisselwerking tussen de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke kennis en technologie beschrijven en toelichten aan de hand van voorbeelden uit de domeinen C t/m F. eindterm 4aa56160-d563-4e36-a45e-713c34f0c394 1.612
NLT/V/Domein C Aarde, natuur en heelal NLT/V Domein C: Aarde, natuur en heelal Subdomein C1: Processen in levende natuur, aarde en ruimte 16. De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten toepassen bij het verklaren van interdisciplinaire processen op het gebied van de studie van de levende natuur, aardwetenschappen en ruimtewetenschappen. Subdomein C2: Duurzaamheid 17. De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten gebruiken bij het analyseren van interdisciplinaire vraagstukken met betrekking tot het duurzaam gebruik van grondstoffen, energie en ruimte. eindterm 3dc1b25d-dabc-4bd3-a18d-00ccad0ea0b2 1.613
NLT/V/Domein D Gezondheid en veiligheid NLT/V Domein D: Gezondheid en veiligheid Subdomein D1: De gezonde en zieke mens 18. De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten gebruiken bij het verklaren van interdisciplinaire processen in het menselijk lichaam (bij gezonde en zieke mensen) en bij het analyseren van interdisciplinaire vraagstukken met betrekking tot bescherming, diagnose, genezing, verzorging of revalidatie van mensen. Subdomein D2: Bescherming en veiligheid 19. De kandidaat kan natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten gebruiken bij het analyseren van interdisciplinaire vraagstukken met betrekking tot de bescherming van het menselijk lichaam. eindterm 3fc1e2c4-4903-42f1-bf64-a03adfeb24d2 1.614
NLT/V/Domein E Technologische ontwikkeling NLT/V Domein E: Technologische ontwikkeling Subdomein E1: Methoden en technieken van technologische ontwikkeling 20. De kandidaat kan een aantal voor recente technologieën belangrijke methoden en technieken benoemen en kan een of meer daarvan toepassen op interdisciplinaire (ontwerp)vraagstukken. Subdomein E2: Processen en producten 21. De kandidaat kan een actueel technologisch proces of product beschrijven en daarbij de bouw of werking ervan analyseren aan de hand van relevante natuurwetenschappelijke en wiskundige concepten. eindterm aa96019f-af34-40e9-89fc-7e30349876a1 1.615
NLT/V/Domein F Fundamenten van natuurwetenschap en technologie NLT/V Domein F: Fundamenten van natuurwetenschap en technologie Subdomein F1: Fundamentele theorieën 22. De kandidaat kan een aantal voor de natuurwetenschap belangrijke recente theorieën benoemen en kan concepten uit een of meerdere van deze theorieën toepassen op natuurwetenschappelijke of technologische vraagstukken. Subdomein F2: Methoden en technieken van onderzoek 23. De kandidaat kan een aantal belangrijke methoden en technieken van meten, onderzoeken en ontwerpen benoemen en kan enkele daarvan toepassen op natuurwetenschappelijke of technologische vraagstukken. eindterm fb6b4625-88bf-4a60-85a1-b2ff217ddebd 1.616
NA/H/21 NA/H Domein D: Materialen Subdomein D1: Eigenschappen van stoffen en materialen 21. De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en verklaren met behulp van atomaire en moleculaire modellen. Subdomein D2: Functionele materialen 22. De kandidaat kan in de context van de ontwikkeling van functionele materialen fysische begrippen gebruiken en de mogelijke toepassingen van deze materialen toelichten en verklaren. eindterm 60fa22a8-f386-4299-adb7-7f42d798ad87 1.299
NA/H/22 NA/H Domein D: Materialen Subdomein D1: Eigenschappen van stoffen en materialen 21. De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en verklaren met behulp van atomaire en moleculaire modellen. Subdomein D2: Functionele materialen 22. De kandidaat kan in de context van de ontwikkeling van functionele materialen fysische begrippen gebruiken en de mogelijke toepassingen van deze materialen toelichten en verklaren. eindterm 95475d72-f5fd-4632-abe4-4d8d2866ea6a 1.300
NA/H/25 NA/H Domein F: Menselijk lichaam* 25. De kandidaat kan in de context van het menselijk lichaam fysische processen beschrijven, analyseren en verklaren en hun functie voor gezondheid en veiligheid toelichten. eindterm 1af6e835-e024-44c3-9b1f-99065f3ae2df 1.301
NA/H/23 NA/H Domein E: Aarde en heelal Subdomein E1: Zonnestelsel en heelal 23. De kandidaat kan het ontstaan en de ontwikkeling van structuren in het heelal beschrijven en bewegingen in het zonnestelsel analyseren en verklaren aan de hand van fysische principes. Subdomein E2: Aarde en klimaat* 24. De kandidaat kan in de context van geofysische systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. eindterm b92fdfac-d926-4831-8f5c-1989342aa578 1.302
NA/H/24 NA/H Domein E: Aarde en heelal Subdomein E1: Zonnestelsel en heelal 23. De kandidaat kan het ontstaan en de ontwikkeling van structuren in het heelal beschrijven en bewegingen in het zonnestelsel analyseren en verklaren aan de hand van fysische principes. Subdomein E2: Aarde en klimaat* 24. De kandidaat kan in de context van geofysische systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. eindterm 3ad940b6-df13-4eff-b230-c151419640cc 1.303
NA/H/26 NA/H Domein G: Meten en regelen Subdomein G1: Gebruik van elektriciteit 26. De kandidaat kan opwekking, transport en toepassingen van elektriciteit beschrijven en analyseren aan de hand van fysische begrippen. Subdomein G2: Technische automatisering* 27. De kandidaat kan meet-, stuur- en regelsystemen construeren en de functie en werking van de componenten beschrijven. eindterm 55a8993b-9ecc-4002-a1aa-c3e58cc98929 1.304
NA/H/27 NA/H Domein G: Meten en regelen Subdomein G1: Gebruik van elektriciteit 26. De kandidaat kan opwekking, transport en toepassingen van elektriciteit beschrijven en analyseren aan de hand van fysische begrippen. Subdomein G2: Technische automatisering* 27. De kandidaat kan meet-, stuur- en regelsystemen construeren en de functie en werking van de componenten beschrijven. eindterm 134868ad-e37d-4bd7-9077-45fb1148207a 1.305
NA/H/16 NA/H Domein B: Beeld- en geluidstechniek Subdomein B1: Informatieoverdracht 16. De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht. Subdomein B2: Medische beeldvorming 17. De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten. Subdomein B3: Optica* 18. De kandidaat kan aan de hand van toepassingen van geometrische optica en golfoptica eigenschappen van licht beschrijven en analyseren. eindterm 30fcef8e-a20e-4f3d-ab2b-9b6899a3ddda 1.306
NA/H/17 NA/H Domein B: Beeld- en geluidstechniek Subdomein B1: Informatieoverdracht 16. De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht. Subdomein B2: Medische beeldvorming 17. De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten. Subdomein B3: Optica* 18. De kandidaat kan aan de hand van toepassingen van geometrische optica en golfoptica eigenschappen van licht beschrijven en analyseren. eindterm a692af79-01ec-4237-8ada-593abeba8b5f 1.307
NA/H/18 NA/H Domein B: Beeld- en geluidstechniek Subdomein B1: Informatieoverdracht 16. De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht. Subdomein B2: Medische beeldvorming 17. De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten. Subdomein B3: Optica* 18. De kandidaat kan aan de hand van toepassingen van geometrische optica en golfoptica eigenschappen van licht beschrijven en analyseren. eindterm 670d481f-7383-47fb-ba13-ca63c8a9ae80 1.308
NA/H/19 NA/H Domein C: Beweging en energie Subdomein C1: Kracht en beweging 19. De kandidaat kan in contexten de relatie tussen kracht en bewegingsveranderingen analyseren en verklaren met behulp van de wetten van Newton. Subdomein C2: Energieomzettingen 20. De kandidaat kan in contexten de begrippen energiebehoud, rendement, arbeid en warmte gebruiken om energieomzettingen te beschrijven en te analyseren. eindterm b55f4d10-8a4d-4d80-b385-d67a6c57e5f3 1.309
NA/H/Domein A Vaardigheden NA/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen. Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau). Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen. Natuurkunde - specifieke vaardigheden. Subdomein A10: Kennisontwikkeling en -toepassing 10. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurkundige en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A11: Technisch-instrumentele vaardigheden 11. De kandidaat kan op een verantwoorde wijze omgaan met voor de natuurkunde relevante materialen, instrumenten, apparaten en ICTtoepassingen. Subdomein A12: Rekenkundige en wiskundige vaardigheden 12. De kandidaat kan een aantal voor de natuurkunde relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden correct en geroutineerd toepassen bij voor de natuurkunde specifieke probleemsituaties. Subdomein A13: Vaktaal 13. De kandidaat kan de specifieke vaktaal en vakterminologie interpreteren en produceren, waaronder formuletaal, conventies en notaties. Subdomein A14: Vakspecifiek gebruik van de computer 14. De kandidaat kan de computer gebruiken bij modelleren en visualiseren van verschijnselen en processen, en voor het verwerken van gegevens. Subdomein A15: Kwantificeren en interpreteren 15. De kandidaat kan fysische grootheden kwantificeren en mathematische uitdrukkingen in verband brengen met relaties tussen fysische begrippen. eindterm cd41fdc7-cdcc-44b9-9748-43c5d64f5d8b 1.667
NA/H/Domein B Beeld- en geluidstechniek NA/H Domein B: Beeld- en geluidstechniek Subdomein B1: Informatieoverdracht 16. De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht. Subdomein B2: Medische beeldvorming 17. De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten. Subdomein B3: Optica* 18. De kandidaat kan aan de hand van toepassingen van geometrische optica en golfoptica eigenschappen van licht beschrijven en analyseren. eindterm 6b88d925-9a7a-48ca-9413-b7b77d021bf1 1.668
NA/H/Domein C Beweging en energie NA/H Domein C: Beweging en energie Subdomein C1: Kracht en beweging 19. De kandidaat kan in contexten de relatie tussen kracht en bewegingsveranderingen analyseren en verklaren met behulp van de wetten van Newton. Subdomein C2: Energieomzettingen 20. De kandidaat kan in contexten de begrippen energiebehoud, rendement, arbeid en warmte gebruiken om energieomzettingen te beschrijven en te analyseren. eindterm cbcb90a3-3f28-4452-8757-61b8b0508dab 1.669
NA/H/Domein D Materialen NA/H Domein D: Materialen Subdomein D1: Eigenschappen van stoffen en materialen 21. De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en verklaren met behulp van atomaire en moleculaire modellen. Subdomein D2: Functionele materialen 22. De kandidaat kan in de context van de ontwikkeling van functionele materialen fysische begrippen gebruiken en de mogelijke toepassingen van deze materialen toelichten en verklaren. eindterm 62809d08-c764-454b-ab3a-ad537036f85c 1.670
NA/H/Domein E Aarde en heelal NA/H Domein E: Aarde en heelal Subdomein E1: Zonnestelsel en heelal 23. De kandidaat kan het ontstaan en de ontwikkeling van structuren in het heelal beschrijven en bewegingen in het zonnestelsel analyseren en verklaren aan de hand van fysische principes. Subdomein E2: Aarde en klimaat* 24. De kandidaat kan in de context van geofysische systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. eindterm 010f54a7-1fc0-425e-ab8f-0caa0573e8ff 1.671
NA/H/Domein F Menselijk lichaam NA/H Domein F: Menselijk lichaam* 25. De kandidaat kan in de context van het menselijk lichaam fysische processen beschrijven, analyseren en verklaren en hun functie voor gezondheid en veiligheid toelichten. eindterm 8cee5ba2-5a0b-4973-9b1a-d69948594a86 1.672
NA/H/Domein G Meten en regelen NA/H Domein G: Meten en regelen Subdomein G1: Gebruik van elektriciteit 26. De kandidaat kan opwekking, transport en toepassingen van elektriciteit beschrijven en analyseren aan de hand van fysische begrippen. Subdomein G2: Technische automatisering* 27. De kandidaat kan meet-, stuur- en regelsystemen construeren en de functie en werking van de componenten beschrijven. eindterm 5a280691-bee6-42b3-b458-103ef0e5c9f0 1.673
NA/H/Domein H Natuurkunde en technologie NA/H Domein H: Natuurkunde en technologie 28. De kandidaat kan in voorbeelden van technologische ontwikkeling die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen natuurkundige principes en wetmatigheden herkennen, benoemen en toepassen. eindterm 140c259a-42fc-4923-a47d-e05a8de87dfd 1.674
NA/H/Domein I Onderzoek en ontwerp NA/H Domein I: Onderzoek en ontwerp Subdomein I1: Experiment 29. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van experimenten en de resultaten analyseren en interpreteren. Subdomein I2: Modelstudie 30. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van modelstudies en de modeluitkomsten analyseren en interpreteren. Subdomein I3: Ontwerp 31. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen op basis van een gesteld probleem een ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren. * uit deze vier (sub)domeinen worden er twee gekozen eindterm 564e3475-0d79-4405-b155-11e4d0735e31 1.675
NA/V/23 NA/V Domein E: Straling en materie Subdomein E1: Eigenschappen van stoffen en materialen 23. De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en kan deze eigenschappen verklaren en analyseren aan de hand van deeltjesmodellen. Subdomein E2: Elektromagnetische straling en materie 24. De kandidaat kan in astrofysische en andere contexten de wisselwerking tussen straling en materie beschrijven en verklaren aan de hand van de begrippen atoomspectrum, absorptie, emissie en stralingsenergie. Subdomein E3: Kern- en deeltjesprocessen* 25. De kandidaat kan in contexten behoudswetten en de equivalentie van massa en energie gebruiken in het beschrijven en analyseren van deeltjes- en kernprocessen. eindterm 977bfac3-1d94-45ae-84aa-633edec80b55 1.310
NA/V/28 NA/V Domein G: Leven en aarde Subdomein G1: Biofysica* 28. De kandidaat kan in de context van levende systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. Subdomein G2: Geofysica* 29. De kandidaat kan in de context van geofysische systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. eindterm 06f37549-0d32-4925-b71b-1c434f5ad331 1.311
NA/V/29 NA/V Domein G: Leven en aarde Subdomein G1: Biofysica* 28. De kandidaat kan in de context van levende systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. Subdomein G2: Geofysica* 29. De kandidaat kan in de context van geofysische systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. eindterm ececc325-c15d-4591-aaf4-f1617fb3b760 1.312
NA/V/21 NA/V Domein D: Lading en veld Subdomein D1: Elektrische systemen 21. De kandidaat kan in contexten elektrische schakelingen analyseren met behulp van de wetten van Kirchhoff. Daarbij kan de kandidaat energieomzettingen analyseren. Subdomein D2: Elektrische en magnetische velden 22. De kandidaat kan in contexten elektromagnetische verschijnselen beschrijven, analyseren en verklaren met behulp van elektrische en magnetische velden. eindterm 7251934b-63af-4a0f-9ba5-a70e12d5348d 1.313
NA/V/22 NA/V Domein D: Lading en veld Subdomein D1: Elektrische systemen 21. De kandidaat kan in contexten elektrische schakelingen analyseren met behulp van de wetten van Kirchhoff. Daarbij kan de kandidaat energieomzettingen analyseren. Subdomein D2: Elektrische en magnetische velden 22. De kandidaat kan in contexten elektromagnetische verschijnselen beschrijven, analyseren en verklaren met behulp van elektrische en magnetische velden. eindterm 135f1f08-a679-417e-a320-b1960dd1efb5 1.314
NA/V/16 NA/V Domein B: Golven Subdomein B1: Informatieoverdracht 16. De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht. Subdomein B2: Medische beeldvorming 17. De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten. eindterm 70a336c4-435c-4429-8366-38538fb81d70 1.315
NA/V/17 NA/V Domein B: Golven Subdomein B1: Informatieoverdracht 16. De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht. Subdomein B2: Medische beeldvorming 17. De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten. eindterm 81dc7854-71ed-4b21-9772-3ce13e6d3f9d 1.316
NA/V/24 NA/V Domein E: Straling en materie Subdomein E1: Eigenschappen van stoffen en materialen 23. De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en kan deze eigenschappen verklaren en analyseren aan de hand van deeltjesmodellen. Subdomein E2: Elektromagnetische straling en materie 24. De kandidaat kan in astrofysische en andere contexten de wisselwerking tussen straling en materie beschrijven en verklaren aan de hand van de begrippen atoomspectrum, absorptie, emissie en stralingsenergie. Subdomein E3: Kern- en deeltjesprocessen* 25. De kandidaat kan in contexten behoudswetten en de equivalentie van massa en energie gebruiken in het beschrijven en analyseren van deeltjes- en kernprocessen. eindterm af010f81-5adb-4cd5-8d7b-0f1dd6a113cf 1.317
NA/V/18 NA/V Domein C: Beweging en wisselwerking Subdomein C1: Kracht en beweging 18. De kandidaat kan in contexten de relatie tussen kracht en bewegingsveranderingen kwalitatief en kwantitatief analyseren en verklaren met behulp van de wetten van Newton. Subdomein C2: Energie en wisselwerking 19. De kandidaat kan in contexten de begrippen energiebehoud, rendement, arbeid en warmte gebruiken om energieomzettingen te beschrijven en te analyseren. Subdomein C3. Gravitatie 20. De kandidaat kan ten minste in de context van het heelal bewegingen analyseren en verklaren aan de hand van de gravitatiewisselwerking. eindterm d040c496-5d4a-49e4-b026-d18da5b87bcc 1.318
NA/V/19 NA/V Domein C: Beweging en wisselwerking Subdomein C1: Kracht en beweging 18. De kandidaat kan in contexten de relatie tussen kracht en bewegingsveranderingen kwalitatief en kwantitatief analyseren en verklaren met behulp van de wetten van Newton. Subdomein C2: Energie en wisselwerking 19. De kandidaat kan in contexten de begrippen energiebehoud, rendement, arbeid en warmte gebruiken om energieomzettingen te beschrijven en te analyseren. Subdomein C3. Gravitatie 20. De kandidaat kan ten minste in de context van het heelal bewegingen analyseren en verklaren aan de hand van de gravitatiewisselwerking. eindterm b5cdd283-fe30-4ac9-abac-0acb243befe6 1.319
NA/V/20 NA/V Domein C: Beweging en wisselwerking Subdomein C1: Kracht en beweging 18. De kandidaat kan in contexten de relatie tussen kracht en bewegingsveranderingen kwalitatief en kwantitatief analyseren en verklaren met behulp van de wetten van Newton. Subdomein C2: Energie en wisselwerking 19. De kandidaat kan in contexten de begrippen energiebehoud, rendement, arbeid en warmte gebruiken om energieomzettingen te beschrijven en te analyseren. Subdomein C3. Gravitatie 20. De kandidaat kan ten minste in de context van het heelal bewegingen analyseren en verklaren aan de hand van de gravitatiewisselwerking. eindterm 723b1c66-6d3e-4923-9806-712aaea329c3 1.320
NA/V/30 NA/V Domein H: Natuurwetten en modellen 30. De kandidaat kan in voorbeelden die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen fundamentele natuurkundige principes en wetmatigheden herkennen, benoemen en toepassen. Ook kan de kandidaat een model hanteren en de grenzen van de toepasbaarheid en betrouwbaarheid van een bepaald model voor een fysisch verschijnsel beoordelen. eindterm 0dd3d8a0-b448-4893-81b0-44cf4e7bdf76 1.321
NA/V/31 NA/V Domein I: Onderzoek en ontwerp Subdomein I1: Experiment 31. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van experimenten en de resultaten analyseren en interpreteren. Subdomein I2: Modelstudie 32. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van modelstudies en de modeluitkomsten analyseren en interpreteren. Subdomein I3: Ontwerp 33. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen op basis van een gesteld probleem een ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren. * uit deze vier subdomeinen worden er twee gekozen. eindterm 479db9b7-afb5-42e4-87b4-1b3ca2f73f12 1.322
NA/V/32 NA/V Domein I: Onderzoek en ontwerp Subdomein I1: Experiment 31. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van experimenten en de resultaten analyseren en interpreteren. Subdomein I2: Modelstudie 32. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van modelstudies en de modeluitkomsten analyseren en interpreteren. Subdomein I3: Ontwerp 33. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen op basis van een gesteld probleem een ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren. * uit deze vier subdomeinen worden er twee gekozen. eindterm 9f88a54d-2c87-4f7b-88c4-2f44e70c804f 1.323
NA/V/33 NA/V Domein I: Onderzoek en ontwerp Subdomein I1: Experiment 31. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van experimenten en de resultaten analyseren en interpreteren. Subdomein I2: Modelstudie 32. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van modelstudies en de modeluitkomsten analyseren en interpreteren. Subdomein I3: Ontwerp 33. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen op basis van een gesteld probleem een ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren. * uit deze vier subdomeinen worden er twee gekozen. eindterm 8733918d-04b4-4bd5-89d9-3bfc24a617a3 1.324
NA/V/25 NA/V Domein E: Straling en materie Subdomein E1: Eigenschappen van stoffen en materialen 23. De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en kan deze eigenschappen verklaren en analyseren aan de hand van deeltjesmodellen. Subdomein E2: Elektromagnetische straling en materie 24. De kandidaat kan in astrofysische en andere contexten de wisselwerking tussen straling en materie beschrijven en verklaren aan de hand van de begrippen atoomspectrum, absorptie, emissie en stralingsenergie. Subdomein E3: Kern- en deeltjesprocessen* 25. De kandidaat kan in contexten behoudswetten en de equivalentie van massa en energie gebruiken in het beschrijven en analyseren van deeltjes- en kernprocessen. eindterm 7e49e479-ed2b-4ad7-bcb8-f3d6e8cdb3a0 1.325
NA/V/26 NA/V Domein F: Quantumwereld en relativiteit Subdomein F1: Quantumwereld 26. De kandidaat kan in contexten de golf-deeltjedualiteit en de onbepaaldheidsrelatie van Heisenberg toepassen, en de quantisatie van energieniveaus in enkele voorbeelden verklaren aan de hand van een eenvoudig quantumfysisch model. Subdomein F2: Relativiteitstheorie* 27. De kandidaat kan in gedachte-experimenten en toepassingen de verschijnselen tijdrek en lengtekrimp verklaren aan de hand van de begrippen lichtsnelheid, gelijktijdigheid en referentiestelsel. eindterm e7a16464-6fbf-4c22-b015-45f064521358 1.326
NA/V/27 NA/V Domein F: Quantumwereld en relativiteit Subdomein F1: Quantumwereld 26. De kandidaat kan in contexten de golf-deeltjedualiteit en de onbepaaldheidsrelatie van Heisenberg toepassen, en de quantisatie van energieniveaus in enkele voorbeelden verklaren aan de hand van een eenvoudig quantumfysisch model. Subdomein F2: Relativiteitstheorie* 27. De kandidaat kan in gedachte-experimenten en toepassingen de verschijnselen tijdrek en lengtekrimp verklaren aan de hand van de begrippen lichtsnelheid, gelijktijdigheid en referentiestelsel. eindterm c1a9e42e-ff28-4e08-bc00-3cb843d0efb4 1.327
NA/V/Domein A Vaardigheden NA/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen. Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruik makend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Examenprogramma natuurkunde vwo vanaf CE 2016 Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen. Natuurkunde - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Kennisontwikkeling en -toepassing 10. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurkundige en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. Subdomein A11: Technisch-instrumentele vaardigheden 11. De kandidaat kan op een verantwoorde wijze omgaan met voor de natuurkunde relevante materialen, instrumenten, apparaten en ICTtoepassingen. Subdomein A12: Rekenkundige en wiskundige vaardigheden 12. De kandidaat kan een aantal voor de natuurkunde relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden correct en geroutineerd toepassen bij voor de natuurkunde specifieke probleemsituaties. Subdomein A13: Vaktaal 13. De kandidaat kan de specifieke vaktaal en vakterminologie interpreteren en produceren, waaronder formuletaal, conventies en notaties. Subdomein A14: Vakspecifiek gebruik van de computer 14. De kandidaat kan de computer gebruiken bij modelleren en visualiseren van verschijnselen en processen, en voor het verwerken van gegevens. Subdomein A15: Kwantificeren en interpreteren 15. De kandidaat kan fysische grootheden kwantificeren en mathematische uitdrukkingen in verband brengen met relaties tussen fysische begrippen. eindterm f2c282a1-b171-448b-9d86-9441f4b4aaff 1.677
NA/V/Domein B Golven NA/V Domein B: Golven Subdomein B1: Informatieoverdracht 16. De kandidaat kan in contexten eigenschappen van trillingen en golven gebruiken bij het analyseren en verklaren van onder andere informatieoverdracht. Subdomein B2: Medische beeldvorming 17. De kandidaat kan eigenschappen van ioniserende straling en de effecten van deze straling op mens en milieu beschrijven. Ook kan de kandidaat medische beeldvormingstechnieken beschrijven en analyseren aan de hand van fysische principes en de diagnostische functie van deze beeldvormingstechnieken voor de gezondheid toelichten. eindterm b9310471-ff8c-4684-9740-665338df70c7 1.678
NA/V/Domein C Beweging en wisselwerking NA/V Domein C: Beweging en wisselwerking Subdomein C1: Kracht en beweging 18. De kandidaat kan in contexten de relatie tussen kracht en bewegingsveranderingen kwalitatief en kwantitatief analyseren en verklaren met behulp van de wetten van Newton. Subdomein C2: Energie en wisselwerking 19. De kandidaat kan in contexten de begrippen energiebehoud, rendement, arbeid en warmte gebruiken om energieomzettingen te beschrijven en te analyseren. Subdomein C3. Gravitatie 20. De kandidaat kan ten minste in de context van het heelal bewegingen analyseren en verklaren aan de hand van de gravitatiewisselwerking. eindterm d60acbc0-6d50-4cc7-9f6d-64a5838a2238 1.679
NA/V/Domein D Lading en veld NA/V Domein D: Lading en veld Subdomein D1: Elektrische systemen 21. De kandidaat kan in contexten elektrische schakelingen analyseren met behulp van de wetten van Kirchhoff. Daarbij kan de kandidaat energieomzettingen analyseren. Subdomein D2: Elektrische en magnetische velden 22. De kandidaat kan in contexten elektromagnetische verschijnselen beschrijven, analyseren en verklaren met behulp van elektrische en magnetische velden. eindterm 0915dbc5-c56b-4dd1-9068-4fa480d7c034 1.680
NA/V/Domein E Straling en materie NA/V/Domein E: Straling en materie Subdomein E1: Eigenschappen van stoffen en materialen 23. De kandidaat kan in contexten fysische eigenschappen van stoffen en materialen beschrijven en kan deze eigenschappen verklaren en analyseren aan de hand van deeltjesmodellen. Subdomein E2: Elektromagnetische straling en materie 24. De kandidaat kan in astrofysische en andere contexten de wisselwerking tussen straling en materie beschrijven en verklaren aan de hand van de begrippen atoomspectrum, absorptie, emissie en stralingsenergie. Subdomein E3: Kern- en deeltjesprocessen* 25. De kandidaat kan in contexten behoudswetten en de equivalentie van massa en energie gebruiken in het beschrijven en analyseren van deeltjes- en kernprocessen. eindterm bb2fe662-da3f-4e8d-8e4b-b25156a3d097 1.681
NA/V/Domein F Quantumwereld en relativiteit NA/V/Domein F: Quantumwereld en relativiteit Subdomein F1: Quantumwereld 26. De kandidaat kan in contexten de golf-deeltjedualiteit en de onbepaaldheidsrelatie van Heisenberg toepassen, en de quantisatie van energieniveaus in enkele voorbeelden verklaren aan de hand van een eenvoudig quantumfysisch model. Subdomein F2: Relativiteitstheorie* 27. De kandidaat kan in gedachte-experimenten en toepassingen de verschijnselen tijdrek en lengtekrimp verklaren aan de hand van de begrippen lichtsnelheid, gelijktijdigheid en referentiestelsel. eindterm aafd24b6-b1b5-425f-889a-853fcaa393d1 1.682
NA/V/Domein G Leven en aarde NA/V/Domein G: Leven en aarde Subdomein G1: Biofysica* 28. De kandidaat kan in de context van levende systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. Subdomein G2: Geofysica* 29. De kandidaat kan in de context van geofysische systemen fysische verschijnselen en processen beschrijven, analyseren en verklaren. eindterm 69d5d133-57bd-4ea6-bfd6-81e0e1c9a41a 1.683
NA/V/Domein H Natuurwetten en modellen NA/V/Domein H: Natuurwetten en modellen 30. De kandidaat kan in voorbeelden die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen fundamentele natuurkundige principes en wetmatigheden herkennen, benoemen en toepassen. Ook kan de kandidaat een model hanteren en de grenzen van de toepasbaarheid en betrouwbaarheid van een bepaald model voor een fysisch verschijnsel beoordelen. eindterm 5c584241-1b80-4c12-822a-23376cf09328 1.684
NA/V/Domein I Onderzoek en ontwerp NA/V/Domein I: Onderzoek en ontwerp Subdomein I1: Experiment 31. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van experimenten en de resultaten analyseren en interpreteren. Subdomein I2: Modelstudie 32. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen onderzoek doen door middel van modelstudies en de modeluitkomsten analyseren en interpreteren. Subdomein I3: Ontwerp 33. De kandidaat kan in contexten die vallen binnen subdomeinen van het centraal examen op basis van een gesteld probleem een ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren. * uit deze vier subdomeinen worden er twee gekozen. eindterm 5f9d08af-5d82-4b83-a4e4-f8f4a9294a41 1.685
NE/1F Zakelijke teksten NE/1F Zakelijke teksten Eenvoudige teksten lezen over alledaagse onderwerpen en over onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld.   Taken: 1. Lezen van informatieve teksten. 2. Lezen van instructies. 3. Lezen van betogende teksten.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: techniek en woordenschat; begrijpen; interpreteren; evalueren; opzoeken.    Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.   Begrippenlijst Er zijn begrippen beschreven voor: - leestekens; - woordsoorten; - grammaticale kennis; - tekstkennis; - stilistiek en semantiek; - morfologie; - opmaak; - klanken.     eindterm 2b5639e4-818a-4316-9258-a7f9745ba7a9 819
NE/1F Gesprekken NE/1F Gesprekken Eenvoudige gesprekken voeren over vertrouwde onderwerpen in het dagelijks leven op en buiten school.   Taken: Deelnemen aan discussie en overleg. Informatie uitwisselen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: beurten nemen en bijdragen aan de samenhang; afstemming op doel; afstemming op de gesprekspartner(s); woordgebruik en woordenschat; vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing. eindterm ebaa3f59-84e5-4c4e-a021-76d8bfd1926f 820
NE/1F Luisteren NE/1F Luisteren Luisteren naar eenvoudige teksten over alledaagse, concrete onderwerpen of over onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerling.   Taken: Luisteren naar instructies. Luisteren als lid van een live publiek. Luisteren naar radio, tv en naar gesproken tekst op internet.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren; samenvatten.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld met betrekking tot: lengte; opbouw. eindterm c895b800-9e92-43eb-8a6c-f7ecf597f63c 821
NE/1F Schrijven en Taalverzorging NE/1F Schrijven en Taalverzorging Korte, eenvoudige teksten schrijven over alledaagse onderwerpen of over onderwerpen uit de leefwereld.   Taken: Correspondentie. Formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen. Verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen. Vrij schrijven.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: samenhang; afstemming op doel; afstemming op publiek; woordgebruik en woordenschat; spelling, interpunctie en grammatica; leesbaarheid.   Taalverzorging Er zijn regels beschreven voor: alfabetische spelling; orthografische spelling; morfologische spelling; morfologische spelling op syntactische basis ( voor aspecten van de werkwoordspelling); leestekens; afbreekegels; grammaticale begrippen voor werkwoordspelling. eindterm 6ee74761-6e3b-4385-a424-6422eda1af8e 822
NE/1F Fictionele, narratieve en literaire teksten NE/1F Fictionele, narratieve en literaire teksten Jeugdliteratuur belevend lezen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.   eindterm 7fdb0aaa-d4a7-43de-94ea-ff23d600fa9d 823
NE/1F Spreken NE/1F Spreken In eenvoudige bewoordingen een beschrijving geven, informatie geven, verslag uitbrengen, uitleg en instructie geven in alledaagse situaties in en buiten school.   Taken: Een monoloog houden.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: samenhang; afstemming op doel; afstemming op publiek; woordgebruik en woordenschat;vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing. eindterm 675ca258-5071-4dd1-92da-0cb92688b6e3 1.861
NE/2F Gesprekken NE/2F Gesprekken In gesprekken over alledaagse en niet alledaagse onderwerpen uit leefwereld en (beroeps) opleiding uiting geven aan persoonlijke meningen en informatie uitwisselen en gevoelens onder woorden brengen.   Taken: Deelnemen aan discussie en overleg. Informatie uitwisselen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: beurten nemen en bijdragen aan de samenhang; afstemming op doel; afstemming op de gesprekspartner(s); woordgebruik en woordenschat; vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing. eindterm 133da85e-51c1-43c1-af26-5690c6fec9ef 834
NE/2F Schrijven NE/2F Schrijven Samenhangende teksten schrijven met een eenvoudige, lineaire opbouw, over uiteenlopende vertrouwde onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard.   Taken: Correspondentie. Formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen. Verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: samenhang; afstemming op doel; afstemming op publiek; woordgebruik en woordenschat; spelling, interpunctie en grammatica; leesbaarheid.   Taalverzorging Er zijn regels beschreven voor: moeilijke gevallen in de morfologische spelling; moeilijke gevallen in de morfologische spelling op syntactische basis (voor aspecten van de werkwoordspelling); leestekens; aaneenschrijven.     eindterm ff00e75b-3b0a-4fbc-84f6-0385a0de83b2 835
NE/2F Luisteren NE/2F Luisteren Luisteren naar teksten over alledaagse   onderwerpen, onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerling of die verder van de leerling af staan.   Taken: Luisteren naar instructies. Luisteren als lid van een live publiek. Luisteren naar radio, tv en naar gesproken tekst op internet.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren; samenvatten.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld met betrekking tot: lengte; opbouw.     eindterm 206c8931-c602-471f-af41-8974e551d21b 836
NE/2F Zakelijke teksten NE/2F Zakelijke teksten Teksten lezen over alledaagse onderwerpen, onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerling en over onderwerpen die verder van de leerling afstaan.   Taken: 1. Lezen van informatieve teksten. 2. Lezen van instructies. 3. Lezen van betogende teksten.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: techniek en woordenschat; begrijpen; interpreteren; evalueren; samenvatten; opzoeken.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.   Begrippenlijst Er zijn begrippen beschreven  voor: leestekens; grammaticale kennis; tekstkennis; stilistiek en semantiek. eindterm 3f58620a-9628-4b11-b525-cc22b0b26dc3 837
NE/2F Schrijven en Taalverzorging NE/2F Schrijven en Taalverzorging Samenhangende teksten schrijven met een eenvoudige, lineaire opbouw, over uiteenlopende vertrouwde onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard.   Taken: Correspondentie. Formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen. Verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: samenhang; afstemming op doel; afstemming op publiek; woordgebruik en woordenschat; spelling, interpunctie en grammatica; leesbaarheid.   Taalverzorging Er zijn regels beschreven voor: moeilijke gevallen in de morfologische spelling; moeilijke gevallen in de morfologische spelling op syntactische basis (voor aspecten van de werkwoordspelling); leestekens.     eindterm 680ddb05-dc76-466c-b82d-ff79c1bd8c90 838
NE/2F Fictionele, narratieve en literaire teksten NE/2F Fictionele, narratieve en literaire teksten Eenvoudige adolescentenliteratuur herkennend lezen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.   eindterm 4d3c831f-e78b-4b43-b290-11b998577ab7 839
NE/2F Spreken NE/2F Spreken Redelijk vloeiend en helder ervaringen, gebeurtenissen, meningen, verwachtingen, gevoelens onder woorden brengen over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard.   Taken: Een monoloog houden.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: samenhang; afstemming op doel; afstemming op publiek; woordgebruik en woordenschat; vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.   eindterm 10cc0036-bd42-4989-9ad3-4f727a282f83 1.027
NE/3F Schrijven en Taalverzorging NE/3F Schrijven en Taalverzorging Gedetailleerde teksten schrijven over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard, waarin informatie en argumenten uit verschillende bronnen bijeengevoegd en beoordeeld worden.   Taken: Correspondentie. Formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen. Verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: samenhang; afstemming op doel; woordgebruik en woordenschat; spelling, interpunctie en grammatica; leesbaarheid.   Taalverzorging Er zijn regels beschreven voor: moeilijke gevallen in de morfologische spelling op syntactische basis (voor aspecten van de werkwoordspelling); leestekens; aaneenschrijvingen losschrijving.     eindterm 6180105d-fa71-4452-ba07-0ccee272607d 849
NE/3F Zakelijke teksten NE/3F Zakelijke teksten Een grote variatie aan teksten over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard zelfstandig lezen, met begrip voor geheel en details.   Taken: Lezen van informatieve teksten. Lezen van instructies. Lezen van betogende teksten.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren; samenvatten; opzoeken.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.     eindterm 40c880eb-2bd2-4915-b55b-7210604523bf 850
NE/3F Luisteren NE/3F Luisteren Luisteren naar een variatie aan teksten over onderwerpen uit de (beroeps) opleiding en van maatschappelijke aard.   Taken: Luisteren naar instructies. Luisteren als lid van een live publiek. Luisteren naar radio, tv en naar gesproken tekst op internet.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren; samenvatten.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld met betrekking tot: lengte; opbouw.   eindterm a7ad7f75-64db-45a4-987f-1afb1a47e6e5 851
NE/3F Fictionele, narratieve en literaire teksten NE/3F Fictionele, narratieve en literaire teksten Adolescentenliteratuur en eenvoudige volwassenenliteratuur kritisch en reflecterend lezen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld. eindterm 1a4929d6-ab3f-40ee-862d-b6777ae239c4 852
NE/3F Gesprekken NE/3F Gesprekken Op effectieve wijze deelnemen aan gesprekken over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard   Taken: Deelnemen aan discussie en overleg. Informatie uitwisselen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: beurten nemen en bijdragen aan de samenhang; afstemming op doel; afstemming op de gesprekspartner(s); woordgebruik en woordenschat; vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing. eindterm f0476741-2de4-44b3-8161-07bdbc46b853 1.032
NE/3F Spreken NE/3F Spreken Monologen en presentaties houden over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard, waarin ideeën worden uitgewerkt en voorzien van relevante voorbeelden.   Taken: Een monoloog houden.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: samenhang; afstemming op doel; afstemming op publiek; woordgebruik en woordenschat; voeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.   eindterm da4a9226-8614-474a-be6f-e285eba0aeaa 1.033
NE/4F Schrijven en Taalverzorging NE/4F Schrijven en Taalverzorging Goed gestructureerde teksten schrijven over allerlei onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard en  daarbij relevante belangrijke kwesties benadrukken, standpunten uitgebreid uitwerken en ondersteunen met redenen en relevante voorbeelden.   Taken: Correspondentie. Formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen. Verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven samenhang; afstemming op doel; afstemming op publiek; woordgebruik en woordenschat; spelling, interpunctie en grammatica; leesbaarheid.     eindterm f7fa5518-4fa1-43b1-9759-bca6d5f1475e 861
NE/4F Zakelijke teksten NE/4F Zakelijke teksten Een grote variatie aan teksten lezen over tal van onderwerpen uit de (beroeps) opleiding en van maatschappelijke aard en kan die in detail begrijpen.   Taken Lezen van informatieve teksten. Lezen van instructies. Lezen van betogende teksten.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren; samenvatten.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.     eindterm 81db4d02-d1a7-4626-bb5f-46578054d273 862
NE/4F Luisteren NE/4F Luisteren Luisteren naar een grote variatie aan, ook complexe, teksten over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard, die ook abstracte thema’s kunnen behandelen.   Taken: Luisteren naar instructies. Luisteren als lid van een live publiek. Luisteren naar radio, tv en naar gesproken tekst op internet.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren; samenvatten.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld met betrekking tot: lengte; opbouw.   eindterm 7df88322-7acf-45b6-b244-e801d1bf923a 863
NE/4F Fictionele, narratieve en literaire teksten NE/4F Fictionele, narratieve en literaire teksten Volwassenenliteratuur interpreterend en esthetisch lezen.   De  volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: begrijpen; interpreteren; evalueren.   Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld. eindterm 5be975a2-cd46-4a34-9f24-0209ec93c50a 864
NE/4F Gesprekken NE/4F Gesprekken In alle soorten gesprekken taal nauwkeurig en doeltreffend gebruiken voor een breed scala van onderwerpen uit (beroeps)opleiding, en van maatschappelijke aard   Taken: Deelnemen aan discussie en overleg. Informatie uitwisselen.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: beurten nemen en bijdragen aan de samenhang; afstemming op doel; afstemming op de gesprekspartner(s); woordgebruik en woordenschat; vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing. eindterm a7cb382e-9fab-465f-bc2e-c808981ad8fc 1.029
NE/4F Spreken NE/4F Spreken Duidelijke, gedetailleerde monologen en presentaties houden over tal van onderwerpen uit de (beroeps) opleiding en van maatschappelijke aard en daarbij subthema’s integreren, specifieke standpunten ontwikkelen en het geheel afronden met een passende conclusie.   Taken: Een monoloog houden.   De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven: samenhang; afstemming op doel; afstemming op publiek; woordgebruik en woordenschat; vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.     eindterm 05ab20d1-9d0c-4646-8e49-14c223071c82 1.030
NE/Domein A: Leesvaardigheid NE/HV Domein A: Leesvaardigheid Subdomein A1: Analyseren en interpreteren 1. De kandidaat kan: – vaststellen tot welke tekstsoort een tekst of tekstgedeelte behoort; – de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven; – relaties tussen delen van een tekst aangeven; – conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur; – standpunten en soorten argumenten herkennen en onderscheiden; – argumentatieschema’s herkennen. Subdomein A2: Beoordelen 2. De kandidaat kan een betogende tekst of betogend tekstgedeelte op aanvaardbaarheid beoordelen en in deze tekst drogredenen herkennen. Subdomein A3: Samenvatten 3. De kandidaat kan teksten en tekstgedeelten beknopt samenvatten. eindterm f49769e7-6d3b-41c3-bbfe-1c13a19e134f 740
NE/Domein B: Mondelinge Taalvaardigheid NE/HV Domein B: Mondelinge taalvaardigheid 4. De kandidaat kan ten behoeve van een voordracht, discussie of debat (ter keuze van de school): – relevante informatie verzamelen en verwerken; – deze informatie adequaat presenteren met het oog op doel, publiek en gespreksvorm; – adequaat reageren op bijdragen van luisteraars of gespreksdeelnemers. eindterm 0c7a11cf-e9bd-4a94-bb19-fe4bb8d901f9 751
NE/Domein C: Schrijfvaardigheid NE/HV Domein C: Schrijfvaardigheid 5. De kandidaat kan ten behoeve van een gedocumenteerde uiteenzetting, beschouwing en betoog: – relevante informatie verzamelen en verwerken; – deze informatie adequaat presenteren met het oog op doel, publiek, tekstsoort en conventies voor geschreven taal; – concepten van de tekst reviseren op basis van geleverd commentaar. eindterm e876f2fc-d28f-498d-bd4c-eb62e0d9ece3 758
NE/Domein E: Literatuur NE/HV Domein E: Literatuur Subdomein E1: Literaire ontwikkeling 7. De kandidaat kan beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met een aantal door hem geselecteerde literaire werken. * Minimumaantal: havo 8; vwo 12 waarvan minimaal 3 voor 1880. * De werken zijn oorspronkelijk geschreven in de Nederlandse taal. Subdomein E2: Literaire begrippen 8. De kandidaat kan literaire tekstsoorten herkennen en onderscheiden, en literaire begrippen hanteren in de interpretatie van literaire teksten. Subdomein E3: Literatuurgeschiedenis 9. De kandidaat kan een overzicht geven van de hoofdlijnen van de literatuurgeschiedenis, en de gelezen literaire werken plaatsen in dit historisch perspectief. eindterm d50490c8-1dc6-498a-aadd-2ae4d78c41ec 765
NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden 6. De kandidaat kan een betoog: – analyseren; – beoordelen; – zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling. eindterm 36209e81-5b7f-435f-a868-87f1b85923fd 771
NE/Domein F: Oriëntatie op studie en beroep NE/HV Domein F: Oriëntatie op studie en beroep eindterm 10f668df-0d15-4386-8db3-a6feb42b2a5b 1.867
NE/K/1 NE/K/1  Oriëntatie op leren en werken De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van Nederlands in de maatschappij. eindterm 9cd190dd-c3b2-42a1-a43e-0598d5493d37 1.868
NE/K/2 NE/K/2  Basisvaardigheden   De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, en informatie verwerven, verwerken en presenteren. eindterm 3f7a9afb-3465-4e04-9262-fbf5d5622263 1.869
NE/K/3 NE/K/3 Leervaardigheden in het vak Nederlands De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis.      eindterm 5ef50f0d-0116-4a14-bd46-892dc30ea31f 1.870
NE/K/5 NE/K/5 Spreek- en gespreksvaardigheid De kandidaat kan: relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie strategieën hanteren ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie compenserende strategieën kiezen en hanteren het spreek-/luisterdoel in de situatie tot uitdrukking brengen het spreek-/luisterdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten publiek het spreekdoel van anderen herkennen en de reacties van anderen inschatten in spreek- en gesprekssituaties taalvarianten herkennen en daar adequaat op inspelen.      eindterm d5ad48f4-7def-445a-87ea-923f275432df 1.873
NE/K/7 NE/K/7 Schrijfvaardigheid De kandidaat kan: relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van het schrijven schrijfstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het schrijfdoel in teksten tot uitdrukking brengen het schrijfdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten lezerspubliek conventies hanteren met betrekking tot schriftelijk taalgebruik elektronische hulpmiddelen gebruiken bij het schrijven concepten van de tekst herschrijven op basis van geleverd commentaar.      eindterm 5dad0c3d-1c79-4820-91cc-e8bf69bf2695 1.876
NE/K/4/BB NE/K/4 Luister- en kijkvaardigheid De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een programma en dit toelichten een instructie uitvoeren.   De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een programma en dit toelichten een instructie uitvoeren de waarde en betrouwbaarheid aangeven van de informatie die door de massamedia verspreid wordt. eindterm 7c576085-7d52-4ce6-90e6-37aa00b228b0 1.871
NE/K/6/BB NE/K/6 Leesvaardigheid De kandidaat kan: leesstrategieën hanteren    compenserende strategieën kiezen en hanteren    functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen het schrijfdoel van de auteur aangeven   een tekst indelen in betekenisvolle eenheden en de relaties tussen die    eenheden benoemen het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte van een tekst aangeven    een oordeel geven over de tekst en dit oordeel toelichten.      eindterm 6c637ca5-a68c-428a-abe5-f969df9ca263 1.874
NE/K/8/BB NE/K/8 Fictie    De kandidaat kan: verschillende soorten fictiewerken herkennen de situatie en het denken en handelen van de personages in het fictiewerk beschrijven de relatie tussen het fictiewerk en de werkelijkheid toelichten een persoonlijke reactie geven op een fictiewerk en deze toelichten met voorbeelden uit het werk. eindterm b15a9326-73cd-48f1-b7cc-367941891772 1.877
NE/V/1 NE/V/1 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie    De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk. eindterm 1df103af-c5ac-44d9-aef9-cedb1f46b711 1.879
NE/V/2 NE/V/2 Schrijven op basis van documentatie    De kandidaat kan een doel- en publiekgerichte tekst schrijven: overeenkomstig de voor de tekstsoort geldende conventies onder gebruikmaking van documentatie. eindterm 608951b4-00dd-4a55-a818-246b50268ac3 1.880
NE/V/3 NE/V/3 Vaardigheden in samenhang    De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen. eindterm ee5e6335-5e76-45ee-9b20-03a09650b9e9 1.881
NE/K/4/KB/GL/TL NE/K/4 Luister- en kijkvaardigheid De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een programma en dit toelichten een instructie uitvoeren.   De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een programma en dit toelichten een instructie uitvoeren de waarde en betrouwbaarheid aangeven van de informatie die door de massamedia verspreid wordt. eindterm 7dc263c8-8c39-4af9-b34f-473ddbe05107 1.872
NE/K/6/KB/GL/TL NE/K/6  Leesvaardigheid De kandidaat kan: leesstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen het schrijfdoel van de auteur aangeven en de talige middelen die hij hanteert om dit doel te bereiken een tekst indelen in betekenisvolle eenheden en de relaties tussen die eenheden benoemen het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte van een tekst aangeven en een samenvatting geven een oordeel geven over de tekst en dit oordeel toelichten.      eindterm c421c3ef-629a-4ab4-aa34-edc2d47a3d3a 1.875
NE/K/8/KB/GL/TL NE/K/8  Fictie   verschillende soorten fictiewerken herkennen de situatie en het denken en handelen van de personages in het fictiewerk beschrijven de relatie tussen het fictiewerk en de werkelijkheid toelichten kenmerken van fictie in het fictiewerk aanwijzen relevante achtergrondinformatie verzamelen en selecteren een persoonlijke reactie geven op een fictiewerk en deze toelichten met voorbeelden uit het werk.       eindterm c7d30cfe-9ef2-453e-9fef-5f6ee1b0979b 1.878
PK/PIE/A a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. informatie op allerlei manieren overzichtelijk en efficiënt verzamelen, ordenen en weergeven; a.3. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.4. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.5. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.6. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.7. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.8. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.9. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.10. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.11. professionele hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.12. hygiënisch werken; a.13. milieubewust handelen; a.14. zich aan -en inpassen in een bedrijfscultuur; a.15. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.16. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. eindterm b4b2bbc8-2c3a-46ab-ad4b-a1099c9f43ad 2.130
PK/PIE/B b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. voorbeelden geven van technologische en innovatieve ontwikkelingen; b.4. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie; Voorbereiden De kandidaat kan: b.5. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.6. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.7. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.8. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.9. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.10. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.11. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.12. een tekening lezen; b.13. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.14. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.15. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.16. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.17. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.18. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.19. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.20. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.21. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.22. een werkstuk, product, systeem en/ of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.23. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren. eindterm 33f15420-510c-45df-95ee-92d684168eeb 2.145
PK/PIE/C c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.   c.1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I.   de beoogde doelen II.  de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten zijn gepland op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies. eindterm 1746e28e-b4c5-45ec-a4b2-968694ab7567 2.146
P/PIE/01 Module 1: Ontwerpen en maken (v2020) Taak: o een ontwerp van een product maken met behulp van 2D en 3D CAD-software en de uitvoering voorbereiden o een ontworpen product produceren o een ontworpen schakeling beproeven o onderdelen uit het ontwerp samenstellen, monteren en aansluiten   eindterm f0292fb6-591e-4353-823e-cae54c1c6e15 2.171
P/PIE/02 Module 2: Bewerken en verbinden van materialen (v2020) Taak: o producten maken door het vervormen en scheiden van materialen o onderdelen samenstellen aan de hand van een werktekening   eindterm a474168b-5826-400e-8fe8-83d7409b7f0e 2.172
P/PIE/03 Module 3: Besturen en automatiseren (v2020) Taak: o in een practicum een besturingsinstallatie opbouwen o in een practicum een regelsysteem opbouwen o in een practicum een domotica installatie opbouwen o in een practicum metingen uitvoeren, een verslag maken van de resultaten en deze presenteren o een automatische besturing van een proces opbouwen, aansluiten, testen, demonstreren en presenteren   eindterm 72d1e66f-842c-425a-8709-5c4c651427da 2.173
P/PIE/04 Module 4: Installeren en monteren (v2020) Taak: o een sanitaire installatie aanleggen o een elektrische huisinstallatie aanleggen   eindterm d6bcc900-1e76-4348-9961-7f1aceb33575 2.174
SK/H/Domein A: vaardigheden SK/H Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Scheikunde - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Gebruiken van chemische concepten 10. De kandidaat kan chemische concepten en in de chemie gebruikte fysische en biologische concepten herkennen en met elkaar in verband brengen. Subdomein A11: Redeneren in termen van context-concept 11. De kandidaat kan in leefwereld-, beroeps- en technologische contexten chemische concepten herkennen en gebruiken en kan op basis daarvan voorspellingen doen, en berekeningen en schattingen maken. Subdomein A12: Redeneren in termen van structuur-eigenschappen 12. De kandidaat kan macroscopische eigenschappen in relatie brengen met structuren op meso- en microniveau en daarin aspecten van schaal herkennen en kan omgekeerd vanuit structuren voorspellingen doen over macroscopische eigenschappen. Subdomein A13: Redeneren over systemen, verandering en energie 13. De kandidaat kan chemische processen herkennen in termen van systemen en daarbij kennis van stoffen, deeltjes, reactiviteit en energie gebruiken. Subdomein A14: Redeneren in termen van duurzaamheid 14. De kandidaat kan in maatschappelijke, beroeps- en technologische contexten aspecten van duurzaamheid aangeven en beschrijven. Subdomein A15: Redeneren over ontwikkelen van chemische kennis 15. De kandidaat kan in contexten aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke, technologische en chemische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 9019079a-3138-4b03-aaae-44e3ea308a05 1.448
SK/H/Domein B: Kennis van stoffen en materialen SK/H Domein B: Kennis van stoffen en materialen Subdomein B1: Deeltjesmodellen 16. De kandidaat kan deeltjesmodellen beschrijven en gebruiken. Subdomein B2: Eigenschappen en modellen 17. De kandidaat kan macroscopische eigenschappen van een stof of materiaal in relatie brengen met deeltjesmodellen. Subdomein B3: Bindingen en eigenschappen 18. De kandidaat kan met behulp van kennis van bindingen eigenschappen van stoffen en materialen toelichten en beschrijven. Subdomein B4: Bindingen, structuren en eigenschappen Examenprogramma scheikunde havo vanaf CE 2015 19. De kandidaat kan op basis van kennis van aanwezige structuren en de bindingen in en tussen deeltjes een macroscopische eigenschap van een stof of materiaal verklaren. Subdomein B5: Macroscopische eigenschappen 20. De kandidaat kan een macroscopische eigenschap relateren aan de structuur van een stof of materiaal. eindterm 448180f4-9d0c-416b-a641-d123efbeb892 1.449
SK/H/Domein C: Kennis van chemische processen en kringlopen SK/H Domein C: Kennis van chemische processen en kringlopen Subdomein C1: Chemische processen 21. De kandidaat kan chemische reacties en fysische processen beschrijven in termen van vormen en verbreken van (chemische) bindingen. Subdomein C2: Chemisch rekenen 22. De kandidaat kan met behulp van kennis van chemische reacties en behoudswetten berekeningen maken over een proces. Subdomein C3: Energieberekeningen 23. De kandidaat kan een chemisch proces en de daarbij optredende energieomzetting en energie-uitwisseling beschrijven en met een berekening toelichten. Subdomein C4: Chemisch evenwicht 24. De kandidaat kan bij experimenten metingen doen aan concentraties en energie-uitwisseling en beredeneren of er sprake is van evenwicht en hoe de ligging van het evenwicht kan worden beïnvloed. Subdomein C5: Technologische aspecten 25. De kandidaat kan in contexten van technologische aard aspecten van schaal, verandering en reactiviteit herkennen en toelichten. Subdomein C6: Reactiekinetiek 26. De kandidaat kan de reactiesnelheid berekenen uit de concentratieverandering en beredeneren hoe de reactiesnelheid beïnvloed wordt. Subdomein C7: Behoudswetten en kringlopen 27. De kandidaat kan chemische processen relateren aan behoudswetten en beschrijven in termen van kringlopen. Subdomein C8: Classificatie van reacties 28. De kandidaat kan eenvoudige reacties classificeren en gebruiken bij het beschrijven van polymerisatiereacties. eindterm 37b6f60d-f4a0-4398-9538-78fc375dba0c 1.450
SK/H/Domein D: Ontwerpen en experimenten in de chemie SK/H Domein D: Ontwerpen en experimenten in de chemie Subdomein D1: Chemische vakmethodes 29. De kandidaat kan met behulp van kennis van stoffen, materialen en chemische processen verklaren waarom bepaalde scheidings- en/of analysemethoden passen in een voorgesteld ontwerp of productieproces. Subdomein D2: Veiligheid 30. De kandidaat kan stoffen en materialen analyseren en zuiveren en daarbij veilig omgaan met stoffen, materialen en apparatuur. Subdomein D3: Chemische procesontwerpen 31. De kandidaat kan chemische processen relateren aan de opzet van een ontwerpopdracht of gebruikte technologie. Subdomein D4: Molecular modelling 32. De kandidaat kan bij een onderzoek- of een ontwerpopdracht elementen van “molecular modelling” gebruiken. eindterm b92a5fcc-c74d-4b93-bdbd-52fbaed946b0 1.451
SK/H/Domein E: Innovatieve ontwikkelingen in de chemie SK/H Domein E: Innovatieve ontwikkelingen in de chemie Subdomein E1: Kenmerken van innovatieve processen 33. De kandidaat kan in innovatieve processen het gebruik van structuureigenschappenrelaties ten minste in de context van materialen, geneesmiddelen of voeding, herkennen en beschrijven. Subdomein E2: Duurzaamheid 34. De kandidaat kan met behulp van kennis van chemische processen aspecten van duurzaamheid in relatie brengen met ontwikkelingen in de chemie. Subdomein E3: Innovatieve processen 35. De kandidaat kan met kennis van de chemische industrie ten minste in de context van voedselproductie of materialen een innovatief proces beschrijven. eindterm dd59ebf7-85d6-4c71-a028-d23f8c607f2a 1.452
SK/H/Domein F: Processen in de chemische industrie SK/H Domein F: Processen in de chemische industrie Subdomein F1: Industriële processen 36. De kandidaat kan gegeven industriële processen beschrijven in blokschema's, rendementsberekeningen maken, en aangeven hoe aspecten van groene chemie bij het ontwerp van het proces een rol spelen. Subdomein F2: Procestechnologie en duurzaamheid 37. De kandidaat kan kennis over procestechnologie en reactiekinetiek gebruiken bij redeneringen met betrekking tot duurzaamheid en veiligheid van een proces. Subdomein F3: Energieomzettingen 38. De kandidaat kan in de context van duurzaamheid beschrijven welke chemische en/of technologische processen worden gebruikt bij energieomzettingen en kan beredeneren hoe duurzaamheid een rol speelt bij energieproductie. Subdomein F4: Risico en veiligheid 39. De kandidaat kan in een gegeven industrieel proces veiligheidsrisico’s benoemen en veiligheidsmaatregelen aangeven. Subdomein F5: Kwaliteit en gezondheid 40. De kandidaat kan kennis van chemische processen ten minste in de context van voeding of voedselproductie relateren aan uitspraken over kwaliteit en gezondheid. eindterm 94892b60-2ad4-425a-bc72-e4ff462bc7f5 1.453
SK/H/Domein G: Maatschappij en chemische technologie SK/H Domein G: Maatschappij en chemische technologie Subdomein G1: Chemie van het leven 41. De kandidaat kan chemische processen in levende organismen herkennen en beschrijven. Subdomein G2: Milieueisen 42. De kandidaat kan met behulp van kennis van chemische processen ten minste in de context van voedselproductie of gezondheid uitspraken doen over de kwaliteit van water, lucht, bodem en voedsel. Subdomein G3: Duurzame chemische technologie 43. De kandidaat kan aangeven hoe grondstoffen voor de chemische industrie worden geproduceerd en kan met behulp van kennis van duurzame principes een relatie leggen tussen de lokale en mondiale kwaliteit van leven en de bijdrage van een bedrijfsproces uit de chemische industrie daaraan. Subdomein G4: Groene chemie 44. De kandidaat kan bij grootschalige productieprocessen aspecten van duurzaamheid en groene chemie benoemen. Subdomein G5: Ketenanalyse 45. De kandidaat kan met kennis van chemische processen bij een ketenanalyse van een proces of een product voorstellen voor aanpassing van het proces of product beoordelen. eindterm 146102df-1a0e-464a-972d-576055f03d78 1.454
SK/V SK/V Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Stoffen en materialen in de chemie Domein C Chemische processen en behoudswetten Domein D Ontwikkelen van chemische kennis Domein E Innovatie en chemisch onderzoek Domein F Industriële (chemische) processen Domein G Maatschappij, chemie en technologie   Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen B1, B2, B3, B4, C1, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D3, E1, E2, F1, F2, F3, G1, G2 en G3, in combinatie met de vaardigheden uit domein A. Het CvE kan bepalen, dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde. Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en: - de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 004b4ac4-4112-4bde-a1e7-80a201f323a3 1.693
SK/V/Domein A Vaardigheden SK/V Domein A: Vaardigheden Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau) Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken 1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. Subdomein A2: Communiceren 2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied. Subdomein A3: Reflecteren op leren 3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. Subdomein A4: Studie en beroep 4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.   Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau) Subdomein A5: Onderzoeken 5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruik makend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A6: Ontwerpen 6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren. Subdomein A7: Modelvorming 7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden. Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium 8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en –bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen. Subdomein A9: Waarderen en oordelen 9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.   Scheikunde - specifieke vaardigheden Subdomein A10: Toepassen van chemische concepten 10. De kandidaat kan chemische concepten en in de chemie gebruikte fysische en biologische concepten herkennen en met elkaar in verband brengen. Subdomein A11: Redeneren in termen van context-concept 11. De kandidaat kan in leefwereld-, beroeps- en wetenschapscontexten chemische concepten herkennen en gebruiken en kan op basis daarvan voorspellingen doen, berekeningen en schattingen maken en daarbij een argumentatie geven. Subdomein A12: Redeneren in termen van structuur-eigenschappen 12. De kandidaat kan macroscopische eigenschappen in relatie brengen met structuren op meso- en (sub)microniveau, en daarin aspecten van schaal herkennen en kan omgekeerd vanuit structuren voorspellingen doen over die macroscopische eigenschappen. Subdomein A13: Redeneren over systemen, verandering en energie 13. De kandidaat kan chemische processen beschrijven in termen van systemen met kennis van stoffen, deeltjes, reactiviteit en energie. Subdomein A14: Redeneren in termen van duurzaamheid 14. De kandidaat kan in maatschappelijke, beroeps- en wetenschapscontexten aspecten van duurzaamheid aangeven en beschrijven, daarmee samenhangende problemen analyseren en voorstellen formuleren voor een mogelijke oplossing daarvan. Subdomein A15: Redeneren over ontwikkelen van chemische kennis 15. De kandidaat kan analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke, technologische en chemische kennis wordt ontwikkeld en toegepast. eindterm 77f17f1a-1ff1-40ba-9979-2135facfd7f0 1.686
SK/V/Domein B Stoffen en materialen in de chemie SK/V Domein B: Stoffen en materialen in de chemie Subdomein B1: Deeltjesmodellen 16. De kandidaat kan deeltjesmodellen beschrijven en gebruiken. Subdomein B2: Eigenschappen en modellen 17. De kandidaat kan bij beschreven onderzoek aan stoffen en materialen macroscopische eigenschappen verklaren met deeltjesmodellen. Subdomein B3: Bindingen en eigenschappen 18. De kandidaat kan met behulp van kennis over bindingen in en tussen deeltjes eigenschappen van stoffen en materialen verklaren. Subdomein B4: Bindingen, structuren en eigenschappen 19. De kandidaat kan op basis van kennis van structuren en de bindingen in en tussen deeltjes eigenschappen van stoffen en materialen verklaren en omgekeerd vanuit de eigenschappen van stoffen of materialen structuren voorspellen. eindterm 48c45875-f6c3-4131-91ee-6cfe49c47605 1.687
SK/V/Domein C Chemische processen en behoudswetten SK/V Domein C: Chemische processen en behoudswetten Subdomein C1: Chemische processen 20. De kandidaat kan chemische reacties en fysische processen beschrijven in termen van reactiviteit en het vormen en verbreken van (chemische) bindingen. Subdomein C2: Chemisch rekenen 21. De kandidaat kan met behulp van kennis van chemische reacties en behoudswetten berekeningen maken over een proces. Subdomein C3: Behoudswetten en kringlopen 22. De kandidaat kan verbanden leggen tussen behoudswetten en chemische processen, en kan deze verbanden relateren aan kringlopen. Subdomein C4: Reactiekinetiek 23. De kandidaat kan op basis van kennis van reactiekinetiek chemische processen analyseren, onder andere door de concentratie van aanwezige stoffen en deeltjes te berekenen, en kan aangeven welke rol katalyse speelt. Subdomein C5: Chemisch evenwicht 24. De kandidaat kan aangeven of er sprake is van evenwicht, kan berekeningen uitvoeren aan evenwichten, en kan verklaren hoe de ligging van een evenwicht kan worden beïnvloed. Subdomein C6: Energieberekeningen 25. De kandidaat kan berekeningen maken over energieomzettingen en energieuitwisseling bij chemische processen en hieruit conclusies trekken en voorstellen formuleren. Subdomein C7: Classificatie van reacties 26. De kandidaat kan reacties classificeren en aan de hand van kenmerken beschrijven. Subdomein C8: Technologische aspecten 27. De kandidaat kan in contexten van technologische aard aspecten van schaal, verandering en reactiviteit herkennen en toelichten. Subdomein C9: Kwaliteit van energie 28. De kandidaat kan met kennis van energie aangeven hoe de energiesoort en de kwaliteit van energie bij chemische processen verandert. Subdomein C10: Activeringsenergie 29. De kandidaat kan bij experimenten het begrip activeringsenergie gebruiken, beschrijven en relateren aan katalyse. eindterm fbd77572-c7b7-4e64-bd5e-412e37540e2b 1.688
SK/V/Domein D Ontwikkelen van chemische kennis SK/V Domein D: Ontwikkelen van chemische kennis Subdomein D1: Chemische vakmethodes 30. De kandidaat kan met behulp van kennis van materialen en stoffen een keuze voor een bepaalde scheidings- en/of analysemethode formuleren en beoordelen. Subdomein D2: Veiligheid 31. De kandidaat kan met behulp van kennis van eigenschappen van stoffen en materialen in experimenten deze stoffen of materialen analyseren en zuiveren en daarbij veilig omgaan met stoffen, materialen en apparatuur. Subdomein D3: Chemische synthese 32. De kandidaat kan met behulp van kennis over chemische processen aangeven hoe stoffen worden gesynthetiseerd en daarbij een relatie leggen met relevante reactiemechanismen. Subdomein D4: Molecular modelling 33. De kandidaat kan een reactiemechanisme opstellen met gebruik van onder andere “molecular modelling”, en daarbij, indien van toepassing, kennis van katalyse gebruiken. eindterm 4c7a8725-2747-41d3-82c1-582d7309ffb2 1.689
SK/V/Domein E Innovatie en chemisch onderzoek SK/V Domein E: Innovatie en chemisch onderzoek Subdomein E1: Chemisch onderzoek 34. De kandidaat kan met behulp van kennis van chemische processen in een beschreven onderzoek ten minste in de context van gezondheid, materialen of voedselproductie aangeven hoe die kennis wordt gebruikt. Subdomein E2: Selectiviteit en specificiteit 35. De kandidaat kan bij chemische reacties ten minste in de context van voedselproductie, geneesmiddelen of transport van stoffen in het lichaam selectiviteit en specificiteit verklaren, en daarbij, indien van toepassing, kennis van katalyse gebruiken. Subdomein E3: Duurzaamheid 36. De kandidaat kan met behulp van kennis van chemische processen uitspraken over duurzaamheid waarderen en van commentaar voorzien. Subdomein E4: Nieuwe materialen 37. De kandidaat kan met behulp van kennis van de chemische industrie ten minste in de context van geneesmiddelen, voeding of materialen toelichten hoe nieuwe toepassingen in bestaande en in nieuwe markten worden ontwikkeld. Subdomein E5: Onderzoek en ontwerp 38. De kandidaat kan ten minste in de context van duurzaamheid, materialen, voeding of gezondheid een onderzoeks- of een ontwerpopdracht formuleren, die uitvoeren en daarvan verslag doen. eindterm 12e1c6bc-4344-4993-8b93-fa6816609d73 1.690
SK/V/Domein F Industriële (chemische) processen SK/V Domein F: Industriële (chemische) processen Subdomein F1: Industriële processen 39. De kandidaat kan industriële processen beschrijven in blokschema's, hieraan berekeningen uitvoeren en voorstellen voor aanpassingen formuleren en beoordelen. Subdomein F2: Groene chemie 40. De kandidaat kan met behulp van kennis van procestechnologie en reactiekinetiek, ten minste in de context van voedselproductie of duurzaamheid, "principes van groene chemie" herkennen en relateren aan gerealiseerde, mogelijke en gewenste veranderingen van die processen en eenvoudige berekeningen uitvoeren. Subdomein F3: Energieomzettingen 41. De kandidaat kan in de context van duurzaamheid beschrijven welke chemische en/of technologische processen worden gebruikt bij energieomzettingen en kan met behulp van kennis van energieproductie deze processen beschrijven, daarbij voorkomende condities aangeven en voorstellen voor aanpassing beoordelen. Subdomein F4: Risico en veiligheid 42. De kandidaat kan kennis van risico en veiligheid gebruiken en kan daarmee in industriële productieprocessen die aspecten beoordelen. Subdomein F5: Duurzame productieprocessen 43. De kandidaat kan met behulp van chemische kennis ten minste in de context van duurzaamheid een oordeel geven over het ontwerp van productieprocessen. eindterm aa794fbe-fd6a-425d-b0cb-c03cbdeb99d7 1.691
SK/V/Domein G Maatschappij, chemie en technologie SK/V Domein G: Maatschappij, chemie en technologie Subdomein G1: Chemie van het leven 44. De kandidaat kan kennis van chemische processen in levende organismen beschrijven en gebruiken. Subdomein G2: Milieueffectrapportage 45. De kandidaat kan met behulp van kennis van productieprocessen ten minste in de context van gezondheid of duurzaamheid beschrijven welke maatschappelijke condities een rol spelen bij milieu-gerelateerde vraagstukken en voor deze vraagstukken beschrijven welke mogelijke gevolgen er zijn op het gebied van gezondheid en duurzaamheid. Subdomein G3: Energie en industrie 46. De kandidaat kan met behulp van kennis van productieprocessen ten minste in de context van duurzaamheid energieomzettingen vanuit de verschillende bronnen beschrijven, vergelijkingen maken en een beargumenteerd oordeel geven. Subdomein G4: Milieueisen 47. De kandidaat kan met behulp van kennis van grootschalige chemische processen beschrijven welke kwaliteiten van water, lucht, bodem en voedsel op welke wijze worden gewaarborgd en kan voorgestelde aanpassingen beoordelen. Subdomein G5: Bedrijfsprocessen 48. De kandidaat kan met behulp van chemische kennis ten minste in de context van duurzaamheid een voorbeeld uit de Nederlandse chemische industrie analyseren en aangeven wat de bijdrage is van het bedrijfsproces aan lokale en mondiale kwaliteit van leven. eindterm 39067553-0af9-40d3-9cf5-5d68e5989ff8 1.692
SK/H SK/H Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Kennis van stoffen en materialen Domein C Kennis van chemische processen en kringlopen Domein D Ontwerpen en experimenten in de chemie Domein E Innovatieve ontwikkelingen in de chemie Domein F Processen in de chemische industrie Domein G Maatschappij en chemische technologie   Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen B1, B2, B3, B4, B5, C1, C2, C3, C6, C7, C8, D1, D3, E1, F1, F3, G1 en G2 in combinatie met de vaardigheden uit domein A. Het CvE kan bepalen, dat het centraal examen ten dele betrekking heeft op andere subdomeinen, mits de subdomeinen van het centraal examen tezamen dezelfde studielast hebben als de in de vorige zin genoemde. Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. Het CvE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en: - de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 703a722c-5367-49bc-bcea-f603f5a0c65a 1.694
WI/A/H/Domein A Vaardigheden WI/A/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Informatievaardigheden 1. De kandidaat kan, mede met behulp van ICT, informatie verwerven, selecteren, verwerken, beoordelen en presenteren. Subdomein A2: Onderzoeksvaardigheden 2. De kandidaat kan een gegeven probleemsituatie inventariseren, vertalen in een wiskundig model, binnen dat model wiskundige oplostechnieken hanteren en de gevonden oplossingen betekenis geven in de context. Subdomein A3: Technisch-instrumentele vaardigheden 3. De kandidaat kan bij raadplegen, verkennen en presenteren van wiskundige informatie en bij uitvoeren van wiskundige bewerkingen en redeneringen gebruik maken van toepassingen van ICT. Subdomein A4: Oriëntatie op studie en beroep 4. De kandidaat kan een verband leggen tussen zijn wiskundige kennis, vaardigheden en belangstelling en de rol van wiskunde in vervolgstudies en de praktijk van verschillende beroepen. Subdomein A5: Algebraïsche vaardigheden 5. De kandidaat beheerst de bij het examenprogramma passende rekenkundigeen algebraïsche vaardigheden en formules, heeft daar inzicht in en kan de bewerkingen uitvoeren met, maar ook zonder, gebruik van ICT-middelen zoals de grafische rekenmachine. eindterm a9fd96c0-ec58-48a9-8fda-941afc2b2b69 1.264
WI/A/H/Domein B Veranderingen WI/A/H Domein B: Veranderingen Subdomein B1: Tabellen 6. De kandidaat kan een tabel opstellen op basis van gegevens uit een tekst, een grafiek, een formule en andere tabellen en tabellen aflezen, interpreteren en in verband brengen met andere tabellen, grafieken, formules en tekst. Subdomein B2: Grafieken 7. De kandidaat kan een grafiek tekenen op basis van gegevens uit een tekst, een tabel, een formule of andere grafieken en grafieken aflezen, interpreteren en in verband brengen met andere grafieken, formules of tekst. Subdomein B3: Veranderingen 8. De kandidaat kan over een grafiek uitspraken doen over stijgen, dalen, maximum en minimum en is in staat veranderingen te beschrijven middels differenties, hellingen en toenamediagrammen. eindterm ea47b445-dbfe-485a-8aa7-9cf41ac77653 1.265
WI/A/H/Domein C Tellen en kansen WI/A/H Domein C: Tellen en kansen Subdomein C1: Tellen 9. De kandidaat kan in een tekst beschreven telproblemen visualiseren met een schema of diagram, dergelijke visualiseringen interpreteren en aantallen mogelijkheden berekenen. Subdomein C2: Kansen 10. De kandidaat kan in een tekst beschreven kansproblemen analyseren, visualiseren met een schema en diagram en kansen berekenen. eindterm d54e7a0e-dc41-4979-8538-04c25ec2de51 1.266
WI/A/H/Domein D Statistiek WI/A/H Domein D: Statistiek Subdomein D1: Populatie en steekproef 11. De kandidaat kan bij een gegeven probleemsituatie de populatie aangeven, een gegeven steekproef beoordelen op geschiktheid en een geschikte steekproef kiezen. Subdomein D2: Ordenen, verwerken en samenvatten van statistische gegevens 12. De kandidaat kan waarnemingen verwerken in een geschikte tabel, visualiseren in een geschikt diagram, samenvatten met geschikte centrum- en spreidingsmaten en een gegeven grafische representatie interpreteren. Subdomein D3: De normale verdeling 13. De kandidaat kan het normale verdelingsmodel gebruiken voor het berekenen van kansen, relatieve frequenties, gemiddelde en standaardafwijking. eindterm af4834ec-f012-436b-951f-3bf4d0c05c2d 1.267
WI/A/H/Domein E Verbanden WI/A/H Domein E: Verbanden Subdomein E1: Formules met twee of meer variabelen 14. De kandidaat kan door substitutie in een formule waarden berekenen en een formule opstellen of wijzigen op basis van gegeven informatie. Subdomein E2: Lineaire verbanden 15. De kandidaat kan bij een lineair verband een formule opstellen en een grafiek tekenen, met lineaire verbanden berekeningen uitvoeren zoals interpolatie en extrapolatie, lineaire vergelijkingen en ongelijkheden oplossen en uitkomsten interpreteren. Subdomein E3: Exponentiële verbanden 16. De kandidaat kan exponentiële processen herkennen, met formules beschrijven, in grafieken weergeven en er berekeningen aan uitvoeren. eindterm 7548df77-b7a8-4d98-bdc8-10040a951837 1.268
WI/A/H/Domein F Toegepaste analyse WI/A/H Domein F: Toegepaste analyse Subdomein F1: Exponentiële functies 17. De kandidaat kan de grafiek van exponentiële functies tekenen in assenstelsels met lineaire of logaritmische schalen, dergelijke grafieken interpreteren en bij exponentiële groeigrafieken een formule opstellen. Subdomein F2: Gebroken lineaire functies en machtsfuncties 18. De kandidaat kan verbanden van de vorm a y b x = + en y = a × xb herkennen, interpreteren en tekenen en vanuit de beschrijving van dergelijke verbanden een formule opstellen. eindterm 2676ba39-2d6a-4011-914c-e52d12b3c178 1.269
WI/A/H/Domein G Binomiale verdeling. WI/A/H Domein G: De binomiale verdeling Subdomein G1: Telproblemen 19. De kandidaat kan permutaties en combinaties onderscheiden en berekenen. Subdomein G2: Rekenen met kansen 20. De kandidaat kan kansproblemen vertalen naar een vaasmodel en met behulp van rekenregels (somregel, productregel en complementregel) kansen en verwachtingswaarden berekenen. Subdomein G3: De binomiale verdeling 21. De kandidaat kan geschikte kansexperimenten vertalen naar een binomiaal kansmodel en binnen het model berekeningen uitvoeren. eindterm e22cf3c8-af59-4673-8c9d-83138ca755a2 1.270
WI/A/H/2017/Domein A Vaardigheden WI/A/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Algemene vaardigheden 1. De kandidaat heeft kennis van de rol van wiskunde in de maatschappij, kan hierover gericht informatie verzamelen en de resultaten communiceren met anderen. Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden 2. De kandidaat kan profielspecifieke probleemsituaties in wiskundige termen analyseren, oplossen en het resultaat naar de betrokken context terugvertalen. Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden 3. De kandidaat beheerst de bij het examenprogramma passende wiskundige vaardigheden, waaronder modelleren en algebraïseren, ordenen en structureren, analytisch denken en probleemoplossen, formules manipuleren, abstraheren, en logisch redeneren – en kan daarbij ICT functioneel gebruiken.   eindterm 5b74b5f2-5c01-4daa-9c11-72b4dddb5c77 1.944
WI/A/H/2017/Domein B Algebra en tellen WI/A/H Domein B: Algebra en tellen Subdomein B1: Rekenen 4. De kandidaat kan berekeningen uitvoeren met getallen en daarbij gebruik maken van de rekenkundige basisbewerkingen en van het werken met haakjes. Subdomein B2: Algebra 5. De kandidaat kan berekeningen uitvoeren met variabelen en daarbij gebruik maken van de algebraïsche basisbewerkingen en van het werken met haakjes. Subdomein B3: Telproblemen 6. De kandidaat kan telproblemen structureren en schematiseren en dat gebruiken bij berekeningen en redeneringen. eindterm 8367cf1e-7f1e-4aa3-b18e-ea8e599de0f2 1.945
WI/A/H/2017/Domein C Verbanden WI/A/H Domein C: Verbanden Subdomein C1: Tabellen 7. De kandidaat kan een tabel opstellen op basis van gegevens uit een tekst, een grafiek, een formule of andere tabellen en tabellen aflezen, interpreteren en in verband brengen met andere tabellen, grafieken, formules of tekst. Subdomein C2: Grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden 8. De kandidaat kan een grafiek tekenen op basis van gegevens uit een tekst, een tabel, een formule of andere grafieken en gegevens en relevante informatie uit grafieken aflezen, grafieken interpreteren en in verband brengen met andere grafieken, formules of tekst. Subdomein C3: Formules met één of meer variabelen 9. De kandidaat kan door substitutie in een formule met één of meer variabelen waarden berekenen en een formule opstellen of wijzigen op basis van gegeven informatie. Subdomein C4: Lineaire verbanden 10. De kandidaat kan bij een lineair verband een formule opstellen en een grafiek tekenen, met lineaire verbanden berekeningen uitvoeren zoals interpolatie en extrapolatie, lineaire vergelijkingen en ongelijkheden oplossen en uitkomsten toepassen in profielspecifieke probleemsituaties. Subdomein C5: Exponentiële verbanden 11. De kandidaat kan exponentiële verbanden herkennen, met formules beschrijven, in grafieken weergeven en er berekeningen aan uitvoeren. eindterm 861d0b8a-9370-4472-9d24-4091628ddca2 1.946
WI/A/H/2017/Domein D Verandering WI/A/H Domein D: Verandering 12. De kandidaat kan bij een grafiek uitspraken doen over stijgen, dalen, maximum en minimum en kan veranderingen beschrijven met behulp van differenties, hellingen en toenamediagrammen. eindterm a05a1cf1-a008-478c-8f19-60be7b931c06 1.947
WI/A/H/2017/Domein E Statistiek WI/A/H Domein E: Statistiek Subdomein E1: Presentaties van data interpreteren en beoordelen 13. De kandidaat kan data die op diverse manieren zijn gerepresenteerd en/of samengevat interpreteren en beoordelen op relevantie in relatie tot een onderzoeksvraag. Subdomein E2: Data verwerken 14. De kandidaat kan data verwerken, organiseren, bewerken, weergeven in grafieken, tabellen en diagrammen, en karakteriseren met geschikte centrum- en spreidingsmaten. Subdomein E3: Data en verdelingen 15. De kandidaat kan data analyseren en kenmerken van een verdeling beschrijven. Subdomein E4: Statistische uitspraken doen 16. De kandidaat kan - op basis van steekproefgegevens een uitspraak doen over een populatieproportie of populatiegemiddelde en de betrouwbaarheid kwantificeren; - het verschil tussen groepen kwantificeren; - het verband tussen twee variabelen beschrijven en het resultaat interpreteren in termen van de context. Subdomein E5: Statistiek met ICT 17. De kandidaat beheerst statistisch ICT-gebruik in relatie met de subdomeinen E1, E2, E3 en E4 om grote datasets te interpreteren en te analyseren, ten minste in het kader van de empirische cyclus. eindterm 16798fef-cf1a-4468-b99d-fc82f00ea8c1 1.948
WI/A/H/2017/Examenprogramma wiskunde A havo WI/A/H Examenprogramma wiskunde A havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A  Vaardigheden    Domein B  Algebra en tellen    Domein C  Verbanden    Domein D  Verandering    Domein E  Statistiek eindterm cb6a1b50-960f-4407-ab98-e68aee73f8ca 1.949
WI/A/H/2009/Examenprogramma WI/A/H Examenprogramma wiskunde A havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Veranderingen Domein C Tellen en kansen Domein D Statistiek Domein E Verbanden Domein F Toegepaste analyse Domein G Binomiale verdeling.   Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen A5, B1, B2, B3, C1, C2, D3, E1, E2, E3, G1, G2 en G3, in combinatie met de vaardigheden uit de subdomeinen A1, A2 en A3. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en: - de (sub)domeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 12ce2e32-6752-4dda-a6dd-1755b0dcdfd6 1.950
WI/B/H/Domein A Vaardigheden WI/B/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Informatievaardigheden 1. De kandidaat kan, mede met behulp van ICT, informatie verwerven, selecteren, verwerken, beoordelen en presenteren. Subdomein A2: Onderzoeksvaardigheden 2. De kandidaat kan een gegeven probleemsituatie inventariseren, vertalen in een wiskundig model, binnen dat model wiskundige oplostechnieken hanteren en de gevonden oplossingen betekenis geven in de context. Subdomein A3: Technisch-instrumentele vaardigheden 3. De kandidaat kan bij raadplegen, verkennen en presenteren van wiskundige informatie en bij uitvoeren van wiskundige bewerkingen en redeneringen gebruik maken van toepassingen van ICT. Subdomein A4: Oriëntatie op studie en beroep 4. De kandidaat kan een verband leggen tussen zijn wiskundige kennis, vaardigheden en belangstelling en de rol van wiskunde in vervolgstudies en de praktijk van verschillende beroepen. Subdomein A5: Algebraïsche vaardigheden 5. De kandidaat beheerst de bij het examenprogramma passende rekenkundige en algebraïsche vaardigheden en formules, heeft daar inzicht in en kan de bewerkingen uitvoeren met, maar ook zonder, gebruik van ICT-middelen zoals de grafische rekenmachine. eindterm ba9aaffb-5ce2-48cf-bfb9-5542e51bcfa2 1.271
WI/B/H/Domein B Veranderingen WI/B/H Domein B: Veranderingen Subdomein B1: Veranderingen 6. De kandidaat kan het veranderingsgedrag van een grafiek, tabel of functie onder meer door middel van toenamediagrammen en differentiequotiënten beschrijven en differentiequotiënten berekenen en interpreteren, ook vanuit een contextprobleem. eindterm d7f1f2f7-765b-4371-9391-73004d270a03 1.272
WI/B/H/Domein D Ruimtemeetkunde 1 WI/B/H Domein D: Ruimtemeetkunde 1 Subdomein D1: Fragmenttekeningen van ruimtelijke objecten 7. De kandidaat kan van een ruimtelijk object aanzichten, uitslagen en vlakke doorsneden tekenen, interpreteren, er berekeningen aan uitvoeren en uit een serie parallelle doorsneden conclusies trekken over vorm en inhoud van zo'n object. Subdomein D2: Oppervlakte en inhoud 8. De kandidaat kan de oppervlakte van vlakke en ruimtelijke figuren berekenen, van ruimtelijke figuren de inhoud berekenen en schatten en het effect van schaalvergroting op zowel inhoud als oppervlakte beargumenteren. eindterm 6dd9e2c2-a31c-4ce5-b07b-c8ddeba86eb9 1.273
WI/B/H/Domein E Toegepaste analyse 1 WI/B/H Domein E: Toegepaste analyse 1 Subdomein E1: Functies en grafieken 9. De kandidaat kan standaardfuncties (machtsfuncties, exponentiële en logaritmische functies en goniometrische functies) hanteren, interpreteren binnen een context, de grafieken beschrijven en in een functievoorschrift vastleggen, eenvoudige vergelijkingen oplossen en werken met eenvoudige transformaties. Subdomein E2: Vergelijkingen en ongelijkheden 10. De kandidaat kan eenvoudige vergelijkingen, ongelijkheden en stelsels van twee lineaire vergelijkingen oplossen met behulp van een algoritme, in voorkomende gevallen grafisch oplossen of numeriek benaderen en de oplossingen interpreteren in relatie met de context. Subdomein E3: Afgeleide functies 11. De kandidaat kan de lokale verandering van een functie benaderen zowel met een differentiaalquotiënt als numeriek-grafisch en de afgeleide functie van een polynoom en van eenvoudige goniometrische functies bepalen en gebruiken zowel voor bestudering van het veranderingsgedrag van een functie als voor het benaderen van een functiewaarde. Subdomein E4: Periodieke functies 12. De kandidaat kan periodieke verschijnselen beschrijven door middel van een goniometrische functie, de bijbehorende sinusoïde tekenen en kenmerkende eigenschappen ervan benoemen en alle oplossingen van een eenvoudige goniometrische vergelijking op een gegeven interval vinden. eindterm 62d2559e-0191-45ff-8e97-7a143abea4ad 1.274
WI/B/H/Domein H Toegepaste analyse 2. WI/B/H Domein H: Toegepaste analyse 2 Subdomein H1: Afgeleide functies 2 13. De kandidaat kan voor het bepalen van de afgeleide functie en de interpretatie daarvan binnen een context gebruik maken van de som-, verschil- en productregel en van de kettingregel bij enkelvoudig samengestelde functies. eindterm 2d5e4c2a-888d-44e1-b15f-e42f28257f2a 1.275
WI/B/H/Examenprogramma WI/B/H Examenprogramma wiskunde B havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Veranderingen Domein D Ruimtemeetkunde 1 Domein E Toegepaste analyse 1 Domein H Toegepaste analyse 2. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de subdomeinen A5, B1, D1, D2, E1, E2, E3, E4 en H1, in combinatie met de vaardigheden uit de subdomeinen A1, A2 en A3. De CEVO stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. De CEVO maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en: - de domeinen B en D; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer van de overige domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 354c12df-10bb-4e1b-91ef-146eb8e1aae2 1.952
WI/B/H/2017/Domein A: Vaardigheden WI/B/H/2017/Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Algemene vaardigheden 1. De kandidaat heeft kennis van de rol van wiskunde in de maatschappij, kan hierover gericht informatie verzamelen en de resultaten communiceren met anderen. Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden 2. De kandidaat kan profielspecifieke probleemsituaties in wiskundige termen analyseren, oplossen en het resultaat naar de betrokken context terugvertalen. Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden 3. De kandidaat beheerst de bij het examenprogramma passende wiskundige vaardigheden, waaronder modelleren en algebraïseren, ordenen en structureren, analytisch denken en probleemoplossen, formules manipuleren, abstraheren, en logisch redeneren en bewijzen – en kan daarbij ICT functioneel gebruiken. eindterm 8812532d-64f0-47ba-8448-7a0bccef8e22 2.008
WI/B/H/2017/Domein B: Functies, grafieken en vergelijkingen WI/B/H/2017/Domein B: Functies, grafieken en vergelijkingen Subdomein B1: Standaardfuncties 4. De kandidaat kan standaardfuncties (machtsfuncties, exponentiële en logaritmische functies en goniometrische functies) hanteren, interpreteren binnen een context, de grafieken beschrijven en in een functievoorschrift vastleggen en werken met eenvoudige transformaties. Subdomein B2: Vergelijkingen en ongelijkheden 5. De kandidaat kan vergelijkingen, ongelijkheden en stelsels van twee lineaire vergelijkingen oplossen, in voorkomende gevallen grafisch oplossen of de oplossingen numeriek benaderen en de oplossingen interpreteren in de context. Subdomein B3: Evenredigheidsverbanden 6. De kandidaat kan verbanden tussen de twee grootheden a en  b van de vorm a=c∙𝑏𝑑 herkennen, toepassen en bijbehorende grafieken tekenen, vanuit de beschrijving van een dergelijk verband een formule opstellen, de evenredigheidsconstante bepalen en kan rekenen met en redeneren over verbanden van deze vorm en het effect van schaalvergroting. Subdomein B4: Periodieke functies 7. De kandidaat kan periodieke verschijnselen beschrijven door middel van sinus- of cosinusfuncties, de bijbehorende sinusoïden tekenen en de karakteristieke eigenschappen ervan benoemen en alle oplossingen van een goniometrische vergelijking op een gegeven interval bepalen. eindterm 42978608-00dc-4320-b8b4-0cc255418d6b 2.009
WI/B/H/2017/Domein C: Meetkundige berekeningen WI/B/H/2017/Domein C: Meetkundige berekeningen Subdomein C1: Afstanden en hoeken in concrete situaties 8. De kandidaat kan afstanden en hoeken berekenen met behulp van goniometrische verhoudingen, de stelling van Pythagoras en de sinus- en cosinusregel. Subdomein C2: Algebraïsche methoden 9. De kandidaat kan analytisch-algebraïsche berekeningen uitvoeren aan de hand van contexten en figuren.   eindterm 9cb61d5c-937a-46db-a7b9-15bc987d3e4b 2.010
WI/B/H/2017/Domein D: Toegepaste analyse WI/B/H/2017/Domein D: Toegepaste analyse Subdomein D1: Veranderingen 10. De kandidaat kan het veranderingsgedrag van een functie, gegeven door grafiek, tabel of formule, beschrijven door middel van toenamediagrammen en differentiequotiënten en kan differentiequotiënten berekenen en interpreteren, ook vanuit een profielspecifieke probleemsituatie. Subdomein D2: Afgeleide functies 11. De kandidaat kan de afgeleide functie begripsmatig interpreteren en kan lokale veranderingen van functiewaarden benaderen zowel met een differentiaalquotiënt als met een numeriek-grafische methode. Subdomein D3: Bepaling afgeleide functies 12. De kandidaat kan de afgeleide functie van machtsfuncties met rationale exponenten bepalen en kan voor het bepalen van de afgeleide functie gebruik maken van de som-, verschil- en kettingregel. Subdomein D4: Toepassing afgeleide functies 13. De kandidaat kan analytisch-algebraïsche berekeningen uitvoeren gericht op profielspecifieke contexten.   eindterm 88c6f272-8aac-4a52-9daf-b0742537d1c6 2.011
WI/B/H/2017/Examenprogramma wiskunde B havo WI/B/H/2017/Examenprogramma wiskunde B havo eindterm f64e3573-0570-4bb4-8caa-3704d0d8d3a0 2.050
WI/D/H/Domein A Vaardigheden WI/D/H Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Algemene vaardigheden 1. Informatievaardigheden De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken. 2. Communiceren De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit de wiskunde. 3. Reflecteren op leren De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces. 4. Studie en beroep De kandidaat kan toepassingen en effecten van wiskunde en natuurwetenschappen in verschillende studie- en beroepssituaties herkennen en benoemen. Daarnaast kan de kandidaat een verband leggen tussen de praktijk van deze studies en beroepen en de eigen kennis, vaardigheden en belangstelling. Subdomein A2: Wiskundige en natuurwetenschappelijke vaardigheden 5. Onderzoeken De kandidaat kan een probleemsituatie in een wiskundige, natuurwetenschappelijke of economische context analyseren, gebruik makend van relevante begrippen en theorie vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. 6. Ontwerpen De kandidaat kan een ontwerp op basis van een gesteld probleem voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen en theorie gebruiken. 7. Modelvorming De kandidaat kan een realistisch probleem in een context analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren en het model toetsen en beoordelen. 8. Redeneren De kandidaat kan met gegevens van wiskundige en natuurwetenschappelijke aard consistente redeneringen opzetten van zowel inductief als deductief karakter. 9. Waarderen en oordelen De kandidaat kan een beargumenteerd oordeel over een situatie in de natuur of een technische toepassing geven, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten en persoonlijke uitgangspunten. Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden 10. Algebraïsche vaardigheden De kandidaat beheerst de bij het examenprogramma passende rekenkundige en algebraïsche vaardigheden, heeft inzicht in de bijbehorende formules en kan de bewerkingen uitvoeren. 11. Vaktaal, conventies en notaties De kandidaat kan correcte vakspecifieke taal en terminologie interpreteren en produceren, inclusief formuletaal, conventies en notaties. 12. Oplossingsvaardigheden De kandidaat kan een oplossingsstrategie kiezen, deze correct toepassen en gevonden oplossingen controleren op wiskundige juistheid. eindterm 07d0f0be-531b-4391-81e8-1331517b5f07 1.276
WI/D/H/Domein B Kansrekening en statistiek WI/D/H Domein B: Kansrekening en statistiek Subdomein B1: Kansrekening 13. De kandidaat kan beschreven kansproblemen analyseren, visualiseren met behulp van een schema of diagram en kansen berekenen, zonodig met behulp van permutaties en combinaties. Subdomein B2: Statistiek - dataverwerking 14. De kandidaat kan bij een gegeven probleemsituatie de populatie aangeven, een gegeven of gekozen steekproef op geschiktheid beoordelen, data verwerken in een geschikte tabel of diagram, samenvatten met geschikte centrum- en spreidingsmaten en een gegeven grafische representatie interpreteren. Subdomein B3: Kansverdelingen 15. De kandidaat kan binomiale en (standaard-)normale verdelingsmodellen herkennen, binnen zo'n model berekeningen uitvoeren en de resultaten interpreteren. Subdomein B4: Profielspecifieke verdieping 16. De kandidaat kan de stof van wiskunde B gebruiken voor een profielspecifieke verdieping. Subdomein B5: Toepassingen van statistische verwerkingsmethoden 17. De kandidaat kan statistische software gebruiken om in een gegeven probleemsituatie data te verwerken en statistische conclusies te trekken. eindterm bf3d1b6e-e94d-47c7-8f3c-d2047d625285 1.277
WI/D/H/Domein C Toegepaste analyse 2 WI/D/H Domein C: Toegepaste analyse 2 Subdomein C1: Afgeleide functies 2 18. De kandidaat kan voor het bepalen van de afgeleide functie en de interpretatie daarvan binnen een context gebruik maken van de som-, verschil-, product- en quotiëntregel en van de kettingregel bij enkelvoudig samengestelde functies. Subdomein C2: Evenredigheidsverbanden 19. De kandidaat kan verbanden tussen de twee grootheden a en b van de vorm a = c × bd herkennen, toepassen en bijbehorende grafieken tekenen, vanuit de beschrijving van een dergelijk verband een formule opstellen, de evenredigheidsconstante bepalen en de wetten van de schaalvergroting gebruiken. Subdomein C3: Exponentiële functies 20. De kandidaat kan, ook in concrete toepassingen, exponentiële processen herkennen en met formules beschrijven, de grafieken van exponentiële functies tekenen in assenstelsels met lineaire of logaritmische schalen, dergelijke grafieken interpreteren, bij exponentiële groeigrafieken formules opstellen en er berekeningen aan uitvoeren, de afgeleide bepalen van exponentiële en logaritmische functies en daarmee optimaliseringsproblemen oplossen, ook met behulp van ICT. Subdomein C4: Goniometrische functies 21. De kandidaat kan, ook in concrete toepassingen, harmonische processen herkennen en beschrijven met goniometrische functies, waaronder ook tan, de grafieken van goniometrische functies en samenstellingen hiervan tekenen in assenstelsels met radialen op de horizontale as, dergelijke grafieken interpreteren, de stelling van Pythagoras voor lineaire combinaties van goniometrische functies gebruiken, bij grafieken van harmonische trillingen formules opstellen, er berekeningen aan uitvoeren en met behulp van differentiëren optimaliseringsproblemen oplossen, ook met behulp van ICT. eindterm dee6b3df-64c9-4fd8-be45-1e26e13d4fd2 1.278
WI/D/H/Domein D Ruimtemeetkunde 2 WI/D/H Domein D: Ruimtemeetkunde 2 Subdomein D1: Onderlinge ligging van punten, lijnen, vlakken in concrete situaties 22. De kandidaat kan van punten, lijnen en vlakken in een rechthoekig coördinatenstelsel de incidentierelaties bepalen en van lijnen en vlakken de snijpunten bepalen. Subdomein D2: Afstanden en hoeken in concrete situaties 23. De kandidaat kan met behulp van goniometrische berekeningen, de stelling van Pythagoras en de cosinusregel afstanden en hoeken in de ruimte berekenen. Subdomein D3: Coördinaten en vectoren 24. De kandidaat kan rekenen met coördinaten en vectoren in de ruimte, ook in een profielspecifieke context. eindterm f62d170e-92c4-4ec2-994b-ea22e3eca8aa 1.279
WI/D/H/Domein E Wiskunde in technologie WI/D/H Domein E: Wiskunde in technologie 25. De onderwerpen worden door de school aan leerlingen aangeboden, komen voort uit aanbod van het hoger onderwijs en kunnen, indien de school daarvoor kiest, voor elke kandidaat verschillend zijn. eindterm b3095bfe-d5a3-4c5b-b2a6-46f3e0032af4 1.280
WI/D/H/Domein F Keuzeonderwerpen. WI/D/H Domein F: Keuzeonderwerpen eindterm 5468c5ed-6c24-4de4-881d-fae31233f72a 1.281
WI/D/H/Examenprogramma WI/D/H Examenprogramma wiskunde D havo Het eindexamen Het eindexamen bestaat uit het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Vaardigheden Domein B Kansrekening en statistiek Domein C Toegepaste analyse 2 Domein D Ruimtemeetkunde 2 Domein E Wiskunde in technologie Domein F Keuzeonderwerpen. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op domein A in combinatie met: - de domeinen B en F, en van het domein C de subdomeinen C1 en C2 en één van de subdomeinen C3 of C4 of beide; - één van de domeinen D of E; - indien het bevoegd gezag daarvoor kiest, naast de keuzeonderwerpen bedoeld bij domein F: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen. eindterm 1204a987-51e6-4390-826e-ad858fbdf349 1.955
WI/D/H/2018/Domein A Vaardigheden Wi/D/H/2018/Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Algemene vaardigheden 1. De kandidaat heeft kennis van de rol van wiskunde in de maatschappij, kan hierover gericht informatie verzamelen en de resultaten communiceren met anderen.   Subdomein A2: Profielspecifieke vaardigheden 2. De kandidaat kan profielspecifieke probleemsituaties in wiskundige termen analyseren, oplossen en het resultaat naar het oorspronkelijke probleem terugvertalen.   Subdomein A3: Wiskundige vaardigheden 3. De kandidaat beheerst de bij het examenprogramma passende wiskundige denkactiviteiten − te weten modelleren en algebraïseren, ordenen en structureren, analytisch denken en probleemoplossen, formules manipuleren, abstraheren, en logisch redeneren en bewijzen − en kan daarbij ICT functioneel gebruiken.   eindterm b37aa195-d0bb-406c-9f76-85961b50468d 2.041
WI/D/H/2018/Domein B Statistiek en kansrekening Wi/D/H/2018/Domein B: Statistiek en kansrekening Subdomein B1: Visualisatie en interpretatie van data 4. De kandidaat kan data verwerken in een geschikte tabel of grafiek, daarbij centrum- en spreidingsmaten hanteren, de statistische relatie tussen twee variabelen uitdrukken in een maat en deze gebruiken bij een voorspelling.   Subdomein B2: Combinatoriek 5. De kandidaat kan permutaties en combinaties herkennen en toepassen op combinatorische problemen en de bijbehorende formules interpreteren en verklaren.   Subdomein B3: Kansbegrip 6. De kandidaat kan een toevalsproces de kans op een bepaalde uitkomst of gebeurtenis bepalen aan de hand van een diagram, combinatoriek, kansregels en simulatie.   Subdomein B4: Kansverdelingen 7. De kandidaat kan aangeven in welke situatie een toevalsvariabele binomiaal of normaal verdeeld is en kan met behulp van die verdeling kansen, verwachtingswaarden en standaardafwijkingen berekenen.   Subdomein B5: Toepassingen van statistische verwerkingsmethoden 8. De kandidaat kan in een gegeven probleemsituatie statistische conclusies trekken, bijvoorbeeld door middel van hypothesetoetsing of correlatie- en regressierekening, en kan daarbij statistische software adequaat gebruiken.   Subdomein B6: Profielspecifieke verdieping 9. De kandidaat kan met behulp van probleemsituaties uit andere bètavakken verdieping geven aan dit domein.   eindterm 59ca819d-4d90-4c8b-8fa6-f33b62e7b3ec 2.042
WI/D/H/2018/Domein C Ruimtemeetkunde Wi/D/H/2018/Domein C: Ruimtemeetkunde Subdomein C1: Oppervlakte en inhoud 10. De kandidaat kan de oppervlakte van vlakke en ruimtelijke figuren berekenen, van ruimtelijke figuren de inhoud berekenen en schatten en het effect van schaalvergroting op zowel inhoud als oppervlakte beargumenteren.   Subdomein C2: Fragmenttekeningen van ruimtelijke objecten 11. De kandidaat kan van een ruimtelijk object aanzichten, uitslagen en vlakke doorsneden construeren, tekenen, interpreteren, er berekeningen aan uitvoeren en uit een serie parallelle doorsneden conclusies trekken over vorm en inhoud van zo’n object.   Subdomein C3: Onderlinge ligging van punten, lijnen, vlakken in concrete situaties 12. De kandidaat kan de onderlinge ligging van punten, lijnen en vlakken bepalen en kan daarbij de begrippen kruisen, snijden, evenwijdig en samenvallen hanteren.   Subdomein C4: Coördinaten en vectoren 13. De kandidaat kan eenvoudige berekeningen uitvoeren met coördinaten en vectoren in de twee- en driedimensionale ruimte en kan, ook in een profielspecifieke context, gebruikmaken van het inwendige product..   eindterm 7ab67dfc-8a76-4fc9-9d8b-bbe50a51b873